Walschap Posts

Digitale en andere Apofthegmata (2)

 

Henry van de Velde. Trap Bauhaus Weimar. Foto L.M. 1995.

 

 

Novela.

Juni 2018. Lucas Mariën.

‘Zou je dat niet eh… meer buiten beschouwing kunnen laten… eh,’ fluisterde pater Staf door het traliewerk, ’ik bedoel het gebruik van de deegroller, Stientje. Een vrouw is gewoonlijk fysiek zwakker dan een man, maar ze is sterker door de gevoelens die ze in mannen weet te wekken.’ En zachter, enigszins aarzelend, voegde hij eraan toe: ‘Heb je dat al eens geprobeerd?’

‘De deegroller is de enige taal die hij verstaat,’ snauwde Stientje bijna, maar ze kon zich nog net inhouden. De beste kringen kwamen bij deze gedistingeerde jezuïet om raad en vergiffenis te ontvangen, en tot nu toe had ze zich tegenover hem altijd weten te beheersen. Alleen haar tranen, die kon ze op dit ogenblik niet langer terugdringen.

‘En de gevoelens die je in hem wekt,’ suste de pater kalmerend, met blokfluitstem, ‘misschien zou je die… kunnen versterken.’

‘Hij verstaat zoiets niet.’

Het eikenhouten traliewerk van de biechtstoel maakte het voor de pater onmogelijk om haar een zakdoekje toe te steken, maar hij was zo delicaat het deurtje aan de voorkant open te maken, een stap naar buiten te zetten en haar van buitenaf een heel pakje aan te reiken, zakdoekjes van de Aldi, tussen het paarse gordijn en het hout van de stijl door.

Als hij weer in de biechtstoel zat en de indruk had dat Stientje wat gekalmeerd was, vroeg pater Staf – één en al geduld en zachtmoedigheid:

‘Zou het niet denkbaar zijn… Vrouwen streven in zulke omstandigheden soms wel naar… Een zekere verhoogde lieftalligheid.’

‘Wat bedoel je?’ snauwde Stientje nu echt.

‘Ik heb net iets gelezen… Over de renaissance in Italië. Ik moet zo’n ontwikkelde vrouw als jij bent niet vertellen dat de hele moderne ellende en geloofsafval daar begonnen zijn. Maar ik las dus een boek met ‘novelas’ van Franco Sacchetti. Hij leefde van 1335 tot 1400. Ik heb een biechteling wiens zondenberg zo verschrikkelijk hoog is… Maar hij interesseert zich voor digitale literatuur, voor literaire vormen… apofthegmata en zo… En om hem bij te kunnen staan lees ik dat van Sacchetti. En die heeft een novela geschreven, De kunst van de vrouwen.’

‘En?’

In zijn lange ervaring van biechtvader had de pater nooit zoveel korzeligheid gehoord in een zo klein woord.

‘Wel! Het is niet alleen dat die vrouwen… niet de hele tijd snauwen en kijven! Maar ze schminken zich ook. Een gezicht mag te bleek of te geel zijn – met poeder en pommade weten ze het er te doen uitzien als een roos.’

En hij tuurde door de tralies alsof hij Stientjes toekomstige roosachtigheid al hoopte te zien verschijnen.

 

 

Stientje intussen – wond zich nog meer op. Dacht die aristocratische zwartrok soms dat ze het nodig had zich te versieren? Dat ze thuis in een slonzige bonte nylonpeignoir rondliep, met krulspelden en zonder jarretelles?

‘Als een gezicht niet goed geproportioneerd is en te grote fletse ogen heeft,’ floot zoetgevooisd de pater, die zelf min of meer in vervoering raakte, ‘… welnu… door de kunst der vrouwen, de kunst die Sacchetti bedoelt, wordt dat rechtgetrokken en zien die ogen eruit als vurige valkenogen; een scheve neus – de kunst der vrouwen maakt die recht; vertoont het gezicht de onderkaak van een ezel – meteen wordt dat gecorrigeerd. Ze verbeteren zo nodig de borst en de heupen en slagen erin om zónder beitel dat te bereiken wat Polukleitos en Praxiteles zélf niet tot stand zouden hebben gebracht.’

Hij tuurde nu door het traliewerkje om te zien welke indruk zijn woorden op Stientje maakten en schrok niet weinig, zich ijlings terugtrekkend tot in de verste hoek van de biechtstoel.

‘Ik bedoel maar dat… ook een scharminkel… Het verhaal van Saccetti breekt hier trouwens af… de veertiende eeuw – nog voor de uitvinding van de boekdrukkunst… Het einde van het manuscript is zoek geraakt…’

Zo moet ook het einde van dit apofthegma in het duister blijven.

 

 

***

Nog eens uit de Liefdesgesprekken van Stientje en Armand. April 2018. Lucas Mariën.

 

‘… en ja, beste vrienden, dus! Meebrengen: fles wijn en goed humeur.’

Stientje, impulsief, klikte de verzenden-toets aan terwijl ze zich afvroeg: waarvoor leef ik eigenlijk? Trouwens, kon iemand in haar positie zo studentikoos vragen om een fles wijn mee te brengen. Jeugdsentiment? Was het eigenlijk wel verstandig geweest, om in deze stemming een party te organiseren? Maar Coralie Coloratuur van de uitgeverij Het Paradigma scheen niet geneigd te zijn haar, Stientjes, boek ‘Steeds Obscuurder’ uit te geven.

Er betond een roman van Zola, Het paradijs voor de vrouw, over een winkelier met een atelier waarin paraplu’s gemaakt werden. Er komt een warenhuis dat de kleine middenstander de das omdoet. Door het internet dreigde ‘in onze epoche’ de schrijnende ondergang van de literaire wereld waarin zij het zo ver gebracht had. In haar boek had ze de paraplu’s alleen moeten vervangen door romans, de hele traditionele literaire wereld ging om zeep. Het was zelfs zo dat je niet meer meetelde als je ‘gewoon’ romans schreef en die bij een uitgeverij publiceerde. Nee, het moest ‘baanbrekend’ zijn en de bestaande literatuur heette intussen post-literatuur!

Wat had ze al moeten uitstaan omwille van haar uitzonderlijke schoonheid. Zo’n schoonheid is beslist niet alleen een voordeel voor een vrouw. Ze trekt wel de aandacht, maar tegelijk wekt ze bij veel mensen een vorm van agressie. Ze vergelijken en voelen zich te kort gedaan of verzetten er zich tegen dat ze onder de invloed ervan komen.

En wat had ze moeten uitstaan omwille van haar buitengewoon verstand. Grote intellecten waren zelden geliefd.

Soms twijfelde ze zelfs…

Hield Armand echt van haar?

Stientje vroeg zich dat al dagen lang in alle ernst af, door de schuld van Coralie.

Zou Armand ook nog van haar houden als ze Julia heette? Of als ze zo lelijk was als de dochter van professor Daas? Of hield hij alleen van haar omwille van haar talent? Of zelfs – ze kreeg haast een kleur – in verband met… die jarretelles?
‘Ik geloof dat ik het niet zou overleven, als ik jou zou verliezen, Armand,’ sprak ze en nam hem nu bij de hand.

‘Ik ook niet.’

‘Jij ook niet? Bedoel je…’

‘Ik zou het ook niet overleven.’

‘Wat? Dat je dood was?’

‘Dat ook niet. Maar ik bedoelde eigenlijk…’

‘Wat dan?’

‘Als ik jou zou verliezen.’

Stientje slaakte een zucht van ontroering en stormde nog resoluter de wenteltrap op.

‘Hoe kunnen we daarover zekerheid verkrijgen?’

‘Je WIL toch weten dat ik zoveel van je hou dat ik niet zonder je zou kunnen…’

‘Hoe kan dat bewezen worden?’

Zo waren ze onder het houden van de interessantste liefdesgesprekken boven op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te A. gekomen.

‘Een sprong van hierboven, die zouden we zeker niet overleven. Die zou het grootste bewijs van onze liefde zijn. Kijk mij nog een laatste keer diep in de ogen, je weet dat ik je helemaal toebehoor, Armand. Bewijs het! We springen!’

Hand in hand stonden ze bij de stenen balustrade.

‘Jij eerst,’ moedigde Armand haar aan.

‘Nee, jij eerst.’

‘Ik zou liever nog een beetje wachten.’

Hij liet ook haar hand al los.

‘Ik denk er nu aan dat ik nog een belangrijke telefoon verwacht. Met de redactie…’

‘Pff – de redactie.’

‘In verband met een interview. Ga al maar, ik kom je later naspringen. Samen sterven is trouwens niet nodig, aangezien – zoals ik net al zei… Ik zou het verlies immers niet overleven!’

Hij gaf haar gauw een zoen op haar wang en stormde met twee treden tegelijk de trap af.

Een interview had absolute voorrang, dat vond Stientje ook, zeker als Armand zou kunnen verkrijgen dat die redactie het interview met háár maakte in plaats van met hem. Maar dat andere…

 

Hoe kon ze ooit zekerheid verkrijgen?

 

***

Volgens een betrouwbaar onderzoek van de universiteit van N.N. zouden negentig procent van de mensen met een IQ van boven de 150 hun stem uitbrengen voor de politieke vleugel van het Paradigma onder leiding van Eurykleia Coloratuur.
Dit hebben de partijvoorzitters van domlinks – we zullen hun namen niet noemen – pas vernomen als ze samenkomen voor het feestje ter gelegenheid van de naamdag van de lichtroze voorzitter, de feestdag van de Heilige John. Op deze voorzitter is Eurykleia bijzonder gebelgd omdat hij een bewonderaar is van de Opus Dei-‘democratie’ in Spanje.
‘Als nu ook nog de super-intelligente kiezers weglopen,’ klaagt de groene voorzitter, ‘dan blijft er binnenkort niemand meer over om nog voor ons te stemmen. Moeten we niet beginnen zeggen dat dat allemaal fascisten zijn?’
‘Ik blijf optimist, Wouter, en vol vertrouwen in de arbeidersklasse en de toekomst. Maar inderdaad, als dat zo doorgaat, dan halen die binnenkort dus 150 procent van de stemmen!’
‘Nee beste vriend, zo erg is het niet. Ze halen immers niet alles, niet honderd, maar slechts negentig procent.’
‘Slechts 135 procent dus. Gelukkig maar.’
‘Hoezo gelukkig? Dat is nog altijd meer dan de absolute meerderheid.’
‘Hoeveel was die ook alweer? Maar maak je maar geen zorgen. Als er echt niemand meer voor ons stemt, dan organiseren we een betoging.’
‘Wij beiden?’
‘En een fijne staking.’

 

***

Als sommige elementen in de afpersingsbrieven van DUA de indruk wekken dat hij een farceur is, als het hele drama geregeld het karakter van een farce schijnt aan te nemen, dan dringt de vraag zich op naar de bijbehorende tragedie.

Georg Friedrich Wilhelm Hegel geeft als mening te kennen dat gebeurtenissen van wereldhistorische draagwijdte zich niet zelden als het ware twee keer afspelen. Karl Marx voegt daar aan toe dat het dan de ene keer als tragedie is dat ze zich voordoen, de andere als farce.

Als de afpersingskwestie in de affaire van de RECHTVAARDIGE RECHTERS de farce was, wat was dan de tragedie?

 

***

 

Over het scheppingsproces van een kunstwerk is er weinig echt bekend. Johannes Brahms stelt zich het ontstaan van de chaconne uit de partita in d voor viool alleen van Bach als volgt voor: ‘Op één enkel systeem, voor een klein instrument, schrijft die man een hele wereld vol van de diepste gedachten en de geweldigste emoties. Als ik me zou voorstellen dat ik dat stuk zou hebben kunnen maken, hebben kunnen ontvangen, dan weet ik zeker dat de overgrote opwinding en ontsteltenis me krankzinnig zouden hebben gemaakt.’ (Niet gedateerde brief aan Clara Schumann, juni 1877.)

Hierbij valt op te merken dat sommige kunstenaars al blijken van waanzin vertonen zonder dat ze vergelijkbare inspiraties hebben beleefd.

 

***

 

Er bestaat ternauwernood een milieu waarbinnen er harder geroddeld en gelasterd wordt als in het wereldje van de literatuur-simulatie in Huichelarije. Deze bezigheden schijnen typisch te zijn voor hofhoudingen van eunuchen.

 

***

A: Hoé niets is Frank Hellemaalniets?

B: Hellemaal. De naam zegt het zelf.

A: Kan er dan nog iets nietser zijn dan Frank?

B: Hellemaalniets.

A: Ts-ts-ts die Frank. En dan ook nog scribent bij een weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen doet denken.

 

***

 

 

Januari 2018. Lucas Mariën.

 

De voormalige verloofde van Coralie Coloratuur die de Huichelarijse krantenberichten voor ons overloopt, signaleerde dat er nieuws was over Roger van Gheluwe, de voormalige bisschop van Brugge. Wij waren net iets aan het schrijven over het begrip justitie in de context van de diefstal van de Rechtvaardige Rechters in 1934 en over de pogingen in die tijd om de definitiemacht over dat begrip te verwerven.

De pedofiele voormalige bisschop van Brugge had plusminus zestigduizend pornografische bestanden op zijn laptop staan – eerder plus. Tot opluchting van het gerecht, nemen we aan, was dat nochtans geen kinderporno, maar een grote verzameling ‘gewone’ porno. Als het kinderporno geweest was, dan had de rechtbank zich met die laptop moeten bezighouden. Bij gewone porno konden ze hem als irrelevant terzijde schuiven.

De advocate van de slachtoffers beweert dat een deel van het materiaal overduidelijk wél kinderporno is. In mei ’17 eiste ze bijkomend onderzoek, maar de ‘experts van het parket’ zijn er intussen nog steeds niet uit. Denkt die advocate soms dat dat allemaal zo gemakkelijk is? Wie moet al die baarden plakken aan die baardeloze kinnen? Wie moet de platte borsten van kleine meisjes tot weelderige boezems doen zwellen? Zestigduizend bestanden fotoshoppen! – Minder werk zal trouwens de vergroting van de vagina’s hebben opgeleverd. Daarvoor konden ze de foto’s van de autopsie van Julie en Melissa gebruiken. De vagina’s van beide kinderen waren kort voor hun dood monsterlijk opengerekt en misbruikt op een tijdstip dat Dutroux in de gevangenis zat. Dat is beschreven door Gerolf Annemans – ik heb er al naar verwezen:

Hoe ontstaat een apofthegma? Niemand weet het, het IS er plotseling. Het Apofthegma over het Latijn dat ik hieronder publiceer, ik weet niet waar het vandaan komt. Als initiator van een literatuurproject dat zich voor justitie interesseert – en voor juist de afwezigheid daarvan – voel ik me verplicht het op dit moment in het licht te geven, al moet ik een zekere neiging tot autocensuur daartoe overwinnen.

Ten eerste is het waar ik vandaan kom een van de grootste verboden, geestelijken aan de kaak te stellen. De censuurplakkaten van keizer Karel V. leggen daar bijvoorbeeld de nadruk op en in de steeds hernieuwde versies ervan wordt het steevast herhaald. De versie van 26 januari 1560 bijvoorbeeld, verbiedt

‘camerspelen, baladen, liedekens, commedien, batementen en refereynen […] daarinne gemenght zijn eenige questien, propositien oft materies beroerende onse religie oft geestelijcke luyden’ (Ramakers, Conformisten etc. cfr. bibliografie. P. 177.)

Pieter Schudematte – ik geef maar één voorbeeld – was een schrijver die in 1547 op de grote markt in Antwerpen onthoofd werd voor een ballade waarin hij de hypocrisie van de minderbroeders op de korrel had genomen (Ramakers, 176). Bij hem dus meteen ook het motief van de huichelarij, het merg van het katholicisme. Pas Walschap heeft ze tot hét monumentale thema van de onderdrukte sector van de Nederlandse literatuur gemaakt – maar er werd al lang vóór hem over geschreven.

De vervolging van mensen als Schuddematte is opgegaan in het collectief onbewuste. In onze breinen roken nog de brandstapels en stinkt het bloed van de gefolterde dichters. De censorschaar in het hoofd, de organisch geworden censuur die zich op deze breedtegraad als zuurdesem verspreid heeft in het genetisch materiaal, samen met verkapte, verholen vormen van reële censuur van buitenaf – het is dit censuurcomplex dat het ontstaan van een echte literatuur in Huichelarije belemmert.

Als een geval als dat van pedo-bisschop Van Gheluwe bekend wordt, dan zijn ze allemaal oprecht verwonderd: wie had zoiets ooit durven denken? Van een bisschop! De collectieve huichelarij heeft geen snaren genoeg op haar spel, geen opengevallen bek die gapend genoeg is, om haar oprechte verbazing tot uitdrukking te brengen. De huichelaar die op de televisie mag komen doen alsof het schandaal iets volkomen onverwacht is, belastert de literatuur, belastert de martelaren als Schuddematte, Poelgier, Onghena, De Heere en, ja, ook nog Gerard Walschap, de Adelaar van Londerzeel, wiens vervolging op een hoogtepunt was op het ogenblik dat de Rechtvaardige Rechters gestolen werden.

Al wie wel eens een boek gelezen heeft en een zekere graad van ontwikkeling bereikt weet dit en is niet verwonderd.

Het is een constante in de literatuur, van Schuddematte tot Walschap en daar voorbij. Ook andere feilen: simonie, aflaathandel, vraatzucht, inhaligheid – werden bekritiseerd, maar seksuele uitspattingen toch het meest. Literair gesproken zijn die productiever, door het contrast tussen de gepretendeerde heiligheid en de realiteit.

Juist het aspect hypocrisie is literaire winst en leidt tot genoeglijke bladzijden. Het is esthetisch niet te versmaden. Bisschoppen als Van Gheluwe en experts in het herkennen van kinderporno leveren waardevolle onvrijwillige bijdragen.

Deze stand van zaken is de belangrijkste reden waarom de literatuur in de zestiende eeuw uitgeroeid werd. Ondanks die drie of vier grote namen heeft ze zich sindsdien nooit kunnen herstellen. De eerste hindernis die iedere schrijver moet overwinnen is die autocensuur. Hij moet de beperkingen doorbreken die buiten de literaire vorm liggen. Dat geldt natuurlijk ook voor verboden die de jongste decennia door de politiek zijn afgekondigd. Dingen die je niet mag schrijven omdat ze politiek niet opportuun zijn. Maar literatuur is een terrein waarop geen enkele overheid iets te vertellen heeft. Ik heb hierover geschreven in het Traktaat van het Alsof. Literatuur mag alles zolang ze de wetten van de tekstgrammatica respecteert, de enige die ze erkent.

De ballade die aan Pieter Schuddematte het leven heeft gekost bestaat vanzelfsprekend niet meer. Uit de schaarse gegevens die niet versmacht zijn in de folterkelders van de christelijke justitie en die toch nog aan het licht zijn gekomen, springt de driestheid in het oog waarmee dichters als hij de waarheid zegden, ondanks het feit dat dat levensgevaarlijk was. Ze hebben kennelijk geen angst, of hebben die overwonnen. De bravoureuze doodsverachting waarmee Poelgier reageert als hij hoort dat ze hem willen onthoofden: waar moet ik dan mijn hoed op zetten? Een hele rederijkerskamer die de tekst van een in beslag genomen toneelstuk gaat terug-eisen bij de overheid. Met grandeur trotseren ze de inquisitie. Een held is iemand die doet wat hij het juiste vindt in de wetenschap dat de afloop voor hemzelf fataal zal zijn. Verschillende rederijkers geven de indruk dat ze hun buik zo vol hadden van het moeten huichelen dat het hun niet meer kon schelen wat er met hen gebeurde. Liever dood dan zo te moeten leven. Maar de mens schijnt ook niet te kunnen leven onder een bestendige terreur en doodsangst zonder dat er een zekere gewenning optreedt, en verachting.

Het komt erop aan deze heroën op een ecologisch-klassieke manier weer tot leven te wekken. We kunnen hun werk niet meer doen oprijzen uit de as, maar de geest ervan. We kunnen restitutie proberen te doen van alles wat door beulszwaarden en brandstapels ongeschreven is gebleven. Van alle met bloed doordrenkte, in bloed gesmoorde literaire mogelijkheden.

Ten tweede: literatuur is niet wat daar in Huichelarije voor doorgaat. Is niet: ingebed, impotent, onbeduidend geneuzel. De vroomste lispelaar, de sukkelachtigste sok en de kwijlendste droppelaar schijnen er te verwachten dat de kunst voor hún plezier bestaat. En zijn verontwaardigd als erop gewezen wordt dat er geen kunst bestaat van een zo verachtelijk niveau dat deze zompig soppende soutanes er iets aan hebben. In werkelijkheid is literatuur juist wat ze niét graag hebben, deze schimmelig dempige lange onderbroeken van de hypocrisie. Zij zijn stof, materiaal. Voor de rest hebben ze met kunst niets te maken.

Literatuur is als de godin van het recht, Dike, die bij Zeus de ongerechtigheden van de mensen aanklaagt en straf vordert. Bovendien, zo staat geschreven ‘registreert ze hun fouten op Zeus’ tafelen’.

Een ‘schrijver zoals het hoort’ heet het bij Lucianus, is een Δικαιος συγγραφεύς, een schrijver die in overeenstemming is met Dike, die Dike toegewijd is. Het is de eigenlijke les van de Rechtvaardige Rechters.

 


Apofthegma over de Latijnse les.


Kunt gij zeggen wat ik hier nu vast heb, Frank? fluisterde pater Staf met honingzoete stem. Toch wist Frank het niet. Zijn mama had hem verboden over die dingen te praten en zelfs na te denken.

‘Wat ik tussen mijn twee vingers heb?’ teemde de pater zo vriendelijk dat Frank, zelfs al betwijfelde hij of er mensen bestonden die van hem konden houden, nooit of te nimmer zou kunnen twijfelen aan de liefde van de pater.

Maar Frank kende nog altijd niet het antwoord op de vraag van de pater.

‘Wel dan Frank,’ sprak de pater vol ijver voor Franks vorming, ‘dat is nu uw roede, Frank. Zeg het mij na, Frank…’

Gehoorzaam lispelde Frank: ‘Dat is nu uw roede, Frank.’

‘Nee, Frank, niet mijn… gij moet dat mutatis mutandis veranderen. Zeg dus niet: uw maar mijn… MIJN roede!’

‘Uw roede,’ zei Frank, maar pater Staf liet daarom zijn piemel nog steeds niet los, zozeer overweldigde hem het plotselinge inzicht dat Frank de uitdrukking mutatis mutandis niet begrepen had, en hij hem ook nog Latijnse les zou moeten geven.

 

 

Digitale en andere apoftegmata (1) staat hier: https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/10/05/digitale-en-andere-apoftegmata/

 

 

Hermans’ idee, Walschaps meesterwerk en de gerechtigheid.

 

mei 2017. Lucas Mariën

 

Walschaps pleidooi voor de instelling van een rechtsorde. De diefstal van de Rechtvaardige Rechters als literaire vorm. Uitdaging door Hermans? De eerste Nederlandse klassieke roman. Algemeen in plaats van bijzonder. Anti-naturalisme. Mythische taal. Klassieke elegische toon. Onverbiddelijkheid van het lot. De Heilige Drievuldigheid: Multatuli, Walschap, Hermans.

 

 

In het midden van de jaren ’50 is het onmogelijk geworden de jonge Willem Frederik Hermans nog over het hoofd te zien. Gerard Walschap is op dat moment al tot op zekere hoogte gearriveerd. Het homerische gevecht met het katholicisme heeft hij gewonnen. In 1955 verschijnt ‘Salut en Merci’ zijn definitieve afrekening met die wereld. Dat het niet gelukt is hem tot zwijgen te brengen is ook te danken aan invloedrijke stemmen uit het noorden, Simon Vestdijk, Menno ter Braak, die het voor hem hebben opgenomen. Hij heeft in de jaren ’30 en ’40 belangrijke romans geschreven, Sibylle, Houtekiet, maar in 1957 verschijnt De Française, een meesterwerk dat uitdrukkelijk bedoeld is als ‘klassieke’ roman.

Ik denk dat hij in die tijd, in dat opzicht, een leerling is geworden van de jongere Willem Frederik Hermans. Walschap had natuurlijk het genie van Hermans herkend. Hij volgde hem, nam het voor hem op en dreigde zelfs met ontslag uit de redactie van het Nieuwe Vlaams Tijdschrift toen een zekere Maurits Roelants daarin in 1952 begon te schrijven dat de vervolgers van Hermans gelijk hadden – het ging over dat proces wegens belediging van het ‘katholieke volksdeel’. Walschap koos partij voor de jonge collega en Roelants moest een toontje lager zingen.

Hermans schreef in 1953 zijn belangrijke essay over Experimentele Romans. Daarin stelde hij vast dat er eigenlijk geen Nederlandse klassieke roman bestond. De Max Havelaar bijvoorbeeld, zegt Hermans, dat is in feite een experimentele roman. Het modieuze gepraat over de experimentele roman op dit moment leidt tot niets, en het belangrijkste experiment dat een Nederlandse schrijver zou kunnen nemen, zou erin bestaan een klassieke roman te schrijven. En de ‘klassieke roman die mij voor ogen staat (is) misschien nog niet geweest’. (Hermans VW 11,125.) Het spreekt vanzelf dat dit een uitdaging is.

Gerard Walschap nam ze aan.

Hij is iemand die het altijd weer beter wil doen. Een boek dat gepubliceerd is, is weg, is meteen vergeten. En hij begint aan een nieuw met het gevoel en de ambitie dat hij nu eindelijk zijn definitieve werk zal schrijven. Zijn brieven getuigen overvloedig van deze ingesteldheid. Walschap, steeds op zoek naar nieuwe uitdagingen, wil ook de Vlamingen opstuwen in de vaart der volkeren. Allicht is hij tot de bevinding gekomen dat de bevrijding van dat volk het best ondersteund kon worden door een klassieke kunst, een inzicht dat ook bij Van Ostaijen bestaan heeft. En Walschap gaat dus aan het werk en schrijft de roman die Hermans mist. Er kan geen twijfel over bestaan dat de classiciteit van De Française uitdrukkelijk bedoeld was, dat heeft de schrijver zelf herhaaldelijk bevestigd. (O.a. Album GW, p. 116.) Doorgaans had hij een ongelooflijke gemakkelijkheid bij het schrijven. Hij schreef zijn boeken in één ruk neer, in enkele weken tijds – hoe lang hij die dan had meegedragen in zijn hoofd, weten we niet. Maar De Française was moeilijk, die heeft hij wel twee en een halve keer moeten schrijven, zegt hij: ‘Dit boek is voor mij een technische krachttoer geweest die bovendien volkomen moest beantwoorden aan mijn opvatting van de roman. (…) Ik wilde laten zien tot wat ik in staat was en daarom heb ik mezelf voor een onmogelijke opdracht geplaatst.’ (Album GW, 116.)

Er bestaan klassieke, latere werken, van Hermans o.a., maar die Française van Walschap is zo gaaf, zo volmaakt en aangrijpend… Het boek herinnert door zijn kristallen helderheid, door zijn Attische klaarte – als bij Sophocles, op wie de schrijver uitdrukkelijk alludeert (107) – en zijn mythische karakter geregeld aan de late Goethe, die van de Wahlverwandtschaften.

De lacune die Hermans aanwees, die niet bestaande Nederlandse klassieke roman, die heeft Walschap opgevuld, die roman heeft hij geschapen met De Française.

Het boek behandelt zijn eigenlijke thema: de huichelarij. Het katholicisme is in de literatuur altijd al in verband gebracht met huichelarij, er bestaan grote meesterwerken over, in de eerste plaats natuurlijk de Tartufe van Molière. Ook Rood en Zwart van Stendhal, een mijlpaal in de geschiedenis van de romankunst.

Bij Walschap zijn het vooral die prachtige vrouwenfiguren, die allereerst het slachtoffer worden van de huichelarij. Die er zelfs aan ten onder gaan, zoals Sibylle – en Adelaïde al, in zijn eerste roman. Later heeft Denise er mee af te rekenen en dan vooral die Française. ‘De Française’ en niet Martine, zoals ze heet. Andere romans van hem hebben eigennamen als titel: Adelaïde, Erik, Carla, Sibylle, Denise, Tor, zuster Virgilia. Maar hier gaat het niet meer om het individu, maar om de soort. De personages zijn principes, ideële maskers. ‘Eerder personificaties dan psychologische portretten’ had Hermans in Experimentele Romans als kenmerk van klassieke personages gepostuleerd (VW 11, 125).

De familie waarvan Cel, de geliefde van de Française, een spruit is heet Allemans, d.i. Elckerlyc of iedereen! Ook hier gaat het niet om het particuliere, maar om het algemene. Martine offert zich op voor Cel Allemans, maar op een symbolisch vlak doet ze dat voor het hele volk dat door hem wordt gerepresenteerd.

De roman vertelt het verhaal van de onmogelijke liefde tussen de Française en Cel Allemans, een Vlaamse plattelandsbewoner die door zijn familie en hemzelf eigenlijk was voorbestemd om priester te worden. Maar dat wordt hem belet omdat hij het ‘onwettig’ kind was van een van de ‘tantes’ en vermoedelijk ‘een onderpastoor die bij de Allemans in en uit liep’ (43): ‘De eer van de geestelijke stand duldde Cel niet, het canonieke recht was op dat punt nadrukkelijk.’ (t.a.p.) Het noodlot in de gestalte van het kerkelijk recht en de ‘eer’ van de priesterkaste gooit een levensproject uit zijn baan. Ogenschijnlijk staat de liefde tussen de Martine en Allemans daarna niets meer in de weg, maar het katholiek systeem wil nog een woordje blijven meepraten. Het paartje wordt bewaakt, gecensureerd, verstikt, gecontroleerd door een apparaat van tantes, onderpastoors, hospita’s en een gepensioneerde politiecommissaris waarbij vergeleken de Stasi in de DDR een clubje van amateurdetectives was. Als aan het licht komt dat ze niettemin een liefdesrelatie hebben, staat de wereld op zijn kop. De grootste schuld treft de Française, die Cel tot goddeloosheid verleid heeft: ‘De Franse feeks trok God door de modder van haar onkuisheid.’ (77) Reddeloos gevangen in de netten van bekrompenheid en huichelachtige katholiciteit, ziet het paar geen uitweg meer. De Française offert zich op voor haar geliefde die, daarvan is ze overtuigd, weer een toekomst zou hebben als zij niet in de weg stond. Ze pleegt zelfmoord. Nóg een vrouwenfiguur dus, die door het systeem ten onder gaat. ‘Offerlam’ (107) noemt de schrijver haar en… Antigone (107).

In De Française is niets meer naturalistisch. Alles is generisch, is masker ook, en overtrokken met een klassieke melancholie. Het offer van Martine wordt vergeleken met ‘de dood van Antigone’ (107).

In Sophocles’ Antigone sterft de heldin omdat ze haar broer Polyneikes begraven heeft tegen het bevel in van koning Kreon. Maar volgens haar bestaat er niet alleen een wet van de mensen, maar ook een, ongeschreven, van de goden. Die bepaalt dat je een gestorven broer niet op het veld laat liggen, als voedsel voor raven en hyena’s. Zij gehoorzaamt, zegt ze, aan het goddelijk recht, al moet ze de wet van de mensen daarvoor overtreden. Het punt is, dat het goddelijk recht het eigenlijk menselijke is, en het menselijke alleen maar tiranniek. Bertolt Brecht, die zich intensief met het stuk heeft beziggehouden, stelt dat door toedoen van Antigone:

onder de dierenschedels van een

barbaarse offercultus uit oeroude tijden

opstond, groot, de menselijkheid.

(Brecht. GW 6, 2328.)

 

Net voor de tragische afloop van De Française schijnen – zoals het in een tragedie past – Martine en Allemans nog even te kunnen ontsnappen. Ze hebben een onderkomen gevonden in een pension. Maar de agenten van de duisternis zijn waakzaam en ze hebben de politie aan hun kant, die het etablissement binnendringt en aanstalten maakt om het zondige paar te arresteren. Allemans vraagt de commissaris dan naar het juridisch fundament voor diens handelen:

‘Dus, meneer de commissaris, u arresteert ons. Met welk recht, meneer de commissaris, arresteert, pardon, dwingt u de juffrouw mee te gaan.’

Het antwoord van de commissaris is meer een raad en een bedreiging dan een antwoord:

‘Vraag de mannen der wet nooit naar hun recht, zij zijn de Wet en het Recht.’ (98)

 

We bevinden ons dus, door toedoen van de ‘onbuigzame rechtvaardige’ zoals Brecht Antigone noemt, en haar vriend, in de wereld van de Rechtvaardige Rechters. De diefstal van het paneel uit het Lam Gods als groot symbool, als de schepping van een leegte in de plaats van wat de Rechtvaardige Rechters symboliseren, krijgt hier een literaire vorm. De Française-Antigone sterft voor het goddelijk recht, voor het recht van de Allemansen die Walschap wou ‘opstuwen in de vaart der volkeren’. Recht dat in de plaats zou komen van het niet-recht van zompige pijen en dempige soutanes, van het uit bekrompenheid, huichelarij en fanatisme bestaande systeem van onderdrukking.

Is Martine voor niets gestorven? De zaak Dutroux heeft aangetoond dat er in Tartufistan nog altijd geen echte justitie bestaat – maar niet alleen die. We hebben sindsdien nog besmodderde kamizolen gehad wier misdaden gelukkig net op tijd verjaard waren, magistraten die onverhoeds, walgend hun carrière beëindigden en grootscheepse onderzoeken die werden opgezet en met een sisser afliepen, de vragen waar het om ging als steeds onbeantwoord.

De ondergang van De Française staat aan het einde van een onverbiddelijke ontwikkeling. Walschap spreekt over ‘de onafwendbaarheid van haar lot’ (109). De dwingende baan van het noodlot wijst natuurlijk ook in de richting van de klassieke tragedie. Uitgesproken realistisch, laat staan naturalistisch is Walschap nooit geweest. Hij streefde van bij het begin naar een klassieke kunst. In De Française is hij klassiek geworden.

In een brief aan een (vanzelfsprekend toen ook al) incompetente en ideologisch misvormde criticus schrijft de jonge Walschap in november 1930 dat het zijn ambitie is ‘één enkel boek te schrijven waar een heel volk zich kan aan vasthouden’ (Brieven 1, 207). De Française zou dat boek kunnen zijn – in een ander land, waar een zekere literaire cultuur bestaat en waar belangrijke schrijvers niet decennialang worden vervolgd met laster en kwaadwillige verkeerde interpretaties.

Vanzelfsprekend is Walschap in Huichelarije nooit gerecipieerd, zoals ook Van Ostaijen niet gerecipieerd is.

Er bestaat geen kritiek op enig, laten we zeggen: academisch, niveau – op überhaupt enig niveau.

In plaats van te liggen urmen over het geloof van Walschap, zo’n brave mens die ‘in de grond’ altijd al een ‘mensch van goeden wil’ was geweest en die in de huidige postconciliaire tijd zeker katholiek zou zijn gebleven…

Dat is een voorbeeld van zulke laster.

Hij was klaar en duidelijk een atheïst. Dat was een gevolg van een denkproces en die houding zou niet beïnvloed worden door een periode van wat meer slijm strijken, in plaats van vervolgen.

De toestanden in De Française worden niet uiteengezet, ze onthullen zich, zoals past in een mythisch taalgebruik. Er is een stand van zaken die zich manifesteert zonder dat de schrijver daar uitleg bij moet geven. Het boek wordt gekenmerkt door een volmaakte literaire autonomie, het op zichzelf betrokken zijn van de klassieke tekst, en door het koele benadrukken van de vorm.

Alles is concreet, alles spreekt voor zich.

De melancholische nuchterheid waarmee de onmacht om iets ten goede te veranderen aan het licht komt is een klassieke melancholie. Er is geen emotionele reactie meer op het onrecht, zoals nog in de vroegere romans van Walschap: zijn klacht is elegie geworden. De huichelarij wordt monumentaal zoals dat alleen is voorgedaan door Molière in zijn Tartufe.

De zoekers naar ‘het goede’ bij Walschap, naar het indegrondse, raken niet uitgejammerd over de grote oorlog tussen hem en het obscurantisme in de jaren ’30 en ’40. Ze zien niet dat een klassieke roman als De Française, uit een periode toen de strijd bekoeld leek, veel definitiever, veel onherroepelijker, veel schadelijker voor hun winkel is dan die vroegere romans, die hun voorgangers al zo ongelukkig hebben gemaakt.

Er is een interessante, echt klassieke vorm van zonnesymboliek bij Walschap en Hermans – maar daar kom ik elders op terug.

Verwerping van een teleologisch perspectief zoals dat elders bestaat, in het katholicisme, maar ook bij Hegel en zijn volgelingen.

Met dat al bereikt Walschap een antinaturalistische, klassieke stijl die in de moderne Nederlandse literatuur verder alleen nog bij Hermans voorkomt, en bij Multatuli – die in een veel hogere mate een klassiek schrijver is dan algemeen wordt aangenomen. Cfr. Woutertje Pieterse, cfr. inzichten over literatuur in de Ideeën.

De moderne Nederlandse literatuur heeft drie grote, onsterfelijke schrijvers voortgebracht: Multatuli, Walschap en Hermans. Dit is de Heilige Drievuldigheid van onze literatuur.

De Ecologische Klassiek is hun in vrome aanbidding toegedaan. Ecologisch zijn wij, omdat we de literatuur en de opvattingen over literatuur willen bevrijden van aanslibsels en vervuiling. Klassiek – omdat we niet anders proberen te werken dan in ijverige navolging van deze meesters.

 

error: Kopij bescherming !!