X-getuigen Posts

Exempel 1 Hoernalisten 2

 

Lucas Mariën. 6 november 2018/ 14 november 2018

 

‘Je n’ai pu vous voir, parfaite créature,

Sans admirer en vous l’auteur de la nature’,

zegt Tartuffe tegen Elmire, de vrouw van zijn vriend, die verbaasd is dat een zo vroom man als hij alle scrupules opzij zet en avances bij haar maakt: ‘Ik kan u niet zien, volmaakt wezen, zonder in u de schepper van de natuur te vereren.’ (Tartuffe III, 3.)

Hij is begonnen met uitvluchten. Vroom ben ik wel, zegt hij, maar ik ben toch ook een man en als dusdanig onderhevig aan de aanvechtingen van de natuur.

Maar dat is nog geen echte Tartuffe, dat is nog triviaal. Het oerbeeld van de huichelaar wordt hij pas door wat we de tartufiaanse Vrome Wrong zouden kunnen noemen, de torsade waarin het kwade met subtiele doortraptheid tot het goede wordt omgedefinieerd. Zo vertaalt Tartuffe zijn begeerte in vroomheid. Zou het immers geen miskenning van de schepper zijn, ongevoelig te blijven voor de schoonheid van diens werken? De avances die Tartuffe maakt zijn in deze duiding dus een erkenning van en een onderwerping aan gods majesteit – en een god welgevallige daad. De zonde wordt in de praatjes van de huichelaar tot ware vroomheid omgelogen.

Na de putsch van 1830 en de uitvinding van het zg. ‘België’ was een van de eerste handelingen van het nieuwe regime het verbieden van een opvoering van de Tartuffe in Luik.

Ze wilden zich niet laten kennen.

 

2

Lezer *** die ook nog de Vl. ‘pers’ leest… we hadden het over dat knipsel uit Knack, het stuk van Eddy Eerdekens over echo’s in die ‘pers’ op het bezoek van Michelle Martin aan Knokke en de toornige reactie daarop van burgemeester Leopold Lippens.

De Standaard laat – nee, niet de dichter Marc Reynebeau – op het geval los, maar slechts Guy Tegenbos van wie we nog nooit gehoord hadden. ‘Het standpunt Lippens gaat erin als zoete koek,’ schrijft die, en dat is ‘heel begrijpelijk maar heel fout. Het gaat in tegen de rechtsstaat’. Aldus de volle borsttoon van deze bezorgde steunpilaar – wel van de orde, maar ook van het recht? In ieder geval postuleert Tegenbos hier de rechtsstaat. We constateren het, maar zetten het eerst even tussen twee haakjes.

 

3

‘Heel begrijpelijk maar heel fout.’

Het hele stuk lijkt maar weinig opgewekt. Tegenbos klinkt alsof hij zijn gebit per ongeluk in het wijwatervaatje gelegd heeft in plaats van in het glas op het nachtkastje, en hij, als hij zijn vingers daarin doopt om zich te bekruisen, de desillusie van zijn leven ervaart bij het contact met die tanden. Begrijpen doet hij de burgemeester wel, erkent hij nochtans, maar toch moet hij hem berispen: ‘Burgemeesters hebben niet het recht om zomaar bijkomende voorwaarden te stellen voor hun grondgebiedje.’

Gebied-je!

Op wereldschaal stelt zo’n gemeente immers niets voor, laat staan vanop een hoger standpunt, buiten de wereld – vanuit de hemel bijvoorbeeld, waar misschien previews georganiseerd worden voor bijzonder bijbelvaste pennevoerders. Het verkleinwoord heeft een dubbel voordeel. Ten eerste zwakt het Tegenbos’ berisping enigszins af: een knoeiende burgemeester op een vliegenscheet is minder erg dan een in een wereldstad. En ten tweede houdt het politiek gesproken een geruststelling in. We hoeven ons geen zorgen te maken: ‘bijkomende voorwaarden’ stellen zonder daartoe het recht te hebben, dat is weliswaar iets voor potentaten, maar als Lippens dan een kleine Mussolini zou wezen, dan zou hij in ieder geval maar heersen over een gebied-je! En hoe kleiner dat is, hoe minder dat dictatorschap het christelijke geweten moet belasten. Niettemin blijft Tegenbos bij zijn mening: Wijze burgemeesters doen dat ook niet.’ De verstandelijke vermogens van Lippens imponeren onze scribent daarbij niet zonder een zeker voorbehoud:

‘Wijze burgemeesters weten dat die eis niet realiseerbaar is en weten dat ze niets bereiken als ze die eis toch stellen’. Niet de wet aan je laars lappen is onwijs, maar dat doen als je vooraf niet zeker weet dat dat ook zal lukken – dat kennen we toch… ‘Ubi nihil vales, ibi nihil velis.’ Dat is het axioma van Arnold Geulinckx, de ketterse en door de universiteit van Leuven vervolgde filosoof die naar het Noorden, naar Leiden, moest vluchten! Hulp, Standaard , is Guy Tegenbos per ongeluk misschien schismatiek geworden? Maar nee: zo vroom, zo ingetogen, zo… liefdevol hij Lippens bij alle terechte kritiek toespreekt – zo kan dat alleen een door de wol geverfde moralist van De Standaard ! Als professor Zoetesmeer niet echt bestond en ik hem bijvoorbeeld als romanpersonage zou moeten uitvinden, dan zou ik ter studie van de tale Kanaäns van lezer *** De Standaard willen lenen.

Hoe vermakelijk dat zorgelijk-moralistisch gesnap ook is, deze taal verdient onze kritische beschouwing.

 

4

De burgemeester moet zich niet aan de wet houden omdat het de wet is, maar omdat het niet zal lukken ze te overtreden – dat staat daar toch, in dat vorige citaat van de heilige Zieleleed? Zo’n houding getuigt van een zuiver utilitaristische rechtsopvatting. Of een wet gerespecteerd wordt hangt af van overwegingen van nuttigheid tegenover risico’s. Het is met andere woorden een kwestie van kosten en baten.

Het rechtsbewustzijn van De Standaard is nooit erg democratisch geweest. Dat woord ‘democratisch’ – zo dadelijk denken onze lezers nog dat we van de Nato zijn, met ‘waardengemeenschap’ en alles… In ieder geval, rechtsstaat is denkbaar zonder democratie – democratie zonder rechtsstaat niet. Er hebben autocratische heersers bestaan die de rechtsstaat respecteerden en zelfs stimuleerden, maar die geen democraten waren. Zo iemand was bijvoorbeeld keizer Jozef II, in de toenmalige Oostenrijkse Nederlanden.

Democratie is (nog) meer dan andere staatsvormen aangewezen op recht, aangezien er geen andere instanties zijn die de verhoudingen tussen de burgers regelen. Ik neem de vrijheid hierbij te verwijzen naar nieuwe steekkaarten in verband met recht en de Rechtvaardige Rechters, waarvan de publicatie op deze webstek nog voor dit semester voorzien is. Op deze plaats moet ik het er nu bij laten dat recht per se moet gelden, het principe dat al in de Romeinse rechtsfilosofie erkend werd: dura lex, sed lex – het is de harde wet – maar het is nu eenmaal de wet. D.w.z. je kunt er niet omheen, het moet omdat het de wet is.

De Standaard c.s. hangen het intussen niet meer aan de grote klok, maar het kruipt te voorschijn als tandpasta uit een gescheurde tube waar de dop wel op zit, maar de tube lag vergeten op de redactiekruk waar Guy Tegenbos per ongeluk op is gaan eh – zetelen. Plantrekkerij in plaats van recht, regelingen achter de schermen (reconciliatio in secreto; scandalo excluso), het op een akkoordje gooien met het recht van de staat als het niet anders kan, maar dat wereldlijk recht eigenlijk verachten en zo mogelijk negeren en obsoleet verklaren.

In het nieuwste boek van Peter Sloterdijk wordt deze positie in één adem genoemd met minder doodgezwegen stromingen: ‘…de anti-liberalismen van de twintigste eeuw – communisme, nationaal-socialisme, politiek katholicisme’[1].

Elke oprisping, elke gelegenheid waarbij het Heilige Alsof zijn gezicht laat zien herinnert de bewoners van de Satire op het Volk (J.W. von Goethe)Tartufistan intussen aan de Rechtvaardige Rechters en het schandaal van 1934, waarbij de positie van de Gentse bisschop Coppieters tegenover de justitie er een was van schijnbare, pro forma, loyaliteit, terwijl hij er in werkelijkheid op bedacht was politie en justitie op een zijspoor te zetten.

We hadden gezien dat Guy Tegenbos over ‘wijsheid’ femelt en over burgemeesters op wie, behalve dat ze het recht aan hun laars willen lappen, niets aan te merken valt dan dat schranderheid hun fort niet is. Hij zet zijn Schoonvlaams nog eens extra vaart bij en schrijft: ‘Ze jutten de bevolking dan op, en laten ze vervolgens achter met frustraties en met extra wantrouwen in het rechtssysteem. Dat is niet wat van een burgemeester met 33 jaar ervaring verwacht wordt.’

Tegenbos kant zich tegen het demagogische aspect van Lippens’ optreden, maar hij doet dat omdat het ‘wantrouwen in het rechtssysteem’ aangewakkerd wordt als je je populistische maatregel tenslotte niet kunt doorzetten. Flagrante illegaliteit zou helpen het wantrouwen te sussen. Zou het dan eigenlijk niet beter zijn om maar helemaal over juridische scrupules heen te stappen?

De affaire Dutroux heeft bij de bevolking de mening bevleugeld dat de hele Tartufistaanse justitie een aanfluiting is, een schijnvertoning – er was al lang een onderhuids bewustzijn dat in de Dutrouxtijd virulent werd. Intussen heeft het systeem zich moeite gegeven. Met schmink en andere kosmetische ingrepen. Alles blijft bij het oude, maar we loven en prijzen de ‘rechtsstaat’ die we uitbazuinen. Het is in feite de machtsvraag: wie definieert wat een rechtsstaat überhaupt is?

 

5

Komen we nog even terug op Tegenbos’ eerste eruptie van vrome bezorgdheid: ‘Heel begrijpelijk maar heel fout. Het gaat in tegen de rechtsstaat.’ Op Tegenbos’ postulaat van de rechtsstaat dat we tussen haakjes hadden gezet. De bewering, veronderstelling, vooronderstelling dat die bestaat.

De beweerde ‘rechtsstaat’ is het kader waarin Tegenbos’ berisping past, het ‘frame’. Een van de klassieke voorbeelden voor het procedé van de ‘framing’ is dat van het half lege glas dat je ook halfvol kunt noemen. Het gaat om zienswijzen, algemenere schemata waarin fenomenen die zich voordoen worden ingepast zonder dat de toehoorder zich daarvan eigenlijk bewust wordt – maar waardoor de duiding van die fenomenen al bij voorbaat in een bepaalde richting wordt gestuurd. De ‘rechtsstaat’ is er a priori en er wordt ook geen afbreuk aan gedaan door een burgemeester van een gebied-je. Ook niet door netwerken van kinderconsumenten.

Het postulaat staat buiten kijf en dient als zoethouder.

Tegenbos vindt dat burgemeesters het geschokte vertrouwen in de rechtsstaat moeten bevorderen – of tenminste niet ondergraven – met behulp van een door hem geformuleerd utilitaristisch rechtsbegrip dat er de negatie van is.

Hier hebben we hem, de wrong. Precies als bij Tartuffe die zijn geilheid kadert als erkenning van en lof aan het opperwezen. Het populisme waarvan Tegenbos de burgemeester wil afhouden uit overwegingen van praktische rede – maar dat niet uit den boze zou zijn als het werkte – fungeert juist argument voor de rechtsstaat a priori. M.a.w. voor de rechtsstaat als bewering, als fictie.

 

6

Het is gek, dat gefemel over wijsheid en vertrouwen en dertigjarige ervaring – het wekt de indruk dat het de aandacht moet afleiden van iets wat overduidelijk in de lucht hangt. Het is dat klagen over die pijn aan de amandelen van Jef Geeraerts.

Burgemeester graaf Leopold Lippens van Knokke werd door meer dan een X-getuige, kinderen die werden doorgegeven in het circuit van kinderconsumenten, genoemd als betrokkene bij dergelijke activiteiten. Maar waar zijn die kinderen bij Tegenbos? Ze zijn nergens, de X-en zijn niet existent. Zo kan Tegenbos uitgebreid over ‘wijsheid’ wawelen op een toon alsof hij het hele wijwatervaatje heeft uitgedronken… maar geen enkele reminiscentie aan de X-getuigen en de vermelding van Lippens in hun getuigenissen.

Denkt Tegenbos misschien dat die zaak afgedaan is met de inpassing ervan in de tale Kanaäns en in de ‘justitie’ van een ‘rechtsstaat’ à la mode De Standaard?

Hoernalisten zijn natuurlijk medeplichtig aan het misbruik van de genoemde kinderen, aan hun semantische liquidatie of beter: hun semantische annihilatie. ‘Zwijgen is voor de daders’ poneerde getuige X-1 terecht. Tegenbos zwijgt niet over zijn amandelen en de toon van zijn betoog is daarbij zo christelijk dat ik eens ben gaan kijken of hij er niet bij op stond, op die lijsten van klanten van het Dutroux-Nihoul-systeem. Maar nee, dat was niet het geval. Ik overloop nog eens wat hij schreef. Zo wijs is die toon, dat ik die lijsten nog een tweede keer overlopen heb – maar nee, hij staat er ook de tweede keer niet op.

 

7

Kern van het probleem is en blijft het recht versus het ‘kerkelijk recht’.

Het is een van de literair productiefste elementen in de mythe van de Rechtvaardige Rechters dat Julienne, de zeer katholieke, zelfs kwezelachtige, weduwe van Arsène Goedertier tegen Henry Koehn zei: ik heb meer vertrouwen in de verjaring – d.w.z. in de loop die het burgerlijk, wereldlijk recht neemt – dan in het woord van een bisschop.

_______________________________________________________

  1. Peter Sloterdijk: Neue Zeilen und Tage, Berlijn 2018. P. 540.

 

Exempel 1 Hoernalisten 1

Lucas Mariën. november 2018.

 

De gretigheid waarmee de Huichelarijse systeem-media zich op de affaire Dutroux hebben gestort boezemde me van bij het begin afkeer in. Degenen die hadden moeten bijdragen tot een democratische, transparante rechtsstaat profiteerden, door het uitmelken van het schandaal, nog eens van de situatie waarvoor ze medeverantwoordelijk waren doordat ze hun werk niet hadden gedaan. Doordat ze geen echte, niet-corrupte pers waren.

Nee, ik wilde niet meehuilen met de wolven in het bos. Ik volgde de affaire niet echt, ik koos voor de Rechtvaardige Rechters, dat was al moeilijk genoeg –maar ook relevant genoeg.

Tot ik merkte dat er niet alleen parallellen bestonden, maar zelfs raakpunten tussen de twee affaires. Dat er misschien een onderliggende laag was, een dieper substraat waarin ze samen wortelden.

Je kunt niet spreken over de Rechtvaardige Rechters en daarbij helemaal zwijgen over de zogenaamde affaire Dutroux.

***

Michelle Martin reisde naar Knokke, wat de burgemeester van die stad, graaf Leopold Lippens, volgens de media ook ‘bekend maakte’. Had Martin op een weerzien met de graaf gehoopt, die ze wellicht al ontmoet had bij… vorige gelegenheden? Dat maakte Lippens er niet bij bekend. Gelukkig is er in Huichelarije een weekblad dat de lacunes in ’s burgemeesters bekendmaking genadeloos aanvult: ‘(Michelle Martin) ging er naar de kapper en ze maakte een wandeling over (sic) de dijk, tot grote verontwaardiging van de burgemeester.’[1]

De burgemeester was dus ook verontwaardigd.

Het spreekt vanzelf dat de dubbele activiteit van bekend maken en verontwaardigd zijn niet verborgen kon blijven voor nog andere waakzame scribenten. Van pure ijver om het publiek voor te lichten begonnen ze in de toetsen te hameren dat het een lieve lust was.

Lippens was niet lijdzaam blijven toezien, onthulden ze, maar had zich aan het hoofd geschaard van de weldenkenden die vonden dat zo’n Martin niet welkom was in een nette gemeente waar de burgervader met zo’n overweldigende meerderheid telkens opnieuw verkozen wordt. Liesbeth van Impe, in Het Nieuwsblad, fronst daar nochtans de wenkbrauwen bij en schrijft: ‘De reactie van Lippens (op de komst van Martin; LM) is totaal ongepast’. Verderop meent ze: ‘Wat Lippens doet, is inspelen op de angst die een figuur als Martin oproept, ook als daar nog maar weinig redenen voor zijn.’ Van Impe gebruikt het al te duidelijke woord niet, maar wat ze bekritiseert is wel het populisme van de politicus: dat je de armen in de lucht gooit en verontwaardigd doet als zo’n Martin op het toneel verschijnt. Curieus is dat Lippens zélf, over wie X-getuigen onafhankelijk van elkaar hebben verklaard dat hij betrokken was bij misbruik van kinderen, volledig buiten schot blijft. Van hem schijnt niet te worden verwacht dat hij ‘bekend maakt’ dat hij zélf ook in Knokke is en daarbij verontwaardigd doet. De mogelijke consumenten in het circuit van kinderschenners, die schijnt Liesbeth niet verontrustend te vinden. Die kunnen tot burgemeester verkozen worden. Alleen de leveranciers van de ‘snoepjes’ zoals de kinderen in dat circuit genoemd worden[2], die zijn niet pluis.

Ik heb een kalasjnikov gekocht op de zwarte markt, dat vinden ze bij Het Nieuwsblad normaal, maar de verkoper van het wapen, die zouden ze van de grote schrik niet willen tegenkomen, daar op de dijk van Knokke.

Er bestaat op die manier een strikte scheiding tussen de meisjesmarchands, de kinderleveranciers à la Dutroux en diens kompanen enerzijds – en de afnemers, de gebruikers, de kinderconsumenten aan de andere kant. De laatstgenoemden komen in het stuk van Van Impe helemaal niet voor, tenminste niet in de weergave van het weekblad dat we citeren. Maar dat wil immers juist de aandacht vestigen op de slechte indruk die de burgemeester maakt met zijn charge tegen een individuele staatsburger. Er wordt gewezen op een negatieve reactie in een groot deel van de geschreven systeempers. En in die reactie, in de weergave van het weekblad, komen de X-getuigen helemaal niet ter sprake; zijn zij de grote verzwegenen. Maar ze zijn niet de oorspronkelijke, niet de eerste verzwegenen, zouden we kunnen zeggen. Dát zijn de kinderconsumenten, de eigenlijke verzwegenen. Ook in het verzwijgen worden de kinderen, als afgeleide verzwegenen, nog eens misbruikt en geïnstrumentaliseerd om de oorspronkelijke verzwegenen te kunnen blijven verzwijgen.

Maar in de monumentaliteit van het verzwijgen zijn de kinderconsumenten wel machtig aanwezig, tenminste die ene, die in de hier geschetste context zo duidelijk niet vernoemd wordt – behalve dan zijn activiteiten van bekend maken en verontwaardigd zijn.

Zonder het te willen – terwijl ze in feite het tegendeel wil – bereikt de journalist het effect dat in de literatuur bewerkstelligd wordt door de aposiopesis, ook reticencie genaamd, de stijlfiguur van het verzwijgen of het verstommen. Volgens Van Dale is dat ‘de plotselinge afbreking (van de zin, van de mededeling e.d.) waarbij hetgeen zou moeten volgen, verzwegen wordt en te denken wordt gegeven’. Een (eenvoudig) voorbeeld dat het woordenboek aanbrengt is: ‘Ik zal ze!’

Het verschil tussen de schrijver en de hoernalist is o.a. dat de eerste bij het gebruiken van deze stijlfiguur iets verzwijgt opdat het verzwegene des te duidelijker voor de geest zou komen te staan. De hoernalist verzwijgt daarentegen om te verbergen, te doen vergeten, maar hij beheerst vanzelfsprekend geen literaire taal en bereikt het tegendeel. Zijn verzwijgen leidt in een flagrant geval als het onderhavige tot een aposiopesis uit onvermogen.

Ik zou hier de uitspraak van Jef Geeraerts kunnen variëren, maar zonder schuttingtaal, aangezien deze website veelvuldig ook door kinderen en jonge maagden wordt gelezen. Geeraerts zegt dus: ‘Als je hem tegen zijn… ehem… trapt, dan begint hij (dubbelgevouwen, met groen gezicht, jengelend en kreunend) te klagen over pijn aan de amandelen.

Het kwestieuze woord heb ik verzwegen – zodat het voorbeeld niet alleen de aposiopesis illustreert maar er ook een is.

Zoals de hoernalist van het weekblad wiens opstel de aanleiding tot deze bijdrage vormde niet alleen de werking van de Huichelarijse ‘pers’ beschrijft, maar er tegelijk een staaltje van levert.

Maar de corrupte journalistiek is ook een bijdrage tot het in stand houden van de officiële lezing van de zaak Dutroux, van het narratief dat de kleine handlangers Dutroux en Nihoul de enige daders zijn. Een constructie die erop gericht is dat het Circuit van de Kinderconsumenten buiten schot blijft. De met veel moeite en geknoei, met het op een zijspoor zetten van niet-corrupte ambtenaren van politie en justitie, met het vervalsen van getuigenissen en processen verbaal, het verdraaien daarvan in ‘tweede lezingen’, met het fout vertalen van teksten – vertalen dat in een staat die geen beerput is overbodig zou wezen – om tenslotte nog maar te zwijgen over het uit de weg ruimen van (een dertigtal, meen ik) hinderlijke getuigen – dat alles zou een kluif zijn voor iedere echte journalist.

Het is aan de kop, dat de vis begint te stinken

Regina Louf, de getuige X-1, publiceerde een boek: ‘Zwijgen is voor de daders’. Ik geef haar gelijk – voor zover het niet over de stijlfiguur van de asopiopesis gaat – en kom daar op terug. Maar eerst wil ik in een nieuwe bijdrage nog ingaan op een opzienbarend stuk van een collega van Van Impe.

Een hoogstandje van moraalacrobatiek stond n.a.v. van Lippens’ charge te lezen in De Standaard, het centrale orgaan van de huichelarij. Voor vandaag laten we het hierbij om onze lezers in de gelegenheid te stellen zich op het verheffende voor te bereiden. Zullen ze een zittende of een liggende houding aannemen om de tale Kanaäns in zich op te nemen? Om mee te gaan in de beweging omhoog? Of zouden ze daartoe bij het lezen misschien zelfs al een hangende positie innemen, los van de aarde? Want zo zijn ze dan onderweg in de juiste richting: per ardua ad astra – doorheen het bezwaarlijke naar de sterren!

***

  1. Cfr. de verwijzing naar Knack bij de inleiding.
  2. Ik heb eerder al verwezen https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/10/05/digitale-en-andere-apoftegmata/ naar het boek van Gerolf Annemans, Te veel om te geloven, Brussel 2004, en zal dat in de toekomst ongetwijfeld nog doen. Over die snoepjes, ‘Les friandises de Nihoul‘, in dat boek p. 17-23.

 

 

 

error: Kopij bescherming !!