Willem Frederik Hermans Posts

Het heldenpaar in het gekkenhuis

december 2017. Lucas Mariën.

Naar deze tekst heb ik verwezen in ‘Hermans: geboeid door Heidegger’ (ter perse): Hij verscheen eerder in het Hermansnummer van de De Vissende Kat

 

Het Heldenpaar in het Gekkenhuis. De Vlaggenzwaaiers van Conserve.

 

 

In meningsverschillen met Hermans legde Freddy de Vree niet zelden een opmerkelijke hardnekkigheid aan de dag. Twee keer, schrijft hij in De Aardigste Man ter Wereld, sprak hij zijn vriend aan over het slot van Conserve.[1] In die roman leeft de protagoniste, Onitah, met de obsessie dat de oude Egyptenaren het bij het rechte eind hadden dat niet alleen de geest van de mens onsterfelijk is: ‘Ook het lichaam mag niet meer verloren gaan. Het moet dus worden gebalsemd, waarheid die de oude Egyptenaren al kenden.’[2] Onitah weet haar psychiater zover te krijgen, dat die haar na haar dood ook balsemt. ‘Slot: de psychiater belandt in een krankzinnigengesticht.’[3] Daar treft hij lotgenoten, van wie er twee ‘zwaaiden met vlaggetjes waarop geschreven stond Humaniteit en De zin van het bestaan. De eerste had vroeger een onbedwingbare neiging anderen met messen te steken, de tweede zichzelf.’[4] In dat tweetal, schrijft De Vree,

’…meende ik een afwijzen van het existentialisme te hebben bespeurd. […] Ik had het ontcijferd (ontmaskerd!) als een […] verwijzing naar Jean-Paul Sartre, maar toen Wim de roman schreef in 1943, had hij noch van Sartre, noch van het existentialisme gehoord.’

Hermans ontkent dan ook dat zijn vriend het bij het rechte eind heeft. Maar De Vree’s intuïtie bedriegt hem niet in zoverre dat we hier inderdaad staan voor een breuklijn, een ‘afwijzen’, maar dan van iets veel omvangrijkers dan het existentialisme. 

De vraag die meteen rijst is of die twee gekken niet Ter Braak en Du Perron zijn, de twee publicisten die Hermans het dringendst moest deconstrueren. In de Mandarijnen steekt Hermans immers de draak met een Gesprek over de Zin des Levens van Menno ter Braak[5]. Met de kern van diens betoog, dat geldige algemene uitspraken over die ‘Zin’ niet kunnen worden gedaan, zal Hermans het niet oneens zijn geweest. Zijn spot is gericht op de pseudo-filosofische brallerige bombarie van Ter Braak, die zelf niet terugdeinst voor het doen van gratuite, tautologische uitspraken die hij anderen – met name kunstenaars – in dezelfde tekst verwijt:

‘Ik heb (…) kinderen kunnen observeren en uit den ernst, waarmee zij zich aan het spel wijden, opgemaakt, dat oorspronkelijk zin en spel identieke begrippen zijn.’[6]

Of nog:

‘Den diepsten zin, dien een kind aan het leven kan geven, is zijn spel volkomen te spelen.’[7]

Op de spits drijft hij het met de ongemotiveerde uitroep dat ‘het kind een idylle’ is.[8]

Ter Braak de representant van de Zin des Levens? Tsja, maar is de koppeling Du Perron – humaniteit eigenlijk wel voor de hand liggend? Bovendien, Hermans gaf wel eens iemand een steek in literaire teksten, maar waren Ter Braak en Du Perron niet toch te onbeduidend om te figureren op een zo prominente plaats in een ambitieuze roman?

Maar dat spel als ‘diepsten zin’… zit Ter Braak daar niet Schiller te… parafraseren? Dat de allereerste vorming van het individu moet plaatsvinden in een ‘idyllische omgeving’ en kunst moet worden beoefend als ‘ernsthaftes Spiel’? De Zin des Levens, was Schiller daar niet geweldig mee begaan? En ja, de humaniteit, het ‘humaniteitsideaal van de Klassiek van Weimar’…

Goethe en Schiller hadden in Hermans’ jeugd, in de jaren 30, nog een andere status dan nu het geval is. Ondanks het feit dat die al een knauw had gekregen door de Eerste Wereldoorlog. Voor de dadaïsten bijvoorbeeld betekende die een aanfluiting en het failliet van dat zo geprezen humaniteitideaal. Maar honderd jaar eerder al had Heinrich Heine geprobeerd de erfenis van Weimar te verdedigen tegen het toen opkomende virulente nationalisme. Dat polemiseerde immers, schrijft Heine,

‘tegen een gezindheid, die juist het heerlijkste en heiligste is, dat Duitsland heeft voortgebracht, namelijk tegen die humaniteit, tegen die algemene mensheidsverbroedering, tegen dat kosmopolitisme, dat onze grote geesten Lessing, Herder, Schiller, Goethe, Jean Paul, dat kortom alle intellectuelen in Duitsland altijd gehuldigd hebben’[9].

Toen Hermans Conserve schreef wisten ontwikkelde mensen nog dat het klassieke humaniteitideaal de hoofdgedachte was van de hele Weimarer Klassik. Hermans’ ouders waren opgeleid tot onderwijzers, en in hun gezin was Goethe zonder twijfel een erkende grootheid – te meer omdat vader Hermans ook nog ‘veel Duits las’[10] en vrijmetselaar was[11]. Op zijn achttiende verjaardag – kennelijk een plechtig moment – kreeg Wim van hen de Goethe-biografie van Eduard Engel met een opdracht cadeau. [12] Het had ongetwijfeld iets symbolisch.

In ieder geval werd in 1932, Hermans was toen elf, de honderdste verjaardag van Goethes sterfdag uitvoerig herdacht. Er verscheen onder meer een boekje Goethe de Vrijmetselaar van D.H. Wester[13]. Daarin wordt Goethe ‘de ziel der menschheid’ genoemd.[14] De Olympiër was toen geweldig mediaal aanwezig. De filosoof Ortega y Gasset liet weten dat dat hele Goethe-gedoe hem de strot uitkwam en dat hij een ‘Goethe van binnenuit’ wilde. De slogan van de humaniteit komt in de jaren ‘30 en ’40 zo in de mode, dat ook de Kerk van Rome ontdekte dat ze daar in de grond altijd al voorstander van was geweest, onder ander bij monde van Hermans’ latere vijand, Anton van Duinkerken. Die prijst een publicatie van een pater Degrijse over Humanisme in zijn bundel Mensen en Meningen[15] en neemt daarin een eigen stuk op, dat De Humaniteitsleer der Kerk heet.

Een van de eersten die zijn buik vol had van het gezwollen gebruik van het ideaal was trouwens degene die veelal doorging voor de uitvinder ervan: Goethe zelf. Over zijn stuk ‘Iphigenie’ schrijft hij aan Schiller dat het ‘verduiveld humaan’ is, ‘verteufelt human’.[16]

In Goethes Reis naar Italië komt een reactie voor op het nieuws dat Herder klaar is met het derde deel van zijn Ideen zur Philosophie der Geschichte. Johann Gottfried Herder, een van de propagandisten van het ideaal, zal – schrijft Goethe – ‘de mooie wensdroom van de mensheid, dat alles ooit beter met haar moge worden, beslist treffelijk hebben uiteengezet. Ook […] neem ik zelf wel aan dat de humaniteit tenslotte zal overwinnen.’ Maar dan – Goethe is nog steeds aan het woord: ‘vrees ik dat de wereld tegelijk een groot hospitaal geworden zal zijn, en de ene mens de humane ziekenverpleger van de andere.[17]

Bingo!

Dit is geen gewone reminiscentie meer: de situatie in het gekkenhuis in Conserve is een citaat! 

Niettegenstaande Goethes scepticisme ten opzichte van het pathetische van Herder c.s., werd hij in toenemende mate met dat ‘humaniteitsideaal’ geïdentificeerd. Hermans zal de schrijver van de Faust meer dan eens ook het optimisme verwijten, dat hij hem zelf toedicht. Lange tijd kan hij niet over hem schrijven zonder een zekere wrokkigheid. Hij koopt het schilderij van Moesman met de ‘kop van Goethe waaruit een stuk is gebeten als uit een appel’. ‘Hitler viel in mei 1940 Nederland binnen,’ schrijft hij in De aardappel van de dood, ‘en zo verloor Goethe-Duitsland zijn gezicht’.

Meer dan een halve eeuw ná Conserve brengt Hermans het begrip ‘gekkenhuis’ direct in verband met de oorlog. In een Knack-interview [10 mei 1995, p. 107; dit zg. interview moet overigens ten dele (?) apocrief zijn] zegt hij over de Duitsers: ‘Dat een zo begaafd volk plots (sic, LM) zo krankzinnig kon worden, het was onbegrijpelijk (…). Voor mij was dat een grote, diepe teleurstelling. Daar kom je nooit meer overheen, dat gevoel van: ik leef in een gekkenhuis.’

Het is me niet bekend dat de classici van Weimar met messen staken. Maar ik denk dat de twee gekken in Conserve iets met ze te maken hebben.

Hermans verweerde zich tegen zulke verregaande interpretaties – daarin ook gelijk aan Goethe die eiste dat zijn werk concreet gelezen werd. Twee mannetjes in een roman zijn dié twee mannetjes in dié roman, dat is alles.

En ik heb dus niets gezegd.

_______________________

  1. Freddy de Vree: De Aardigste Man ter Wereld. Amsterdam 2002. P. 52 en 207.
  2. W. F. Hermans, Het Sadistische Universum 2. VW 11, p. 627.
  3. O.c., p 628.
  4. Conserve. VW 1, p. 230.
  5. Mandarijnen (1973(4)) p. 63 e.v. Ter Braaks tekst staat in Forum, jg. 3 (1934).
  6. O.c., p. 1163.
  7. Ibid.
  8. In ‘Die Romantische Schule’. Heinrich Heine, Sämtliche Schriften, (uitg. Klaus Briegleb). München 1996(3). Dl. III p. 379.
  9. W.F. Hermans: De laatste roker. Amsterdam 1993. P. 185.
  10. W.F. Hermans: Fotobiografie. Amsterdam 1969.
  11. Avenue, 17 jg. nr. 7, (juli 1982) p. 76.
  12. Herdruk van de uitgave van 1932, uitgeverij Schors, Amsterdam 1981.
  13. Ibid. p. 6.
  14. Anton van Duinkerken: Mensen en Meningen, ’s-Gravenhage 1951. p. 206.
  15. Brief aan Schiller van 19 januari 1802.
  16. Goethes Werke, Hamburger Ausgabe XI, 332.

Hermans’ Klassiek (3.2)

 

 

Hier stond Hermans’ Klassiek  3.2., over het verhevene.

Het is ter bewerking teruggenomen en zal een plaats krijgen  in het door de uitgeverij Het Paradigma geplande boek Hermans’ Klassiek.

 

 

 

 

Welkom. Programmatisch.

[Januari 2016; april 2016. Coralie Coloratuur.]

 

 

Het Ongeschreven Boek

Het was onmogelijk om mijn chef, Lucas Mariën, ertoe te bewegen zekere resultaten van zijn onderzoek naar de Rechtvaardige Rechters te publiceren. Tenslotte wist ik het voor elkaar te krijgen dat althans ik ze dan gedeeltelijk publiek mocht maken.

‘Literatuur heeft met de werkelijkheid niets te maken,’ zegt hij, ‘en als ik dingen publiceer die waar zijn, of echt gebeurd, dan schaadt dat mijn literaire status.’

‘Maar je hebt mij wel als model gebruikt voor de Coralie van je boek.’

‘Je vond dat goed, en je bent er nog trots op ook.’

‘Je hebt geschreven dat ik twee keer heb meegedaan aan een missverkiezing en dat ik de titel van Miss Bio-Melkproducten in de wacht hebt gesleept, terwijl het die van Miss T-shirt was.’

‘Zie je wel, dat personage heeft niets met jou te maken.’

Maar Henry Koehn heeft echt bestaan, de Duitse officier die tijdens de bezetting op zoek ging naar het in 1934 gestolen paneel van het Lam Gods, het paneel van de Rechtvaardige Rechters. En ik besta dus ook–maar niets van het verhaal is helemáál waar, behalve wat ik zelf schrijf.

Over fictie en realiteit, over het verbod voor literatuur om iets te betekenen – we zullen het er zeker nog over hebben. Intussen is het een feit dat Lucas dat onderzoek heeft gedaan en dingen heeft verzameld omdat hij een roman wou schrijven. Dat is het materiaal dat vanaf een bepaald ogenblik het Archief Rechtvaardige Rechters  is beginnen uitmaken, en dat dus diende om ervoor te zorgen dat hij de werkelijkheid genoeg ontweek. ‘Een verstandige leugenaar blijft zo dicht mogelijk bij de waarheid,’ zegt hij, ‘en bijgevolg moet je die kennen om er met bekwaamheid te kunnen van afwijken.’

Ik zal op deze stek trouwens ook uit zijn boek citeren –dat als werktitel ‘Het Ongeschreven Boek’ (HOB) kreeg – dat is niet de definitieve titel. En waarom dan niet meteen… Dit is een fragment uit het zevende hoofdstuk:

 

“Henry Koehn heeft ook geprobeerd een boek over de Rechtvaardige Rechters te schrijven. Hij kreeg een tumor en stierf. Daarna probeerde Paul Weymar het, de bekende biograaf van de eerste bondskanselier Konrad Adenauer. Weymar was de buurman van Koehn op Sylt, het prominenten-eiland voor de Oostfriese kust. Hij vroeg weduwe Eva Koehn om inzage in het materiaal van haar man met het oog op een boek. Dan stierf hij plotseling. Er rust een vloek op die stof. Overigens zijn ook in Duitsland de archieven gelicht.”

        Ze sprak nu zacht en afwezig.

(HOB; 7.1.)

 

Toch waar – de in dit fragment gebruikte informatie wordt gestaafd door o.a. een brief (van 4 juli 1967) van Eva Koehn aan professor Rosemann, die Koehns directe chef was bij de Brusselse ‘Kunstschutz’. En wie zo zacht en lieflijk sprak – iedereen denkt nu natuurlijk dat ik dat was – maar terzake! Fictie en non-fiction, en hoe ze elkaar spiegelen, versterken, tegenspreken, ondergraven…

 

Het epos in verzen

Lucas’ toestemming heb ik ook gekregen omdat ik zijn zwakke plek trof: digitale literatuur.

De uitvinding van de boekdrukkunst luidde het einde in van het epos in verzen dat eigenlijk diende om te worden voorgedragen, en dit ten voordele van de lees-roman. De uitvinding van de fotografie beïnvloedde de schilderkunst: het afbeelden van de wereld op een plat vlak kon die voortaan overlaten aan dat nieuwe medium.

Zo zal ook de digitale revolutie gevolgen hebben voor de literaire vorm. Lucas spreekt dan graag van de Digitale Mix, literatuur in samenwerking met digitale techniek, de invloed van die techniek op de literaire vorm. En hij stuurde me zelf naar een colloquium aan de Humboldt-universiteit in Berlijn, iets heel officieels, georganiseerd met de steun van het ministerie van cultuur, met professoren die er speciaal uit Amerika voor waren overgevlogen – de lezer beseft meteen dat de antwoorden niet uit die richting zullen komen.

 

literaturdigital_3_0

 

Intussen zijn schrijvers natuurlijk volop bezig met de literatuur na de post-literatuur. Zo publiceert nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek (‘De Pianiste’) al meer dan tien jaar alléén nog in het internet (http://www.spiegel.de/kultur/literatur/elfriede-jelinek-nennt-literaturbetrieb-korrupt). Dat komt omdat ze het boekwezen ‘extreem corrupt’ vindt. Bovendien: ‘Als ik in het internet publiceer, dan blijft de tekst van mij. En toch kan al wie dat wil er naartoe. Een fascinerende mengeling van privé en openbaar.’ Ook in andere opzichten blijkt Jelinek niet te zijn aangetast door ingekankerde preferenties: ‘Boeken die alleen maar in het internet verschijnen worden haast nooit besproken. Dat is goed voor mij, dat heb ik het liefst,’ zegt ze (interview met haar op http://fiktion.cc/elfriede-jelinek-2/ februari 2014). De noodzaak om literatuur opnieuw te denken opent vanzelfsprekend nieuwe perspectieven. Voor een zozeer onderdrukte literatuur als de Nederlandse in een in wezen nog feodale maatschappij als ‘België’ is het de enige mogelijkheid om te ontstaan, te bestaan. Tijdens deze kennismaking hoef ik daar niet verder op in te gaan.

Maar deze bladzijden vormen dus ook een experiment met het gebruik van het internet voor de literatuur. Daartoe hebben we ook de uitgeverij Paradigma opgericht, die te gelegener tijd elektronische én andere boeken op de markt wil brengen. Jelinek oppert ook de mogelijkheid van bijvoorbeeld een online-lectoraat – wij verliezen dat niet uit het oog, maar het is ook een kwestie van mankracht en middelen en voorlopig…

 

Een oneigenlijke diefstal

De diefstal van de Rechtvaardige Rechters op 10 april 1934 was een oneigenlijke diefstal. Het ging de dief (of de dieven) niet om het materiële bezit van het paneel – dan zou het een gewone, een eigenlijke diefstal zijn geweest –  maar om iets anders, iets symbolisch, immaterieels. De eerste reactie van kannunnik Van den Gheyn toen hij van de gebeurtenis op de hoogte werd gebracht, zou zijn geweest: ‘Dat is chantage.’ Van den Gheyn was een soort kerkelijke chef-conservator van het Lam Gods, en hij noemde de diefstal ook een ‘wraakneming’ (MoK II, 425; Mortier 2005, 31 e.v.). Ook van Arsène Goedertier, die als dief van het paneel aan de kaak werd gesteld, wordt een uitspraak overgeleverd die rechtstreeks de eigenlijkheid van de diefstal betwist: er was geen diefstal, zegde hij, het paneel was alleen maar verplaatst. (MoK II, 479; MoK I, 194 noot) Maar waarom dan, en op wie werd er chantage, wraakneming uitgeoefend?

De keuze van het paneel zelf met de Rechtvaardige Rechters, de belichaming van de politieke en geschiedenisfilosofische opvattingen van de middeleeuwen, kan moeilijk voor een toeval worden gehouden. Hitler was toen net een jaar aan de macht, het gonst in heel Europa van sympathieën voor een of ander fascisme – in Vlaanderen lonken toonaangevende figuren naar iets in de aard van het Oostenrijkse klerikaal-fascisme van Dollfuss.

Ik laat dat even zo staan om een begrip ten berde te brengen: historische semantiek. ‘Filosofie is arbeid aan het begrip,’ zegt Lucas, ‘en literatuur is arbeid aan de mythe.’ Maar in zijn ijver om zo verstandig mogelijk te liegen heeft hij toch dingen aan het licht gebracht die kunnen helpen bij de vereigenlijking van de diefstal.

Historische semantiek, de leer van betekenissen van begrippen uit een historisch oogpunt – ik geef een voorbeeld:

In een van de brieven die ‘D.U.A.’ naar de bisschop van Gent stuurt om over de teruggave van de Rechtvaardige Rechters te onderhandelen, spreekt hij over zichzelf als “le chef”. “Le Chef” was in 1934 de leider van de ‘Rex’-beweging, Léon Degrelle, als dusdanig in heel ‘België’ bekend. Het woord heeft trouwens dezelfde betekenis als ‘Führer’ en ‘duce’. Het lijdt geen twijfel dat de schrijver van de brief door het gebruik ervan iets suggereert of een bepaalde sfeer wil oproepen met een bepaalde bedoeling die niet meteen blijkt. Door die woordkeuze verlaat hij het pad van de nuchtere, zakelijke mededeling en creëert – ironisch of niet – een zekere rol, een enscenering, een dramatisering – ik zou haast zeggen: een verliteraturing – als ik dan niet verschrikkelijk op mijn kop zou krijgen. (Van mijn… le chef. Omdat het een kenmerk is van de post-literatuur, om alles maar ‘literatuur‘ te noemen.)

Om historisch-semantische inzichten te verwerven moeten we begrippen bekijken in hun context van toén – ze recontextualiseren: chef 1934 ≠ chef 2016. Dat betekent dat we de vraag naar een materiële oplossing – het terugvinden van de Rechtvaardige Rechters –  op deze stek tussen twee haakjes zetten en een Copernicaanse wending maken: niet de aarde staat in het midden, maar de zon. Niet het eigenlijke van de diefstal interesseert ons, maar het oneigenlijke waarom het van bij het begin te doen schijnt te zijn geweest.

 

Coïncidenties

Een van de pioniers van de historische semantiek was de filosoof Joachim Ritter (1903-1974). Gek, maar deze Ritter formuleerde ook nieuwe ideeën over de betekenis van Jan van Eyck, waarbij hij de revolutionaire inzichten van Goethe omtrent Van Eyck uitbreidde naar het terrein van het zuivere denken: Jan van Eyck als uitvinder van het landschap en daardoor als helper bij de geboorte van het denkende individu en de theoretische rede. Kan het denken schilderen?  Het was in verband met hem dat die vraag zich opdrong. Ik kom hier op terug. In ieder geval heeft er altijd een zekere mutserdgeur om Van Eyck heen gehangen, dat is ook de reden waarom ze die ‘broeder’ Hubert hebben moeten uitvinden – alweer stof voor spannende bijdragen. (Coco, je gebruikt te veel gedachtenstreepjes./Ja baas, dat is omdat ik rizomatisch schrijf – niemand anders mag mij overigens Coco noemen. Want ik ben en blijf: Coralie Coloratuur.)

Goethe heeft Jan van Eyck ontdekt, met hem begint de eigenlijke studie van de Nederlandse schilderkunst. Hij waardeert aan ‘meester Hans’ dat die ‘nach Gesetzen’ werkt, dus volgens principes, gevestigd op een rationeel fundament, op een paradigma. Als je probeert het verschil tussen klassiek en romantiek op een laatste noemer te brengen, een ultiem verschil uit te kristalliseren, dan is het dit: de klassiek gaat er van uit dat er een orde is, een rationele kern die kan worden gezocht. Het Parthenon, de Faust, de grote taferelen in de Bruegelzaal in Wenen, Die Kunst der Fuge – maar dus ook het Lam Gods – beantwoorden aan wetmatigheden die aan deze werken voorafgaan.

Goethe zelf was overigens ook door Van Eyck beïnvloed – ook daar moet ik op dit ogenblik nog aan voorbijgaan. Maar Jan van Eyck maakt het voor hem mogelijk het Grieks-klassieke te verbinden met de tot dan toe door hem veronachtzaamde West-Europese traditie, met de eigen, Avondlandse achtergrond. En op die manier maakt hij van Jan een kroongetuige tegen de romantici.

Willem Frederik Hermans was niet alleen in zijn antiromantisch affect door Goethe beïnvloed. Hij neemt ook Goetheaanse thema’s weer op, denkt ze door en moderniseert het klassieke paradigma. Hermans is een van de pioniers van een andere moderniteit, die op haar beurt doorgedacht moet worden en compatibel gemaakt met bijvoorbeeld digitale media. Dat is het enig denkbare antwoord op de post-kunst en de post-literatuur van de voorbije decennia.

Onze uitgeverij Paradigma heeft hierover een en ander in petto, met name ook over de ecologische klassiek die Lucas voorstaat. (Ik gebruik eens en voorgoed het woord klassiek – als zelfstandig naamwoord – hoewel Van Dale dat niet kent. Maar dat moet, naar analogie van romantiek, wel mogelijk zijn. En het is onmisbaar want klassiek – in de zin van de klassiek van Weimar bijvoorbeeld – is niet hetzelfde als classicisme.)

 

‘Res severa verum gaudium’ (Seneca).

Bedriegers en bedrogenen – neem nu de eenvoudige Humolezers Herman en Kristientje. Wat ze eten is bocht, niets meer waard, zelfs vergiftigd. Wat ze kopen is waardeloos, ze bezitten ternauwernood iets dat niet-wegwerp is. De post-democratie vleit hun, draait hun een rad voor ogen. Ze worden geregeerd door poesjenellen. En de hele culturele bovenbouw… ze zijn leesvee geworden voor een de pers die geen pers is (wat in ‘België’ trouwens nooit bestaan heeft) en gemanipuleerd wordt. Wat ze te zien, te lezen, te horen krijgen – alles troep, surrogaat, vervalsing. Wat voor kunst en literatuur doorgaat: bedrog. Ze verzuipen stilaan ook fysisch in de afval en existeren op een aardkloot waarop het leven hoe langer hoe minder levenswaard wordt.

Tenminste voor wat ons werkterrein aangaat ben ik wel voorstander van bio. Vooral voor de geestelijke mens. Leve dus de culturele revolutie, de ecologische klassiek, de esthetische subversie. (In hogere zin is het dus misschien waar, van die miss-melkproducten. De ecologische klassiek is het bio-product van de stijlen. En ik zou in zekere zin ook een derde miss zijn: miss ecologische klassiek.)

Misschien schrijf ik af en toe wat moeilijk. Dat vloeit voort uit de noodzaak om complexe inhouden compact weer te geven. Ik vertrouw erop dat mijn lezers geen leesvee willen zijn. Dat er af en toe een beetje moet worden nagedacht is een normaal verschijnsel, dat de receptie van meer-eisende teksten begeleidt. Wij verwerpen de premisse van het post-tijdperk, dat iedereen alles meteen moet begrijpen. Kunst is niet de aanpassing aan het laagste niveau, niet het neerhalen van alles onder paternalistisch-democratisch voorwendsels – de renaissance van het völkische beginsel. Het is integendeel een oproep om geen humolezer te blijven en iets te doen met je leven. Er bestaat geen kunst die niet zulke eisen stelt. Het is de boodschap van de archaïsche Apollo in het beroemde gedicht van Rainer Maria Rilke, de oproep die de dichter meent te kunnen vernemen uit de beschouwing van een torso in het Louvre: je moet je leven veranderen.

‘Als je zo doorgaat krijg je nog een volk van filosofen, Coralie, een volk van gevaarlijke denkers.’

Ja, lach maar, maar ik geloof niet dat ik dat kan klaarspelen. Ik zet alleen het werk voort van Arsène, een filosoof van de daad. Diens onderneming Rechtvaardige Rechters was een middel om te filosoferen in een geknevelde en knevelende maatschappij waarin dat op alle andere manieren onmogelijk was. Maar ik hou het wel theoretisch. En terwijl mijn baas zegt wat hij denkt, beperk ik me tot de nederige taak, de waarheid te willen schrijven.

 

error: Kopij bescherming !!