Goethe Posts

Eigen aangelegenheden. Literatuur mag nog meer.

 

Ariadne (1814) Joh. Heinr. Dannecker, Liebieg-Haus, Frankfurt aM.

 

Lucas Mariën, 17 januari 2019.

Herzien: 3 februari 2019.

 

We hoeven onze lezers niet te vertellen dat het Paradigma vorige week onbereikbaar was – de moeilijkheden schijnen zich nu zelfs te herhalen. Dat spijt ons en we zouden ons verontschuldigen als niet ook wij die onbereikbaarheid gewoon hadden moeten ondergaan. Onze server in Berlijn speelde niet meer mee. Kennelijk was het een panne van grote omvang, waarbij duizenden sites betrokken waren. Deze gebeurtenissen hebben ons in ieder geval nog eens herinnerd aan de kwetsbaarheid van het internet. Van het ene moment op het andere waren we niet alleen blind en doof, maar ook stom en onzichtbaar.

Vanzelfsprekend zijn er in het begin ook vragen gerezen: was er sprake van sabotage door angstige vijanden? Speelde onze laatdunkendheid tegenover Nato, CIA of Opus Dei een rol? Waren de graven Lippens te Knokke en elders in paniek geschoten – we hadden toch alleen nog maar iets over graf Lippens I geschreven! Maar intussen was bekend geworden dat graf Lippens II buiten vervolging gesteld is, als grote baas van de Fortis-bank indertijd… Was het de angst voor Dikè, de godin van de orde en het recht?

Zolang deze website bestaat hebben we op de kwetsbaarheid van het medium geattendeerd en er voor gepleit dat de belangrijkste lezers zich bij ons zouden registreren (miss.ecologische.klassiek@kurtz.owncube.com). Aan hun duivenhok zul je ze herkennen, schreven we over de literatuurliefhebbers, die eerlang weer afhankelijk zullen zijn van de duivenpost om de literatuur te kunnen volgen.

De USA als folterstaat bijvoorbeeld, die te pas en te onpas veel minder schuldige landen de les leest… Maar in het internet is ook het ándere nieuws te vinden en niet alleen de sterkste vindt nog gehoor. De discrepantie tussen de schijn van officiële verhalen en de werkelijkheid springt in het oog. Het enige wat ze daar tot dusver op gevonden hebben is: negeren! Doen alsof dat wat duizenden, soms miljoenen mensen weten, gewoon niet bestaat. Blijven vasthouden aan doorzichtige leugenverhalen en de waarheid doodzwijgen. Maar de mensen zijn niet zó dom, en die houding is dan rampzalig voor je geloofwaardigheid. Er ontstaat een spanning tussen het verkondigde beeld van de werkelijkheid en de realiteit die op den duur ondraaglijk zal worden. Vandaar onze overtuiging dat het duivenmelkerschap de toekomst van de literatuurliefhebber is.

We willen de panne van vorige week (en van nu) aangrijpen om een paar dingen nog eens op een rijtje te zetten.

Het Paradigma is volledig onafhankelijk en heeft geen enkele band met partijen of belangengroepen. De enige leidraad is ons eigen inzicht en de eeuwige onveranderlijke wetten van de literatuur. De normen die ik erken vormen de inhoud zélf van het paradigma-begrip; het zijn geen uitvindingen of verzinsels van mij – het zijn dingen die ik blootleg. Foucault heeft het concept van archeologie van begrippen in de mode gebracht, maar het idee is ouder, heeft hij van Nietzsche.

Jean Baudrillard diagnosticeerde op een bijzonder prangende manier het valse, de leegheid en de holklinkendheid van de hele Westerse civilisatie, de civilisatie als spektakel, het betekenisloze en van belang gespeende van de meeste als artistiek bedoelde artefacten zelfs – en a fortiori van de hele post-literatuur. Maar als dát de heersende toestand is, hoe kun je dan iets tot stand brengen dat daar niet aan meedoet, daar niet toe behoort, iets dat niét ondergaat in de leegte, dat niet platvloers is a priori? Dat is de belangrijkste vraag voor iedere nieuwe kunst en literatuur: kan het echt niet anders dan dat je mee rondploetert in de modder van het gecommercialiseerde kunst- en literatuurbedrijf? De enig denkbare remedie is, je er met de middelen van de literatuur overheen te zetten en gewoon iets te schrijven dat zoveel mogelijk kwaliteiten gemeen heeft met de voorbeelden van de grote meesters – te meer omdat hedendaagse voortbrengselen over het algemeen futiel zijn. En analoog of digitaal of duivenpost, dat heeft dan verder nog maar weinig te betekenen. De traditie stelt een arsenaal van werktuigen ter beschikking waarmee de door Baudrillard geconstateerde toestand tekeer kan worden gegaan, de Europese kunst, van de Grieken tot Hermans. We staan weer op het punt waar Johann Joachim Winckelmann (”de grote Winckelmann”; W.F. Hermans) in 1755 stond:

‘Der einzige Weg für uns, groß, ja, wenn es möglich ist unnachahmlich zu werden, ist die Nachahmung der Alten.‘[1]  –  De enige manier voor ons om groot, ja zo mogelijk onnavolgbaar te worden, is de navolging van de ouden.

 

2

Ik ben er me van bewust dat dat verleden de jongste tijd in een kwaad daglicht wordt gesteld door sommige zg. literatuurwetenschappers en dat het zelfs als agressie beschreven wordt. De bekendste verguizer was Harold Bloom, die een boekje tegen de traditie schreef, ‘Anxiety of Influence’[2]. Bloom weet niet wat literatuur is, haspelt literaire en niet-literaire teksten door elkaar, gebruikt derderangse voorbeelden om zijn theorieën op te bouwen en is een bedrieger. Hij is zo ingenomen met zijn eigen ‘anxiety of influence’ dat hij zich openlijk verwonderd toont over Goethes ‘bevreemdend optimistische weigering om het literaire verleden te zien als in de eerste plaats een hindernis voor nieuwe creatie’ (Anxiety, p. 50). Niet verkeerd in deze bewering is dat Goethe het verleden niet als obstakel beschouwde. Hij prees het juist en was er dankbaar voor. Bloom vergeet dat dan trouwens meteen weer, om een paar bladzijden verderop leugenachtig te beweren dat Goethe zelf ‘verteerd schijnt te zijn van de “anxiety of influence”’ (p. 60).

Bloom was een tekstvervalser en een lasteraar. In een aparte bijdrage maak ik een kort aanhangsel bij deze tekst over de échte mening van Goethe over invloed en die van nog een paar anderen die in tegenstelling tot Bloom gewicht hebben. Overal bij Bloom schemert de rancune tegen het Europese patrimonium door. Hij past in de sfeer van neo-cons en postmodernen. Trefwoorden: Congress of Cultural Freedom, CIA, Rockefeller-stichting…  Einde van de kritiek, esthetisch populisme.

Plus de aloude rancune tegen Europa. Zij ervaren traditie als agressie die in werkelijkheid nijd is. Amerikanen hebben zelf geen traditie behalve moord en folteringen, het ontketenen van oorlogen en staatsgrepen, het leegplunderen van landen – de belangrijkste reden waarom ze Poetin zo haten, dat die daar althans in Rusland een einde aan heeft gemaakt – afgezien nog van het feit dat Rusland een Europees land is dat in tegenstelling tot de VS een belangrijke literatuur heeft, een niet te verwaarlozen muzikaal patrimonium en bovendien nog schilders als Kandinsky heeft voortgebracht – om alleen deze baanbreker te noemen. Tenslotte nog vermeldenswaard als Amerikaanse prestatie: het overeind houden van satellieten die hun qua misdadigheid nog naar de kroon steken.

Charles Baudelaire bedoelde het ongetwijfeld als de allerergste belediging waartoe zijn dichterlijk genie hem in staat stelde, toen hij de Verenigde Staten noemde: het België van het Westen. Grotere schande was in zijn ogen kennelijk niet denkbaar.

3

De opgave voor Europese schrijvers is intussen, de literatuur los te peuteren uit het kluwen van gezwets en bedrog en terug te gaan naar de traditie, naar een traditie van ándere moderniteit. Al in de negentiende eeuw wordt Goethes stijl door scherpziende geesten als Nietzsche begrepen als het vooruit-schijnen van zo’n ándere moderniteit. Lang vóór ik Goethe beter begon te kennen was ik me al bewust geworden van de eenzame classiciteit van Hermans – én van de Adelaar van Londerzeel, Gerard Walschap, die zijn meesterschap wist te verwerven en door te zetten in een uitermate achterlijke, bijgelovige en vijandige omgeving. Zijn muze moest zich, meer nog dan die van schrijvers in normale landen, handhaven op de rug van een gevaarlijke tijger, maar hij heeft geen grote fouten gemaakt, deze geweldige en in de geschiedenis van Huichelarije sinds de val van Antwerpen eenmalige held.

Niet dat ik geloof dat een schrijver per se een voorbeeld van iets moet wezen, behalve dan van stijl.

4

Er gaat geen dag voorbij of er wordt om censuur van het internet geroepen. Pornografen, stalkers, haatpredikers, Russen, trollen, verspreiders van complottheorieën bedreigen immers de door het Westen zo fijn gemaakte wereld. De complottheorieën vooral, die helpen als argument tegen alles. Ze zijn tegelijk de aspirine en de klisteerspuit van de wonderdokters van de gediskrediteerde mainstream. Het eigenlijke probleem van deze grote geesten is dat, dank zij het internet, letterlijk iedereen nu deel kan nemen aan het debat, en niet langer alleen uitgeselecteerde, door tal van carrièrefilters gesijpelde hoernalisten – om niet te vergeten de ingebedde schrijvers van de post-literatuur. Te midden van de oceanen van eigenlijke cafépraat valt de als intellectueel gecamoefleerde oneigenlijke niet meer op.

Maar door dat dagelijkse gejammer en het constante formuleren van voorwendsels voor censuur wordt het begrip zelf van de vrije meningsuiting aangetast. Daarom nog eens in alle duidelijkheid: vrije meningsuiting is vrij. Literatuur mag alles. Al die verboden, censuurregels, die intussen bijna overal in Europa bestaan, gelden NIET voor de literatuur en moeten weg – als het echt een democratie is, die gewenst wordt. Er is geen enkele beperking naar de inhoud. Alleen de literaire grammatica is van tel. De schrijver is autonoom.

Bijvoorbeeld heb ik iets gelezen over Frankrijk. Het uitmoorden van de Armeniërs in het begin van de twintigste eeuw, dat moet je daar volkerenmoord noemen. Afgezien van logische en kentheoretische vragen bij zulke veralgemenende termen staat altijd de vraag op de voorgrond: als ik dat doe, klopt het ritme van mijn tekst dan nog, de melodie van mijn zin, de te verwachten rimpels in het voorhoofd van lezers of de glimlach op de lippen van… kan ik die met zulke zin te voorschijn toveren. Dat is het, waar het om gaat, er bestaan geen andere literaire problemen.

Geen enkele schrijver heeft tijd genoeg om zich bezig te houden met wat politici denken dat verboden zou moeten zijn.

Af en toe moet ik met Tartufistaanse toestanden vertrouwde mensen vragen: weet je of dit of dat verboden is in het koninkrijk waarvan we de naam niet zullen noemen?

Als het verboden is, maak ik meteen een aantekening dat ik het beslist ergens moet zeggen.

Het niet-zeggen zou erkenning impliceren van zeggenschap van het banale en vulgaire over wat er in de literatuur geschiedt. Het zou misdadig zijn tegenover de kunst.

Ook dat is literatuur: zeggen wat niet mag.

Dat wil niet zeggen dat de schrijver zich zo moet gedragen dat hij meteen de gevangenis in gaat – al kan ook dat nodig zijn.

Hij moet wat verboden is zeggen, maar niet zonder daarbij strategisch te denken.

De traditie doet ons alle nodige middelen aan de hand, ze zijn legio. Desnoods zelfs… Duivenpost is niet de eerste keuze – maar een mogelijkheid is het.

Blijft u op de hoogte, registreer u, word voor ons bereikbaar.

Het adagium van Walschap dat ik ook elders al gebruikt heb: Schrijven wat iedereen weet, maar niemand schrijft. Goethe noemde onder meer dát het openbare geheim, het Öffentliche Geheimnis, waarmee hij werkte en waarvan hij zich nogal wat voorstelde.

5

Vooral in Huichelarije is het ook nodig te demonstreren wat literatuur eigenlijk is. Dat het NIET is: dat zielig conglomeraat van hoernalisten, professoren en pastoors en hunlieden zompig gezwets en kliederig gesop – van Verschaeve tot Hugo Claus. Er is geen traditie, alleen een paar uitschieters, op één hand te tellen in een stroom van niets, een hele geschiedenis van onderdrukking en verbod, van de uitroeiïng van de rederijkers tot de vervolging van Walschap.

Tartufistan is Amerika in het hartje van Europa.

Blijft u ons welgezind.

 

_________________________________

 

  1. Johann Joachim Winckelmann: Gedanken über die Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst [1755]. Stuttgart [Reclam] 1995. p. 4.
  2. Harold Bloom: The Anxiety of Influence. New York [Oxford University Press] 1973.

Hermans’ vijandig verzwijgen van romantici.

April 2018. Lucas Mariën.

 

Schutting bouwwerf ‘Romantiekmuseum’ naast Goethehuis Frankfurt, september 2016.

 

Wat betékent eigenlijk ‘lelijk als de nacht’, Frans?’ vroeg prof. Daas indringend. ‘Mijn dochter

Imelda… ik bedoel…Transcendentaal gesproken… Bovendien: is de nacht wel

lelijk? Dat vraag ik me af, Frans, en ik niet alleen. Denk maar

aan de ‘Hymnen aan de Nacht’, van Novalis, een romanticus immers.

Zo’n romantische dichter zou jij nu ook moeten worden.’

(Fragment, ongepubliceerd.)

 

 

Willem Frederik Hermans heeft meer dan eens verwezen naar de natuurwetenschappelijke activiteiten van Goethe als bron van inspiratie voor hemzelf. Hij is natuurlijk in de eerste plaats onder de indruk van Goethes onderzoek op het gebied van de geologie, en hij erkent dat de olympiër niet zonder invloed is geweest op zijn eigen keuze voor dat vak.

Maar ook met een andere schrijver-geoloog voelt hij zich verwant: met Rudolf Erich Raspe, de schepper van de ‘Baron von Münchhausen’, uit wie ‘misschien een Goethe had kunnen groeien’, maar die in de plaats daarvan een ‘grote onbekende’ bleef. Ik heb in dit verband eerder gewezen op ‘ondergrondse’ sympathiebetuigingen voor de klassiek en aversie voor de romantiek.

In ieder geval interesseert Hermans zich uitdrukkelijk voor schrijvers die ook geoloog waren. Een grote aposiopesis, reticentie, verzwijging lijkt dan ook die van Friedrich von Hardenberg, die zich Novalis noemde, die een voorvechter en baanbreker was van de romantiek. In zekere zin is Novalis de romanticus bij uitstek. Én hij was geoloog, had gestudeerd aan de in die tijd toonaangevende academie voor mijnbouw in Freiberg in het Ertsgebergte en oefende ook een leidinggevend beroep uit als echte geoloog. Maar voor hem schijnt Hermans zich niet te interesseren, hij wordt ternauwernood ooit vermeld in dat gigantische oeuvre.

De belangrijkste literaire invloed op Hermans is niet de Franse, zoals hijzelf aanneemt, maar de Duitse. In bepaalde periodes heeft hij zich intensief beziggehouden met Freud en Schopenhauer; andere denkers hebben hem een leven lang begeleid: Nietzsche en Wittgenstein. Er zijn geen vergelijkbare Franse voorbeelden, met wie hij zulke levenslange innerlijke dialoog voert.

Misschien is de Franse invloed groter als je het begrip ‘literatuur’ eng interpreteert, zoals het hoort, als zuivere bellettrie, lyriek, epiek, drama – maar zelfs dan!

Als toonaangevende leraren, vooral in zijn jeugd, geeft Hermans Heinrich von Kleist aan, en Theodor Storm. Voor Friedrich Hölderlin maakt hij herhaaldelijk reverences. En zelfs Christian Dietrich Grabbe en diens uitspraak dat wellicht de hele wereld ‘alleen maar uit gezwets’ bestaat, krijgen bij hem een plaats. Daar hoort ook Wilhelm Hauff nog bij en diens novelle ‘Das Steinerne Herz’.

Alle vermelde schrijvers uit de biedermeiertijd hebben gemeen dat ze eigenlijk on-romantische romantici zijn, het spectaculairst misschien Hölderlin, die te midden van de romantiek en tenminste als dichter, in litteraribus, een Grieks ideaal nastreeft – of wat hij daarvoor hield. Het zijn dichters die buiten de eigenlijke romantiek blijven staan, die niet of maar in geringe mate door de romantiek besmet zijn.

Maar die anderen dan? De echte romantici, de protagonisten van de ‘Romantische School’ van Heine – een van de eerste beschrijvingen van de beweging.

Die worden door Hermans doodgezwegen.

Geen Brentano bij hem, geen Arnim, Eichendorff, Tieck gebroeders Schlegel… die bestaan niet, ze komen in zijn wereld niet voor.

Er is geen sprake van dat Hermans deze misschien grotendeels vergeten romantici niet gekend zou hebben – als schrijvers vergeten dan, niet als romantische samenzweerders tegen de kunst en als holle herrieschoppers – zo zag ook Goethe ze. Maar ze staan om te beginnen al in de bloemlezing van Hugo von Hoffmannsthal die Hermans’ zusje Cornelia op haar achttiende verjaardag cadeau kreeg en die na haar dood overging in zijn bibliotheek.

Ik heb met hem over Heine gesproken. Heine, die eigenlijk ook tot de on-romantische romantici behoorde, tenminste na zijn beginperiode. Maar niemand hoefde Hermans ter zake te souffleren.

Ik kwam onverwacht met een zeer concrete vraag op de proppen. Geen sprake van eerst nog iets te moeten naslaan of zo, nee. Hermans begint meteen te oreren. Hij had die tekst volkomen paraat. En niet alleen de tekst. Die had ook een plaats gekregen in zijn eigen literaire apparaat, hij was door hem ‘gecontextualiseerd’, opgenomen in zijn eigen literaire persoonlijkheid. Ik zal het materiaal in verband met dat interview publiceren in mijn eerste Hermans-boek, als het er nog bij kan. Anders publiceer ik het apart, hopelijk, wellicht, nog dit jaar.

Misschien is Hermans’ aversie tegen de ‘romantische romantiek’ een van de redenen waarom zijn flirt met het surrealisme toch wat afstandelijk bleef en nooit tot een echt serieuze binding leidde. De surrealisten, met name Breton en ook Aragon, voelden zich aangetrokken tot Novalis en Arnim en zochten bij hen inspiratie voor dat nachtelijke, dat vloeiend uitwaaierend fantastische, voor die metastasen vormende psychische toestanden – voor wat ze ‘het wonderbaarlijke’ noemden. Maar Hermans’ surrealisme is eigenlijk klassiek.

 

Bij de foto:

Een affiche op de schutting rond de bouwput naast het geboortehuis van Goethe ‘am Hirschgraben’ in Frankfurt am Main, september 2016.

Er wordt een museum voor de romantiek aangekondigd. Vlak naast Goethes geboortehuis dus, en ze proberen ‘ook’ (cfr. affiche) Goethe daarbij te betrekken. Hetzelfde lot is trouwens ook Nietzsche al vaak beschoren geweest, hoewel beide grote geesten de romantiek vehement hebben bestreden – Nietzsche geeft als een van de redenen voor zijn toorn tegen Wagner bijvoorbeeld aan dat die ‘romantisch’ is in plaats van dionysisch. Goethe noemt de romantiek gewoon ‘ziek’.

Is het niet net alsof Duitse publicisten zich schuldig voelen en ze derhalve fatsoenlijke genieën met geweld in de buurt van de romantiek willen brengen, om die hele stroming goed te praten?

(Nijpende vraag: is de andere moderniteit van Willem Frederik Hermans eerder dionysisch dan klassiek? Is de hele ecologische klassiek dan misschien ook dionysisch? – Blijft u ons volgen.)

Penthesilea: Kleist, Goethe, Hermans.

2018, april. Lucas Mariën.

 

Het was de ambitie van de (nog jonge) Willem Frederik Hermans een Nederlandse Goethe te worden. Dat was het hoogste wat er bestond. Ik heb eerder al naar Schopenhauer verwezen, die beweert dat we ons zeer goed bewust zijn van wie in onze jeugd indruk op ons maakt, maar dat we – om het met onze eigen woorden uit te drukken – de gezichten vergeten van degenen die rond onze wieg stonden geschaard. We vergeten nooit wie we als held uitverkiezen als we dertien jaar zijn, maar we zijn ons niet bewust van de voorbeelden die we met de moedermelk hebben ingezogen. Soms verraden die zich vanzelf.

‘Pentesilea’, het drama van Heinrich von Kleist – de Hermanslezer hoort hier natuurlijk op: op het eerste gezicht hebben we hier weer een van de raakpunten tussen Hermans en Goethe, ex negativo, zoals zo vaak. Dit wil zeggen, Hermans noemt Goethe niet, maar literatuurkenners als hij er een was leggen meteen een verband naar Goethes befaamde beoordeling van Kleists eerste stuk.

Volgens Willem Frederik Hermans was ‘Penthesilea’ een meesterwerk. In een brief aan de vertaler Grashoff dd. 13 juni 1956 noemt hij o.a. dat drama als bewijs voor Kleists grootheid: ’Bij de (vooral Franse) auteurs van superklasse vergat ik nog Heinrich von Kleist te noemen (Kohlhaas, Penthesileia)‘.[1]

Goethe had op de toezending van ‘Penthesilea’ door de nog onbekende Kleist in 1808 nogal koeltjes gereageerd. Hij schreef de auteur dat hij zich met het stuk ‘noch nicht befreunden’ kon.[2] Dat is hem door het nageslacht vaak kwalijk genomen. De commentator van de ‘Hamburger Ausgabe’ van de brieven citeert bijvoorbeeld een zekere Schlagdenhauffen die dit noemde: ‘une exécution des plus inexorables de Kleist.’[3]

Goethes scepsis vindt haar grond in zijn beoordeling van ‘Penthesilea‘ als te stationair, te arm aan handeling. Maar hij zegt ook: als Kleist ‘mit eben dem Naturell und Geschick eine wirkliche Aufgabe lösen (könnte) und eine Handlung vor unseren Augen und Sinnen sich entfalten lassen (…) so würde das für das deutsche Theater ein großes Geschenk sein‘[4].

Hoe vaak heeft Hermans niet gehamerd op het belang van de handeling en de noodzaak om de ideële inhoud duidelijk te maken aan de hand daarvan? Aangezien hij in het geval ‘Penthesilea’ Goethes (terechte) kritiek niet deelt, moeten we in 1956 wel uitgaan van onrijpheid van de jonge schrijver.

Afgezien van de ‘opbouwende’ kritiek die Goethe Kleist liet toekomen blijft er ook het feit dát hij, de Olympiër, de beginneling überhaupt een antwoord waardig keurde. Een eer die bijvoorbeeld Franz Schubert, die hem zijn eerstelingen en échte meesterwerken[5] stuurde, niet te beurt viel. Maar met Kleist meende hij het goed.

Getuige ‘Kanzler’ von Müller registreerde nog een uitval van Goethe tegen Hegels leerling Gustav Heinrich Hotho, die Kleist in een recensie onheus behandeld had: ‘Die Herren schaffen und künsteln sich neue Theorien, um ihre Mittelmäßigkeit für bedeutend ausgeben zu können’[6], zou hij naar aanleiding daarvan hebben gezegd.

Maar misschien was het allemaal… precies andersom: Kleist was bezeten door een ‘agonaler Eifer’ tegen Goethe[7], schrijft Katharina Mommsen in haar monografie ‘Kleists Kampf mit Goethe’ – waarvan alleen al de titel ook de Hermansliefhebber de oren zal doen spitsen. Volgens Mommsen was de jonge Kleist op een bepaald ogenblik zelfs van plan om Goethe tot een duel uit te dagen.[8] Kortom, er is sprake van een ‘musischer Agon’[9]. Kleist wil de oude Goethe niet alleen tot een duel uitdagen, hij drijft ook min of meer openlijk de spot met hem. Met name – voor de Hermanslezer ontbeert het deze aangelegenheid geenszins aan pikanterie – wil hij Goethes kleurenleer aan de kaak stellen![10] Ik wil mij hier niet inlaten met psychologische duidingen of identificaties, maar treffend is het in ieder geval.

Heinrich von Kleist is zeker iemand die op de jonge Hermans een invloed heeft uitgeoefend, Hermans heeft het herhaaldelijk bevestigd. Kleist is zelfs, samen met Theodor Storm, ‘de eerste grote literatuur’ die hij ontdekt heeft.[11]

Hermans vertrouwdheid met Kleist bleek ook in een BRT-(televisie)-uitzending van 10 maart 1982. Jef Lambrecht had de schrijver uitgenodigd om deel te nemen aan een forum voor de nabespreking van een Australische film, ‘Breaker Morant’. Het thema van die film was ‘de rechtvaardige oorlog’. Hermans brengt op een bepaald moment het gesprek op Heinrich von Kleist die een telg was uit een geslacht van Pruisische officieren. Hermans geeft blijk van een grote parate kennis over Kleist en spreekt bijvoorbeeld, kennelijk voor de vuist weg, over diens stuk ‘Prinz Friedrich von Homburg’ – die een officier was, en in welk stuk het over militaire kwesties gaat.

De opname van het panelgesprek komt niet voor op een lijst van archiefstukken met Hermans dat de VRT mij kon bezorgen. Ook de maker van het programma, Jef Lambrecht, meende tegenover mij dat de uitzending vrij onbekend is.

Overigens, over de handeling als motor… De post-literatuur is er vol van, we weten van handeling intussen niet meer waar blijven. Nietzsche herinnert eraan dat de motor van de tragedies van de grote Griekse tragici – of noemde hij alleen Aeschylos? – niet handeling is, maar pathos.

______________________________________________________

  1. Mededeling van Rob Delvigne aan mij op 26 december 2010. Met dank.
  2. Heinrich von Kleist: Penthesilea. Ein Trauerspiel. Stuttgart [Reclam] 2001. ‘Nachbemerkung’ p. 127. De brief van Goethe aan Kleist dateert van 1 februari 1808 (HA Briefe III, 64).
  3. HA Briefe III, 545.
  4. Aan Adam Müller, 20 augustus 1807. HA Briefe III, 52.
  5. Het gaat om de opusnummers één en twee, ‘Erlkönig’ en ‘Gretchen am Spinnrad’ (allebei op tekst van Goethe).
  6. Biedermann, Goethes Gespräche 3/2 p. 158.
  7. Katharina Mommsen: Kleists Kampf mit Goethe. Frankfurt am Main [Suhrkamp] 1979. P. 13.
  8. O.c., p. 39.
  9. O.c., p. 14.
  10. O.c., p. 88.
  11. Otterspeer, Biografie 1,104.

 

Hermans’ Klassiek (3.2)

 

 

Hier stond Hermans’ Klassiek  3.2., over het verhevene.

Het is ter bewerking teruggenomen en zal een plaats krijgen  in het door de uitgeverij Het Paradigma geplande boek Hermans’ Klassiek.

 

 

 

 

error: Kopij bescherming !!