W.F. Hermans Posts

Apoftegma 5. Wim en Freddy.

 

10 maart 2019. Lucas Mariën

 

Apoftegma: Wim en Freddy.

In verband met de curieuze vriendschap van Willem Frederik Hermans met Freddy de Vree – Freddy doet voortdurend alsof hij kan meepraten over dingen die Hermans interesseren.

Hermans vond uitspraken met een algemeen karakter meestal zinledig en hij keurde bijgevolg een groot deel van de filosofie af. Freddy voelt aan in welke richting dat gaat. In een gesprek waarin hij wil laten zien aan wiens kant hij staat vermeldt hij Heideggers uitspraak ‘Das Nichts nichtet’ – het niets nietst zeer afkeurend als summum van zinledige filosofische onzin.

Hij bedenkt daarbij niet het volgende: ‘Heideggers “nichtendes Nichts” ist das als Nichts vernichtete Nichts.’ Anders gezegd: ‘Heideggers nietsende niets is het als niets vernietste niets.’ Zo ziet Ludger Lütkehaus dat, die niet alleen de schrijver is van een imponerend en zeer dik boek over het niets (Lütkehaus: Nichts. Leipzig 2010. Het citaat op p. 673). Lütkehaus, bij uitstek een Schopenhauer-specialist, heeft ook een interessant boek geschreven over zijn katholieke kinderjaren: Kindheitsvergiftung, Aschaffenburg 2012. De enige katholieken die cultureel iets van betekenis tot stand brengen zijn voormalige katholieken.

De vorige zin is een apoftegma. Maakt hij deze hele bedenking, die – erewoord – alleen maar een beschouwing wilde zijn, toch tot een apoftegma – of – als we tot nu toe aan het gevaar ontkomen waren – doet dat wellicht pas deze laatste, onderhavige zin?

In zijn gesprek met Hermans heeft Freddy over het hoofd gezien dat het juist het als niets vernietste niets is, dat van belang is. Of moet ik vertalen: het als niets vernietigde niets?

Hermans’ Klassiek (3)

 

10 maart ’17. Lucas Mariën

 

Willem Frederik Hermans beklimt in 1955 de Etna en schrijft daarover een opstel Op de Etna, dat in Het Sadistisch Universum komt. Hij vermeldt Goethe niet, maar het is een feit dat hij met die beklimming in diens voetsporen treedt. Goethe ging de vulkaan op in 1787 en bracht daarover verslag uit in zijn ‘Italienische Reise’. Wij weten niet of Hermans dat reisdagboek gebruikt heeft bij de voorbereiding van zijn eigen expeditie, of hij het misschien zelfs bij zich had… In ieder geval eindigt Hermans’ tekst met een allusie op de strijd tussen vulkanisten en neptunisten, waaraan Goethe hartstochtelijk had deelgenomen, wat een literaire neerslag vond in de klassieke Walpurgisnacht in de tweede Faust (v. 8435 e.v.), maar die bijvoorbeeld ook wordt vermeld in Goethes relaas van zijn beklimming. (HA 11, 293.)

Hermans evoceert zijn angst op de flanken van de vulkaan, angst voor omhoog geslingerde gloeiende steenbrokken, sommige ‘ter grootte van een piano’, maar die ‘onmiddellijk weer wegzakt en een gelukssensatie achterlaat. (…) Hoe anders dan de angst in het vaderland van de watersnoden, die dagenlang aanhoudt. (…) Hier zijn de fysica en de chemie oppermachtig. Hoeveel universeler is het geweld van het vuur in vergelijking met dat van de zee, waarin dieren leven en waarop de mens kan varen.’ (VW 11, 165.)

In het begin van de negentiende eeuw werd er heftig gedebatteerd of de aarde vulkanisch ontstaan was, door geweldige uitbarstingen (vulkanisten), of uit water en langzame sedimentatie (neptunisten). Hermans ondergaat de fascinerende macht van de vulkaan, maar erkent dat een ‘neptunisch’ gevormde omgeving beter bewoonbaar is voor de mens. Hij en Goethe verbinden de geologische constellatie met sociologische overwegingen. ‘De angst in het vaderland van de watersnoden, die dagenlang aanhoudt’ moet wel een invloed hebben op de mensen. Maar ‘de zee, waarin dieren leven en waarop de mens kan varen’ is niettemin vriendelijker.

 

Hermans schrijft een ‘neptunistische’ dissertatie over sedimentatie in Luxemburg en een handboek over erosie. Dit fenomeen schijnt hem bijzonder te interesseren, hoewel de moderne geologie de oorsprong van gesteenten veeleer in het binnenste van de aarde, in het magma, situeert – en Goethe en de neptunisten er naast zaten. En Hermans – wiens wetenschappelijke activiteiten dus veeleer ‘conservatief’ zouden zijn.

Is dat toeval? Soms heb je de indruk dat Hermans zoveel mogelijk sporen heeft willen nalaten die naar Goethe leiden maar die niet door alle interviewers meteen worden opgemerkt. Hij en Goethe deden allebei graag wat geheimzinnig en gaven de wereld raadsels op. Dat is ook goed zo, en helemaal volgens het boekje van de schrijver van eerste categorie, de klassieke: ‘Soyez ténébreux’ had Diderot gezegd[1]. Goethe was een (vanzelfsprekend niet onkritische) bewonderaar van Diderot en misschien had Hermans het van hém!

In ieder geval ontleent Hermans structurele dingen aan Goethe: beginselen, principes… Omdat hij volgens beginselen werkt – wat Goethe zo waardeert bij Jan van Eyck, die ‘nach Gesetzen’ werkte en die hij in dit opzicht als voorbeeld stelt.

 

Goethes invloed, meende Karl Gutzkow in 1835, is ‘niet materieel, maar formeel. Wat hij ons naliet is de traditie van het abstracte genie, van de vorm, de grens en de methode’. (Gutzkow, Über Goethe. Tübingen 1999. P. 129.)

Zoals Hermans de neiging heeft om Goethe als leraar weg te moffelen, zo moffelt Goethe Willem van Oranje weg, naar wie hij sterk heeft opgekeken, in die mate dat diens persoonlijkheid zijn eigen klassieke ethiek heeft beïnvloed – het zou me te ver leiden daar nu op in te gaan, maar ik zal de volgende dagen een apart stuk hierover op deze website publiceren.

Bang waren ze allebei, daar boven op die vulkaan. Goethe is niet helemaal tot op de rand van de krater geweest: hevige stormwind maakte hem bevreesd dat niet alleen zijn hoed, maar ook hijzelf in de kokende ketel zouden kunnen worden geblazen! Is het een genoegdoening geweest voor de recalcitrante leerling Hermans, die bij zijn leraar niets door de vingers ziet, dat hij die in dit geval overtreft?

 

2

Goethe, nog onder de indruk van de wereldschokkende eruptie die de Franse revolutie betekende en vooral van de periode van Terreur, keert zich hevig tegen iedere macht van vulkanisch-revolutionaire oorsprong, die zich volgens hem alleen door geweld weet te handhaven en die zich door misdaden manifesteert. In de Faust pleit hij ervoor alles te laten beginnen met het eenvoudigste begin en dan maar te vertrouwen op een organische groei. Niet schaars zijn bij hem uitingen als:

 

’Alle Freiheits-Apostel, sie waren mir immer zuwider

Willkür suchte doch nur jeder am Ende für sich.’

Venezianische Epigramme, HA I, 179.

 

‘Ik heb altijd een hekel gehad aan vrijheidsstrijders

Op de keper beschouwd streefden ze alleen naar willekeur voor zichzelf.’

 

 

En Hermans:

‘Beklaagde, als je maar net zoveel lef had als Hitler, dan zou je liever een tweede Hitler geworden zijn in plaats van in dat krantje te schrijven. Dan zou je liever Hitler’s misdadigheid overtreffen, in plaats van voor veel te weinig geld artikelen te pennen…’ (Herinneringen van een Engelbewaarder. P. 44.)

Het is een overtuiging die hem zijn hele leven bijblijft: wereldverbeteraars veroorzaken alleen maar meer ellende! ‘Ik heb willen doen uitkomen dat zij, die in de contramine zijn, geen gelijk hebben.’[2] Hij kankert tegen de Mei 68-ers, maar zelfs nog de Franse Revolutie moet het bij hem ontgelden.[3] Hij is zoals Goethe tegen alle gewelddadige omwentelingen: ‘Revoluties zijn er om de boel kapot te maken.’[4]

Bij de classici keerde zich deze stemming tegen de politiek zelf . ‘Schiller, was er zich goed van bewust dat er een politieke een politieke epoche aangebroken was. Hij wist dat de politieke belangstelling van het publiek op dit moment groter was dan iedere andere. Bewust ging hij daartegen in, omdat hij de vooruitgang van de geestelijke cultuur erdoor bedreigd zag.’[5] Stendhal vreesde dat de mensen van de twintigste eeuw over politiek zouden praten en de ‘Morning Chronicle’ zouden lezen, in plaats van de zangeres Marianna Conti toe te juichen.[6]

In ‘De Laatste Roker’ uit Hermans zijn twijfels over de vrijheid in de democratie, gezien de verplichting die ze voor de burger impliceert, zich met politiek in te laten. Een politiek die allerlei absurditeiten verzint om te mensen af te houden van waar het eigenlijk om gaat. Bovendien zet dat allemaal geen zoden aan de dijk. De ‘geestdrijvers’[7] veranderen alleen maar bijkomstigheden, niet het wezen zelf van de wereld en de dingen.

 

Dit komt overeen met de klassieke opvatting dat de geest van de politiek op zich humanistisch-revolutionair is, romantisch, een naïeve opvatting, iets voor lieden die ‘in uiteindelijke gerechtigheid geloven’[8].

 

 

(Voortzetting volgende week.)

 

 

 

 

 

[1]  In ‘De la poésie dramatique’ (1758). Oeuvres Complètes. Ed. Herbert Dieckmann, Jean Varloot. Paris 1975 e.v., X, p. 402.

[2]  Scheppend Nihilisme, 35.

[3]  Gevaarlijke Gekken, p. 65.

[4]   Ibid.

[5]  Harnack; Klass Ästhetik 43.

[6]  Stendhal, Rom, Neapel und Florenz. P. 59.

[7]  De laatste roker, p. 66.

[8]  O.c., p. 67.

 

 

 

error: Kopij bescherming !!