Max Friedländer Posts

Gerard Walschap, Van Eycks Madonna en de optredende kus (1).

 

 

De inrichting van ons detectivebureau.

 

Februari 2017. Coralie Coloratuur.

 

 

“Ook hier treedt de kus weer op.”

(Elke Brems, 212)

  

 

1

Ik had wel eerder terug willen zijn.

Oponthoud gehad in Napels, doordat ik onverwacht tijdelijk verloofd raakte met een prachtige Napolitaan die bij nader inzien toch tegenviel, vooral zijn moeder. Die wist namelijk geen geestdrift op te brengen voor een beeldige oranje bruidsjurk die ik in een boetiek in Rome gezien had. Daar had ik voor een college van kardinalen een voordracht gegeven – ik bedoel in Rome, niet in die boetiek natuurlijk.

En opspelen dat mamma mia deed, dat ze geen schoondochter wou hebben ‘die er bijloopt als een sinaasappel’! Het spreekt vanzelf dat het me verschrikkelijk veel moeite kostte om ons vorstenhuis niet meteen te wreken en dat wijf te merken met mijn nagels, Oranjegezind als ik ben, en ik hoop van onze lezers hetzelfde.

 

Intussen stapelen de dingen waarover ik moet schrijven zich op.

 

Misschien kan ik later nog eens terugkomen op mijn Italiaanse avonturen. Op dit moment moet het volstaan… mijn taak is zo gigantisch dat ik wellicht onbewust teruggeschrokken ben en langer verloofd bleef dan strikt nodig was geweest. Die schoonmoeder wou er namelijk ook een kerkdienst bij hebben; meer dan een abate werd op me afgestuurd om me theologisch voor te bereiden op een christelijk huwelijk. Onze trouwe lezers zullen al een voorgevoel hebben, hoe ik die abates zélf met de mond vol tanden deed staan en geloofscrisissen uitlokte. Waar beginnen we dus mee?

 

2

Bij het opzetten van deze website zijn we ervan uitgegaan dat er meer licht in de zaak van de Rechtvaardige Rechters kan worden gebracht met behulp van historische semantiek en recontextualisering. Dat is vergelijkbaar met wat detectives doen in films: ergens in hun hoofdkwartier hebben ze een muur of een groot bord waarop ze de foto’s hangen van het slachtoffer en zijn entourage, maar ook van verdachten, firma’s, gebouwen, auto’s enzovoort. Met een dikke viltstift schrijven ze er hier en daar een naam bij, of een trefwoord. De veronderstelde motieven van de daad… Naarmate het onderzoek vordert, kunnen er verbindingslijnen tussen de individuen worden getrokken en er ontstaat een web, een netwerk. Verwijzingen, parallellen, verbanden; naarmate het weefsel dichter wordt krijgen de speurders een beter inzicht in de verhoudingen.

Ik ben van plan te gelegener tijd nader in te gaan op deze manier van werken, maar ik heb de indruk dat het medium, de webstek dus, zich minder leent tot diepgravende theoretische beschouwingen. Mijn essay in verband daarmee zal dan ook in boekvorm verschijnen, tenminste als het leed dat mij ten gevolge van die voorbije verloving nog bedrukt wat meer geleden is.

 

3

Op ons detectivebord kunnen we lijnen trekken van de Rechtvaardige Rechters – naar Van Eyck vanzelfsprekend – maar ook naar Gerard Walschap. Er is een complex Rechtvaardige Rechters – Van Eyck – Dürer, maar ook een Van Eyck – Walschap – Goethe – Kafka. En Walschap – kardinaal Mercier als Opperste Rechtvaardige Rechter.

 

We zien foto’s van personen en we maken er personages van. We zien personages op het beeldscherm verschijnen, maar wij moeten proberen het scenario te reconstrueren, de tekst waarnaar ze spelen. We zijn als taalgeleerden bij een tot dusver onbekende volksstam: we horen klanken, maar de grammatica en het woordenboek van de onbekende taal moeten wij daar nog uit afleiden. Een man komt een kamer binnen waar een besmeurde zware kandelaar op de vloer ligt. Als we dan achterhalen dat dit personage een politieman is en dat achter het bureau ook nog een dode ligt, dan kunnen we zelf al enkele gevolgtrekkingen maken.

 

Dat is bijvoorbeeld ook wat Lucas aan het doen is met Walschaps roman ‘Sibylle’, die een grote rol zal spelen in de volgende afleveringen van deze bijdrage. In die roman heeft Walschap op een moment van uiterste nood en angst voor de existentie van zijn gezin met kleine kinderen op aandringen van zijn entourage (i.c. Marnix Gijsen) vier bladzijden geschrapt en weggegooid. Lucas werkt aan de restauratie van die roman, ‘een geschonden meesterwerk’ zoals hij hem noemt. Uit de hele Walschap – en speciaal die van 1938, toen het boek verscheen, – uit de kennis van de omstandigheden van die tijd en vooral van het paradigma waarnaar de schrijver werkte, zou het mogelijk wezen het boek met een zekere waarschijnlijkheid te restaureren. Zo wordt Mozarts requiem gespeeld, hoewel het fragment gebleven is – de aanvullingen die nodig zijn om het te kunnen uitvoeren zijn er door anderen bij geschreven.

 

Op die manier dus willen we de affaire van de Rechtvaardige Rechters oplossen. Eerst zetten we maar eens alles wat er op een of andere manier verband mee houdt op ons bord. Hoewel we tegelijk willen waarschuwen tegen Melissa Baghijn, die in opdracht van de CIA van onze lezers detectives wil maken. Detectives zijn ongevaarlijk, handlangers zoals Melissa zelf.

Wij daarentegen vormen onze lezers tot filosofen. De manier waarop iemand als Marc Reynebeau in zijn vele pogingen om iets te zijn o.m. ook geprobeerd heeft een filosoof te schijnen, toont onmiskenbaar aan dat dit de ware glamour is.

 

4

Uitgerekend in het voorjaar van 1934, het moment dat de Rechtvaardige Rechters gestolen worden, komt het tot een eerste  hoogtepunt in de vuile oorlog van het katholieke systeem tegen Gerard Walschap. In ‘De Standaard’ schrijft de helft van de Vl. min of meer schriftkundige paters over wat literatuur volgens hen zou moeten zijn en wat Walschap zou moeten schrijven, terwijl de andere helft zich met evenveel verstand en kennis van zaken wijdde aan dat andere geliefkoosde thema: de vrouw – meer hierover in de volgende afleveringen, waarin ook de vraag of Stientje Hemmerechts een vrouw is beantwoord zal worden. Ze hadden nog niet geleerd, toen, een schrijver gewoon dood te zwijgen en achter de schermen te belasteren. Als Walschap uitbreekt zijn ze oprecht verontwaardigd. Dat iemand hun gesloten systeem verlaat en zelfs onthult hoe het in elkaar zit, is zo ongehoord dat ze zich te buiten gaan aan orgieën van vervolgingslust. Zonder die vuilschrijver, die pornograaf Walschap, zag het er allemaal juist zo goed uit.

 

Einde april 1934, veertien dagen na de diefstal van de Rechtvaardige Rechters, staat alles in het teken van de nieuwe klerikaal-fascistische grondwet in Oostenrijk die op 1 mei wordt afgekondigd. Het gejuich is niet van de lucht. ‘De Standaard’, een plaatselijke antisemitische en fascistische gazet, komt van de luchtsprongen haast niet meer op de begane grond, behalve dan om maar weer eens een pater zijn ongekwalificeerd licht te laten schijnen over ernstige esthetische en literaire vragen en intussen, meestal geniepig maar niet zelden ook openlijk, op te roepen tot hetze tegen de grote schrijver Walschap.

Wenen wordt gezien als de eerste dominosteen die omvalt.

Drie jaar tevoren is de encycliek ‘Quadragesimo Anno’ verschenen die een corporatistische, solidaristische maatschappijvorm eist, als tegenmodel, zowel tegen het communisme als tegen de liberale democratie. Gildehuizen rijzen in alle grotere dorpen uit de grond, ‘gemeenschapsruimtes’ waar het solidaristische ‘gemeenschapsleven’ zich zou afspelen. Er wordt gestreefd naar een restauratie van het middeleeuwse gildewezen, het solidaristische, corporatistische maatschappijmodel. ‘De gilde viert, de gilde juicht,’ galmt het uit alle kelen, het schone volksche lied  van de toekomstige propagandist van de Gleichschaltung in het culturele leven, Emiel Hullebroeck. Hullebroeck kon zijn ideeën over de organistie van het cultuurbedrijf tijdens de bezetting omzetten in de praktijk: er was nauwelijks een verschil met die van de nazi’s. In zijn baanbrekend werk over de vroege Nederlandse schilderkunst had Max Friedländer in 1924 gewezen op de betekenis van juist de bevrijding van Jan van Eyck uit dit gildesysteem. Filips de Goede nam hem in zijn persoonlijke dienst en verloste hem daardoor van die gildeverplichtingen. Zo kon de kunst beginnen. Ik neem op deze webstek twee fragmenten uit het Ongeschreven Boek op, waarin dit ter sprake komt.

 

5

1934: Net een jaar eerder is Hitler aan de macht gekomen. Zijn regime wordt door de kerken afwachtend-positief opgenomen – zoals steeds is er hier of daar een priester die uit de band springt en protest laat horen en die ze, als het verkeerd uitdraait, later heilig kunnen verklaren.

 

Het kan niet worden beweerd dat het thema van de Rechtvaardige Rechters niet actueel was in 1934, het rechtvaardige bestuur, de ‘juiste’ maatschappij, de ‘ware’ maatschappij. Een belangrijke theoreticus daarvan is de Oostenrijker Othmar Spann met ‘Der Wahre Staat’ van 1921, voorbeeld voor Dollfuß, door wiens toedoen in Oostenrijk ‘De Standaard’ omstreeks de eerste mei zo volhardend juichend in de lucht hing.

In ‘Taboe Collaboratie’ (1987) schrijft Louis van Roy over de propaganda die in de jaren dertig zoveel jongeren voorbereidde op wat dan in de Tweede Wereldoorlog de collaboratie zou worden. De jeugd moest meewerken, schrijft Van Roy, aan de ‘voorbereiding tot een verdiepte revolutie waardoor het mogelijk zou worden de “ware orde” te vestigen’. We hebben eerder al over een ander ‘herstel’ geschreven, namelijk dat van de ‘ware’ filosofie (te vinden in ‘Koehns Kamer (i)’, mei 2016).  

Paus Leo XIII zette zich in voor ‘het herstel van de ware filosofie’, zoals in het zendschrijven ‘Dum vitiatae’ van 1880 staat, dat gewijd is aan de ‘dwalingen’ van de eigentijdse filosofie die ‘de maatschappij tot ontbinding jagen’ (ad dissolutionem compellunt). Ik schaam me nu wel een beetje dat ik toen zo onverbloemd over Leo XIII schreef, mijn lievelingspaus, met wie me een familiegeheim verbindt. Ik hoop nog steeds dat ik Lucas ertoe zal kunnen bewegen, dat familieschandaal uit zijn grote boek te schrappen. Mij steunend op zijn eigen theorie, dat literatuur niets met de werkelijkheid te maken heeft. Dan kan hij toch net zo goed een verzonnen schandaal in zijn boek zetten! 

In 1933 werd in Leuven de twintigste ‘Vlaamse Sociale Week’ gehouden, die helemaal gewijd was aan ‘Het herstel der sociale orde’. Het ‘volledig verslag’ van die week is te vinden in de Antwerpse universiteitsbibliotheek MAG-coll. 218.1.20.

De arrogantie waarmee de pausen alles wat niet kerkelijk is afdoen als vals, verkeerd, en wat, ergo, vervangen moet worden door een wahahaare orde, filosofie, maatschappij, kunst ook – wij kunnen ons die nauwelijks nog voorstellen. In het grote masterplan dat omstreeks 1890 tegen de valse filosofie in werking trad, was een grote rol weggelegd voor de katholieke universiteit van Leuven, in de schoot waarvan een Institut Supérieur de Philosophie werd opgericht van waaruit de wahahaare φ zou moeten uitstralen over de hele wereld – dat was dus de neothomistische of neoscholastieke zg. ‘wijsbegeerte’. De leider van het project was (de latere kardinaal) Joseph Désiré Mercier. Die had, in tegenstelling tot de meeste professoren uit Heidelberg, Jena en Berlijn die tot zwijgen gebracht en overtroffen moesten worden, geen doctorsgraad. Klein nadeel, maar geen nood: de paus benoemde hem gewoonweg tot doctor, en wel, uiteraard, in de filosofie: ‘Le Pape conféra lui-même à Mercier le doctorat en philosophie …’ (De Raeymaeker, 48.)

 

Mercier (in het midden) op de Internationale missietentoonstelling, Rome 1925.

Hier hebben we hem dus, Kardinaal Mercier, de ‘primaat van België’, die we op ons bord van verdachten en verdenkingen een fijn plaatsje zullen geven. Mercier zal voor de hele wereld de ‘renaissance du thomisme’ symboliseren (Fabrègues, Maurras 233). Hij was een ‘maȋtre penseur’ voor André Maurras (Fabrègues 309), de leider en voordenker van de fascistische ‘Action Française’. Maurras  noemt hem ook ‘le grand juste’, wat we best kunnen vertalen met ‘de Opperste Rechtvaardige Rechter’.

 

Merciers bedoeling was om o.a. met behulp van het Institut Supérieur de Philosophie een elite te vormen die de macht, niet alleen in de filosofie, maar ook in de staat, naar zich toe zou trekken. Om dan te komen tot een orde, gegrondvest op een ‘filosofische maatschappijopvatting’, een ‘conception philosophique de l’état’ (Goyau, Mercier. p. 73). Dat was vanzelfsprekend niet de maatschappij van Marx, ook niet die van Kant of Hegel. Die waren immers maar valse filosofen. Mercier eist daarentegen de waarheid en het recht op voor zichzelf en voor een aantal andere obscure katholieken van wie geen mens ooit gehoord heeft: hij ‘révendique sans cesse la justice’ (Goyau, 2). Hij nam met andere woorden trekken aan van dé Rechtvaardige Rechter an sich. Om volledig te zijn: an und für sich.

 

Dat mag u ook zeggen, lezer, an und für sich en vooral transcendentaal. Vergeet dat vooral niet, transcendentaal  te zeggen! Dan weet iedereen direct dat je als filosoof ernstig genomen moet worden. Later zul je kunnen zeggen, ik heb Coralie als lerares gehad in het vak filosofie, ik mag zoveel ‘an und für sich’ zeggen als ik wil, en ik zeg ook ‘transcendentaal’ zoveel ik wil. Coralie zelf heeft me de titel verleend van filosoferende filosoof van de échte ware filosofie van het Avondland met automatische ware glamourfactor.

 

Haakt u dus niet af, al is de weg nog lang en stenig. Ook niet als we soms wat ingewikkelder vraagstukken moeten behandelen. Even de ogen sluiten, concentreren, de moeilijke dingen nog eens herlezen – en te gelegener tijd uw echte filosofentitel ontvangen.

 

En vergeet nooit: de zaak Rechtvaardige Rechters zal niet worden opgelost door detectives – maar door filosofen!

 

 

 

 

 

 

 

Aan een buitenlandse professor.

april 2016

 

Geachte Professor X.

Mijn assistente Coralie Coloratuur was niet te spreken over bepaalde dingen in het boek van Kemperdick en Rößler. Ik hoorde haar in de verte zelfs misnoegde kreten slaken toen ze het aan het lezen was, niet minder smartelijk als die van Elisabeth Dhaenens, als die de naam Renders moest opschrijven. Ik vroeg Coralie om haar indrukken op papier te zetten voor de webstek. Dit is wat ze schreef:

 

1

De professor beweert dat hij de wind van voren kreeg toen hij aan de Hubert-figuur begon te tornen. Dat verwondert me niet.

De Hubert-deemstering begint eigenlijk in 1924, met het eerste deel van Max Friedländers geschiedenis van de vroege Nederlandse schilderkunst. Die is nog steeds goed leesbaar, onder andere omdat Friedländer naast zijn grote kennis als kunsthistoricus ook een schrijver met een fraaie stijl is en een interessante persoonlijkheid heeft. Dat laatste blijkt o.m. uit de manier waarop hij partij kiest voor Jan. Hij zegt eigenlijk dat hij maar één schilder ziet en vermeldt een aantal argumenten die voor Jan spreken. Die argumenten zijn geen van alle doorslaggevend, geeft hij toe, maar allemaal samen wegen ze minstens even zwaar als dat fameuze kwatrijn (Friedländer 1934 p. 87-88 cfr. bibliografie). De consternatie was indertijd geweldig.

De quasi officiële commentator van het Lam Gods, Lambert Aerts – niet iedereen mocht zo maar over het Lam Gods schrijven; er werd zelfs geopperd dat dat verboden zou moeten worden aan wie geen priester was… in de toekomst komt dit alles op onze website!

Maar dus na het verschijnen van Friedländers werk oppert deze Aerts, pastoor in Herk-de-Stad, dat “de kunstgeleerden (…) veelal Protestanten en Joden waren” (Aerts 1926, p. 81) en bijgevolg niet van tel – in de lijn van het scholastieke adagium: Graecum est, non legitur / dat is Grieks, dat lezen we niet. Ik wil Kemperdick in geen geval met deze Lambert Aerts over dezelfde kam scheren, maar ik kon een zeker déjà vu niet van me afzetten toen ik bij hem las dat Friedländer in 1924 “onder de indruk van Emile Renders in 1933 tenslotte overhelde naar een negatie van het aandeel van Hubert” (Kemperdick en Rößler, p. 22). Dat is dus manifest onwaar. Renders zelf erkent trouwens dat Friedländer als eerste het hele Lam Gods aan Jan toeschrijft, “malgré l’existence du quatrain” (Renders 1933, p. 11).

2

Een zekere Paul Fierens, een kunsthistoricus van naam, publiceerde een werk dat hij – veelbetekenend (sic) – het lef had gewoon “Jan van Eyck” te noemen, schrijft het tijdschrift “Les Beaux-Arts” in 1932. Zijn boek “se présentait hardiment sous ce titre significatif: Jean van Eyck.” (Les Beaux-Arts nr. 56, 21 oktober 1932.)

De angst ervan verdacht te worden niet in Hubert te geloven was groot. Een zekere pater Claeys-Bouuaert schrijft een monografie die zeer bepaald handelt over de teksten op het Lam Gods. Maar hij begint zijn werk met de uitroep dat het feit dat hij niet zal ingaan op het Van Eyck-probleem niet impliceert dat hij het bestaan van Hubert zou ontkennen. Deze exclamatie wordt een soort formule die we ook terugvinden bij andere auteurs die iets kwijt willen over Van Eyck zonder in te willen gaan op “het probleem”. Te vinden bij Muls, pater Stubbe, Jan Gessler en tutti quanti niet-protestantse kenners – onder wie we groot ongelijk zouden hebben Leo van Puyvelde niet te vermelden, maar die kon helemaal niet iets schrijven dat niet over Hubert ging.

Vanzelfsprekend, geachte Professor, bent u thuis in het rapport van Professor Coremans, de leider van de restauratie van het Lam Gods in 1951. Ik herinner hier even aan de bochten waarin Coremans zich wringt om te beweren dat het kwatrijn enerzijds niet origineel is, en anderzijds dat het misschien toch niet helemaal niet niet-origineel is. Ook het leedvermaak van Der Spiegel (6 januari 1954, p. 31) naar aanleiding van op Coremans gebaseerde beweringen van Brockwell, spreekt boekdelen. Dit weekblad vat het goed samen: “Als het maar enigszins mogelijk was draaiden Coremans en zijn medewerkers (…) angstig om de hete brij van het auteurschap heen, want de restauratoren wilden niet de toorn van de kunsthistorici over zich heen  krijgen.”

Ik geloof niet dat het in de eerste plaats de kunsthistorici waren die een zo vreesaanjagende indruk maakten. De kunsthistorici die iets waard waren zaten al lang op de golflengte van Friedländer en Renders en alleen de niet-protestantse ‘kenners’ die in een positie van afhankelijkheid verkeerden ten opzichte van de katholieke zuil (als priesters, paters, redacteuren, professoren) juichten Hubert nog toe. Wat er gebeurde met iemand die zich probeerde te bevrijden, kun je nalezen in de brieven van Gerard Walschap uit die periode.

3

De vroomheid van de niet-protestantse ‘kenners’ was soms zo intens dat ze Hubert ontdekten waar hij niet was. ‘Men vindt ook wel eens teksten uit,’ schrijft pater Schiltz (Schiltz 1967, p. 10), ‘of men verkracht ze. Zo bestaat er (…) een tekst in het enkelvoud en uitdrukkelijk handelend over “il gran Johannes”. Men zet hem in ’t meervoud om er de legendarische “Hubert” van Eyck te kunnen bijsleuren…’

De hier genoemde ‘men’ is Leo van Puyvelde, verklapt Schiltz op een andere plaats (Schiltz 1968. P. 3.): ‘Ainsi un auteur met au pluriel un texte se rapportant exclusivement à Jean van Eyck, dans une lettre envoyé de Naples du 20 mars 1524 à Marco Antonio Michiel, par Summonte. Celui-ci écrit: “…gran maestro Johannes qui prima fe l’arte d’illuminari libri (…)”. L. van Puyvelde affirme bravement que ‘les van Eyck debutèrent comme minitiaturiste’.’ Van Puyvelde was de coryfee van de Vlaamse kunstbeschouwing.

Ik heb groot respect voor Eugeen Schiltz, die een onafhankelijke en kritische onderzoeker was, maar ik ben toch blij dat ik er hier nog een vindplaats van gelijke strekking aan kan toevoegen:

In een verslag van een tijdgenoot over de beeldenstorm in Gent, dat van de Gentenaar Marcus van Vaernewijck, wordt beschreven hoe het Lam Gods verborgen wordt uit angst voor die beeldenstorm. Ik citeer: ‘Ook het Lam Gods, geschilderd door de gebroeders van Eyck, raakte tijdig weggeborgen.’ Zo stond het althans in een moderne bloemlezing uit het werk van Van Vaernewijck, een uitgave van uitgeverij Heideland, Hasselt 1966, pagina 30. Maar in het origineel, in de tekst van Van Vaernewijck zélf dus, is er van Van Eyck geen sprake, laat staan van ‘gebroeders’. Van Vaernewijck schrijft gewoon over de ‘Tafelen van Adam ende Eva’, zoals het Lam Gods toen werd genoemd. (Van Vaernewijck, deel 1, kapittel 17, bladzijde 87-88, te vinden in de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Literatuur.) Die tekstbezorger van 1966 heeft natuurlijk geweten dat het voor zijn carrière bevorderlijk was als hij het te pas en te onpas over die ‘gebroeders’ zou hebben. Hij heeft Van Vaernewijck uit het jaar vijftienhonderd en zoveel met terugwerkende kracht aan de heersende sprachregelung onderworpen.

Renders konden ze niet broodroven, die was rijk en onafhankelijk. Maar heel de rest van het arsenaal werd over hem uitgestort: in een kwaad daglicht stellen, insinuatie, morele moord. Tot op zekere hoogte werd dit ook ingezet tegen de restaurator Jef van der Veken die met Renders samenwerkte. Dat leeft ten dele nog voort in het beeld dat van beiden ook nu nog bestaat.

Iets waarop uw contactpersonen in ’België’ u niet geattendeerd zullen hebben, is allicht de oorlog tussen Renders en Van Puyvelde. Ik stuur u een brochure tegen Van Puyvelde die Renders schreef en uitgaf in eigen beheer. Hoewel hij ze liet drukken in een voor die tijd en dit land exuberante oplage van tweeduizend exemplaren is ze zo goed als onvindbaar. Het was trouwens niet uitzonderlijk dat zulke publicaties werden opgekocht om ze aan de normale circulatie te onttrekken.

Een leuk documentje dat ik hier als eerste bijlage aan toevoeg komt uit de “Ephemerides Theologicae Lovaniensis” XXXII (1956 p. 405) waarin – gezien de oorsprong van het tijdschrift – alleen maar absolute waarheden staan. Dit is een overlijdensbericht van Renders waarin erkend wordt dat Hubert door diens werkzaamheden “semble devoir être rayé de l’histoire”.

 

531

 

4

Ik ben niet de eerste die erop wijst dat het Internationaal Congres van kunsthistorici dat in 1951 de restauratie van het Lam Gods begeleidde als het ware verzonken is in het verborgene. Eugène Schiltz deed dat al in 1965 (Schiltz 1965/9), en hij citeerde een deelnemer aan dat congres, Maurice W. Brockwell, die schreef:

“Na twaalf maanden van uitputtend (exhaustive) onderzoek maakte het Officieel Rapport een einde aan de fabel (the fable), zonder één enkele verwijzing naar ‘Hubert’, behalve dan als naar ‘l’énigmatique Hubert’.” (M.W. Brockwell, The Van Eyck-problem, London 1954. P. 16. Ik vertaal en citeer hier naar Schiltz 1965/9) Brockwells boek vormde de aanleiding voor het hoger ter sprake gebrachte artikel in Der Spiegel.

Coremans zat tengevolge van dat congres wel in een lastig parket. Hij kon moeilijk nog onder de bevindingen van het internationale gezelschap uit, maar als zijn leven hem lief was kon hij ook niet gewoon schrijven dat de boel sinds 1550 belazerd werd.

Toch viel er daarna niet veel meer aan te tornen: bijna vijftig jaar lang schenen ook de katholieken zich te zullen neerleggen bij Huberts schrapping uit de geschiedenis. Iemand als Elisabeth Dhaenens scheen meer en meer voor een verloren zaak te vechten. Zelfs een uitgesproken katholieke uitgeverij als het Davidsfonds publiceerde boeken waarin het auteurschap van Jan als vanzelfsprekend werd voorgesteld.

Maar bij de vele eigenschappen van Hubert is er een die niet verzonnen is, dat zou zelfs Emile Renders hebben toegegeven: Hubert is een wederganger, hij is de Grote Zombie van de kunstgeschiedenis. En sinds de nieuwe restauratie begonnen is, beleven we ook de weder-invoering van de brave Hubert en een nieuwe sprachregelung die plotseling weer algemeen wordt gevolgd.

5

Een sprachregelung wijst altijd op een verbergingscontext, en die onderzoeken we. U hebt op onze website kunnen lezen dat we een Copernicaanse omwenteling willen. Wij willen niet onderzoeken waar het gestolen paneel is en of het kwatrijn authentiek is en/of waarheidsgetrouw. Leugens, vrome wensen, propaganda en wat met een nieuwerwets woord ‘wording’ heet, dat vinden wij fijn, om ons daarin te kunnen verdiepen. Wij stellen in de eerste plaats de vraag naar de ideële betekenis van de diefstal, van Jan van Eyck zelf en ten slotte van de hele kunst. Maar het zogenaamde ‘Van Eyck-probleem’, de kwestie van de ‘broers’ Jan en Hubert is daarbij niet alleen een belangrijk onderdeel, het is de kern van de zaak. Het gaat over definitiemacht en Deutungshoheit. In feite is het Hubert die het Lam Gods – met andere woorden: de wereld – concipieert en duidt, terwijl Jan alleen maar uitvoerder is. Het beeld van de kunstenaar van de scholastiek – de kunstenaar is onderworpen aan de voorstellingen van de kerk – wordt geplaatst tegenover dat van de autonome kunstenaar. Onovertroffen wordt dat dilemma geformuleerd door Friedrich Schiller: “Zou ik er me toe laten vernederen alleen maar een beitel te wezen, waar ik de kunstenaar zelf zou kunnen zijn?” (Don Carlos III, 10; Werke II/ 120) Het was precies in de omgeving van Schiller, met name door Goethe zelf, dat Jan als eerste eigenlijke, autonome kunstenaar werd voorgesteld, de eerste van een nieuw type. Dat komt neer op een omverwerping van het scholastische wereldbeeld.

6

Meteen nadat de diefstal bekend was geworden – die van bij het begin iets raadselachtigs had, die geen “gewone” diefstal was – werd geopperd dat Émile Renders er iets mee te maken zou hebben gehad – die werd trouwens ook uitvoerig verhoord door de politie. Hilde Leynen, een publiciste die zich min of meer in de affaire gespecialiseerd had, schreef (in Wetenschappelijke Tijdingen XXXVIII, 1979. Kol. 232) dat er “onmiddellijk” na de diefstal drie richtingen in de speculaties ontstonden. Een ervan was, schrijft ze, “dat kunstdieven om polemische redenen, meer bepaald het wel of niet bestaan van Hubert van Eyck, het breekijzer zouden hebben gehanteerd”. Wat is er aan de ene kant zo nadelig dat er per se moet worden vastgehouden aan een spook en dat andersdenkende geleerden moeten worden geterroriseerd? En aan de andere kant is er dat plezier in het ontmaskeren, als bij Der Spiegel, dat leedvermaak zelfs. Daar moet toch meer aan de hand zijn dan bij gewone op schaarse en/of  tegenstrijdige gegevens berustende personalia uit de vijftiende eeuw, dit heeft trekken van een geloofsoorlog.

 

 

Max J. Friedländer: Die Altniederländische Malerei. Dl. 1 Die van Eyck / Petrus Christus. Leiden 1934. De oorspronkelijke uitgave is van 1924.

Stephan Kemperdick en Johannes Rößler (uitg.):

Der Genter Altar der Brüder van Eyck. Geschichte und Würdigung. Berlin [Gemäldegalerie der Staatlichen Museen] 2014.

Aerts 1926: Lambert Aerts. Een antwoord op “Christelijke Kunst” van pater Taeymans S.J. In: Kunst Adelt nr. 4. Peer 1926.

“Malte Hubert mit?” Der Spiegel nr. 2/1954. 6 januari 1954. P. 30-31.

Schiltz 1965: Eugène Schiltz: Van Eyck-problemen. De verhouding Hubert-Jan in de XVde eeuw. Antwerpen 1965.

Schiltz 1967: Eugeen Schiltz: Beweging bij Jan van Eyck. Antwerpen 1967

Schiltz 1968: E. Schiltz: Errare humanum est. Antwerpen 1968. P. 3.

Friedrich Schiller: Sämtliche Werke, Darmstadt [WBG] 1981.

Renders 1933 – Emile Renders, Hubert van Eyck. Personnage de Légende. Parijs en Brussel [Van Oest] 1933.

 

 

 

 

 

 

 

error: Kopij bescherming !!