Gerard Walschap Posts

Eigen aangelegenheden. Literatuur mag nog meer.

 

Ariadne (1814) Joh. Heinr. Dannecker, Liebieg-Haus, Frankfurt aM.

 

Lucas Mariën, 17 januari 2019.

Herzien: 3 februari 2019.

 

We hoeven onze lezers niet te vertellen dat het Paradigma vorige week onbereikbaar was – de moeilijkheden schijnen zich nu zelfs te herhalen. Dat spijt ons en we zouden ons verontschuldigen als niet ook wij die onbereikbaarheid gewoon hadden moeten ondergaan. Onze server in Berlijn speelde niet meer mee. Kennelijk was het een panne van grote omvang, waarbij duizenden sites betrokken waren. Deze gebeurtenissen hebben ons in ieder geval nog eens herinnerd aan de kwetsbaarheid van het internet. Van het ene moment op het andere waren we niet alleen blind en doof, maar ook stom en onzichtbaar.

Vanzelfsprekend zijn er in het begin ook vragen gerezen: was er sprake van sabotage door angstige vijanden? Speelde onze laatdunkendheid tegenover Nato, CIA of Opus Dei een rol? Waren de graven Lippens te Knokke en elders in paniek geschoten – we hadden toch alleen nog maar iets over graf Lippens I geschreven! Maar intussen was bekend geworden dat graf Lippens II buiten vervolging gesteld is, als grote baas van de Fortis-bank indertijd… Was het de angst voor Dikè, de godin van de orde en het recht?

Zolang deze website bestaat hebben we op de kwetsbaarheid van het medium geattendeerd en er voor gepleit dat de belangrijkste lezers zich bij ons zouden registreren (miss.ecologische.klassiek@kurtz.owncube.com). Aan hun duivenhok zul je ze herkennen, schreven we over de literatuurliefhebbers, die eerlang weer afhankelijk zullen zijn van de duivenpost om de literatuur te kunnen volgen.

De USA als folterstaat bijvoorbeeld, die te pas en te onpas veel minder schuldige landen de les leest… Maar in het internet is ook het ándere nieuws te vinden en niet alleen de sterkste vindt nog gehoor. De discrepantie tussen de schijn van officiële verhalen en de werkelijkheid springt in het oog. Het enige wat ze daar tot dusver op gevonden hebben is: negeren! Doen alsof dat wat duizenden, soms miljoenen mensen weten, gewoon niet bestaat. Blijven vasthouden aan doorzichtige leugenverhalen en de waarheid doodzwijgen. Maar de mensen zijn niet zó dom, en die houding is dan rampzalig voor je geloofwaardigheid. Er ontstaat een spanning tussen het verkondigde beeld van de werkelijkheid en de realiteit die op den duur ondraaglijk zal worden. Vandaar onze overtuiging dat het duivenmelkerschap de toekomst van de literatuurliefhebber is.

We willen de panne van vorige week (en van nu) aangrijpen om een paar dingen nog eens op een rijtje te zetten.

Het Paradigma is volledig onafhankelijk en heeft geen enkele band met partijen of belangengroepen. De enige leidraad is ons eigen inzicht en de eeuwige onveranderlijke wetten van de literatuur. De normen die ik erken vormen de inhoud zélf van het paradigma-begrip; het zijn geen uitvindingen of verzinsels van mij – het zijn dingen die ik blootleg. Foucault heeft het concept van archeologie van begrippen in de mode gebracht, maar het idee is ouder, heeft hij van Nietzsche.

Jean Baudrillard diagnosticeerde op een bijzonder prangende manier het valse, de leegheid en de holklinkendheid van de hele Westerse civilisatie, de civilisatie als spektakel, het betekenisloze en van belang gespeende van de meeste als artistiek bedoelde artefacten zelfs – en a fortiori van de hele post-literatuur. Maar als dát de heersende toestand is, hoe kun je dan iets tot stand brengen dat daar niet aan meedoet, daar niet toe behoort, iets dat niét ondergaat in de leegte, dat niet platvloers is a priori? Dat is de belangrijkste vraag voor iedere nieuwe kunst en literatuur: kan het echt niet anders dan dat je mee rondploetert in de modder van het gecommercialiseerde kunst- en literatuurbedrijf? De enig denkbare remedie is, je er met de middelen van de literatuur overheen te zetten en gewoon iets te schrijven dat zoveel mogelijk kwaliteiten gemeen heeft met de voorbeelden van de grote meesters – te meer omdat hedendaagse voortbrengselen over het algemeen futiel zijn. En analoog of digitaal of duivenpost, dat heeft dan verder nog maar weinig te betekenen. De traditie stelt een arsenaal van werktuigen ter beschikking waarmee de door Baudrillard geconstateerde toestand tekeer kan worden gegaan, de Europese kunst, van de Grieken tot Hermans. We staan weer op het punt waar Johann Joachim Winckelmann (”de grote Winckelmann”; W.F. Hermans) in 1755 stond:

‘Der einzige Weg für uns, groß, ja, wenn es möglich ist unnachahmlich zu werden, ist die Nachahmung der Alten.‘[1]  –  De enige manier voor ons om groot, ja zo mogelijk onnavolgbaar te worden, is de navolging van de ouden.

 

2

Ik ben er me van bewust dat dat verleden de jongste tijd in een kwaad daglicht wordt gesteld door sommige zg. literatuurwetenschappers en dat het zelfs als agressie beschreven wordt. De bekendste verguizer was Harold Bloom, die een boekje tegen de traditie schreef, ‘Anxiety of Influence’[2]. Bloom weet niet wat literatuur is, haspelt literaire en niet-literaire teksten door elkaar, gebruikt derderangse voorbeelden om zijn theorieën op te bouwen en is een bedrieger. Hij is zo ingenomen met zijn eigen ‘anxiety of influence’ dat hij zich openlijk verwonderd toont over Goethes ‘bevreemdend optimistische weigering om het literaire verleden te zien als in de eerste plaats een hindernis voor nieuwe creatie’ (Anxiety, p. 50). Niet verkeerd in deze bewering is dat Goethe het verleden niet als obstakel beschouwde. Hij prees het juist en was er dankbaar voor. Bloom vergeet dat dan trouwens meteen weer, om een paar bladzijden verderop leugenachtig te beweren dat Goethe zelf ‘verteerd schijnt te zijn van de “anxiety of influence”’ (p. 60).

Bloom was een tekstvervalser en een lasteraar. In een aparte bijdrage maak ik een kort aanhangsel bij deze tekst over de échte mening van Goethe over invloed en die van nog een paar anderen die in tegenstelling tot Bloom gewicht hebben. Overal bij Bloom schemert de rancune tegen het Europese patrimonium door. Hij past in de sfeer van neo-cons en postmodernen. Trefwoorden: Congress of Cultural Freedom, CIA, Rockefeller-stichting…  Einde van de kritiek, esthetisch populisme.

Plus de aloude rancune tegen Europa. Zij ervaren traditie als agressie die in werkelijkheid nijd is. Amerikanen hebben zelf geen traditie behalve moord en folteringen, het ontketenen van oorlogen en staatsgrepen, het leegplunderen van landen – de belangrijkste reden waarom ze Poetin zo haten, dat die daar althans in Rusland een einde aan heeft gemaakt – afgezien nog van het feit dat Rusland een Europees land is dat in tegenstelling tot de VS een belangrijke literatuur heeft, een niet te verwaarlozen muzikaal patrimonium en bovendien nog schilders als Kandinsky heeft voortgebracht – om alleen deze baanbreker te noemen. Tenslotte nog vermeldenswaard als Amerikaanse prestatie: het overeind houden van satellieten die hun qua misdadigheid nog naar de kroon steken.

Charles Baudelaire bedoelde het ongetwijfeld als de allerergste belediging waartoe zijn dichterlijk genie hem in staat stelde, toen hij de Verenigde Staten noemde: het België van het Westen. Grotere schande was in zijn ogen kennelijk niet denkbaar.

3

De opgave voor Europese schrijvers is intussen, de literatuur los te peuteren uit het kluwen van gezwets en bedrog en terug te gaan naar de traditie, naar een traditie van ándere moderniteit. Al in de negentiende eeuw wordt Goethes stijl door scherpziende geesten als Nietzsche begrepen als het vooruit-schijnen van zo’n ándere moderniteit. Lang vóór ik Goethe beter begon te kennen was ik me al bewust geworden van de eenzame classiciteit van Hermans – én van de Adelaar van Londerzeel, Gerard Walschap, die zijn meesterschap wist te verwerven en door te zetten in een uitermate achterlijke, bijgelovige en vijandige omgeving. Zijn muze moest zich, meer nog dan die van schrijvers in normale landen, handhaven op de rug van een gevaarlijke tijger, maar hij heeft geen grote fouten gemaakt, deze geweldige en in de geschiedenis van Huichelarije sinds de val van Antwerpen eenmalige held.

Niet dat ik geloof dat een schrijver per se een voorbeeld van iets moet wezen, behalve dan van stijl.

4

Er gaat geen dag voorbij of er wordt om censuur van het internet geroepen. Pornografen, stalkers, haatpredikers, Russen, trollen, verspreiders van complottheorieën bedreigen immers de door het Westen zo fijn gemaakte wereld. De complottheorieën vooral, die helpen als argument tegen alles. Ze zijn tegelijk de aspirine en de klisteerspuit van de wonderdokters van de gediskrediteerde mainstream. Het eigenlijke probleem van deze grote geesten is dat, dank zij het internet, letterlijk iedereen nu deel kan nemen aan het debat, en niet langer alleen uitgeselecteerde, door tal van carrièrefilters gesijpelde hoernalisten – om niet te vergeten de ingebedde schrijvers van de post-literatuur. Te midden van de oceanen van eigenlijke cafépraat valt de als intellectueel gecamoefleerde oneigenlijke niet meer op.

Maar door dat dagelijkse gejammer en het constante formuleren van voorwendsels voor censuur wordt het begrip zelf van de vrije meningsuiting aangetast. Daarom nog eens in alle duidelijkheid: vrije meningsuiting is vrij. Literatuur mag alles. Al die verboden, censuurregels, die intussen bijna overal in Europa bestaan, gelden NIET voor de literatuur en moeten weg – als het echt een democratie is, die gewenst wordt. Er is geen enkele beperking naar de inhoud. Alleen de literaire grammatica is van tel. De schrijver is autonoom.

Bijvoorbeeld heb ik iets gelezen over Frankrijk. Het uitmoorden van de Armeniërs in het begin van de twintigste eeuw, dat moet je daar volkerenmoord noemen. Afgezien van logische en kentheoretische vragen bij zulke veralgemenende termen staat altijd de vraag op de voorgrond: als ik dat doe, klopt het ritme van mijn tekst dan nog, de melodie van mijn zin, de te verwachten rimpels in het voorhoofd van lezers of de glimlach op de lippen van… kan ik die met zulke zin te voorschijn toveren. Dat is het, waar het om gaat, er bestaan geen andere literaire problemen.

Geen enkele schrijver heeft tijd genoeg om zich bezig te houden met wat politici denken dat verboden zou moeten zijn.

Af en toe moet ik met Tartufistaanse toestanden vertrouwde mensen vragen: weet je of dit of dat verboden is in het koninkrijk waarvan we de naam niet zullen noemen?

Als het verboden is, maak ik meteen een aantekening dat ik het beslist ergens moet zeggen.

Het niet-zeggen zou erkenning impliceren van zeggenschap van het banale en vulgaire over wat er in de literatuur geschiedt. Het zou misdadig zijn tegenover de kunst.

Ook dat is literatuur: zeggen wat niet mag.

Dat wil niet zeggen dat de schrijver zich zo moet gedragen dat hij meteen de gevangenis in gaat – al kan ook dat nodig zijn.

Hij moet wat verboden is zeggen, maar niet zonder daarbij strategisch te denken.

De traditie doet ons alle nodige middelen aan de hand, ze zijn legio. Desnoods zelfs… Duivenpost is niet de eerste keuze – maar een mogelijkheid is het.

Blijft u op de hoogte, registreer u, word voor ons bereikbaar.

Het adagium van Walschap dat ik ook elders al gebruikt heb: Schrijven wat iedereen weet, maar niemand schrijft. Goethe noemde onder meer dát het openbare geheim, het Öffentliche Geheimnis, waarmee hij werkte en waarvan hij zich nogal wat voorstelde.

5

Vooral in Huichelarije is het ook nodig te demonstreren wat literatuur eigenlijk is. Dat het NIET is: dat zielig conglomeraat van hoernalisten, professoren en pastoors en hunlieden zompig gezwets en kliederig gesop – van Verschaeve tot Hugo Claus. Er is geen traditie, alleen een paar uitschieters, op één hand te tellen in een stroom van niets, een hele geschiedenis van onderdrukking en verbod, van de uitroeiïng van de rederijkers tot de vervolging van Walschap.

Tartufistan is Amerika in het hartje van Europa.

Blijft u ons welgezind.

 

_________________________________

 

  1. Johann Joachim Winckelmann: Gedanken über die Nachahmung der griechischen Werke in der Malerei und Bildhauerkunst [1755]. Stuttgart [Reclam] 1995. p. 4.
  2. Harold Bloom: The Anxiety of Influence. New York [Oxford University Press] 1973.

Huichelarijse “intellectuelen” en hun charlatan.

 

 

september 2011

Coralie Coloratuur & Lucas Mariën

 

In zijn ‘Traktaat van het alsof’, de inleiding tot ‘Alle lust wil eeuwigheid’, behandelt Lucas Mariën de waardering voor Hugo Claus in Huichelarije als symptoom van de corruptie in het ‘literaire’ leven daar. Hij verwijst naar een bijdrage over Claus op deze website. En hier volgt die dan, de tweede vakantiebijdrage van Het Paradigma dit jaar. We maken ze, in tegenstelling tot de aanvankelijke bedoeling, toch toegankelijk voor álle lezers. Dus niet alleen voor de trouwe, geregistreerde. Dat heeft te maken met het feit dat alle lezers van Lucas’ boek natuurlijk moeten kunnen nakijken waarnaar hij verwijst, maar ook met het feit dat een vroegere versie van deze tekst, ‘‘Hermans’ ongeschreven stuk over Hugo Claus’, al gepubliceerd was: in het Hermans-magazine jg. 20 nr. 80 van september 2011. Dit is een bewerkte en uitgebreide versie daarvan.

Toch willen we ook nog eens herinneren aan ons streven naar een elite van geregistreerde lezers. Er kwamen weliswaar optimistische reacties uit het IT-milieu naar aanleiding van Lucas’ uitspraak dat de toekomst van de literatuur het duivenhok is. Cfr. https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/06/interview-3/

Zo’n vaart zou het niet lopen, klonk het van die kant – het is wel duidelijk dat de internetgeneratie zich een wereld zonder internet niet meer kan voorstellen. Ze blijft ervan overtuigd dat er virtuele ruimtes bestaan die zich aan iedere controle van buitenaf onttrekken.

Toen de website van ‘Linksunten-Indymedia’ kortgeleden in Duitsland verboden werd, reageerden de uitgevers meteen door onder een andere naam opnieuw te beginnen. ‘De cyberspace valt buiten jullie bevoegdheid,’ lieten ze de overheid weten, ‘geloof maar niet dat jullie die vorm kunnen geven. Jullie kunnen het niét. Jullie kennen noch ons, noch onze wereld.’ De overtuiging dat er in de diepten van de ether ruimtes bestaan waar zij alleen het voor het zeggen hebben.

Als uitgeefster herinner ik me een citaat dat Lucas in zijn ‘Traktaat’ gebruikt: ‘De overheid kan een omheining zetten rond het grondgebied van de kunst,’ zegt Schiller, ‘maar ze kan in dat gebied niet heersen.’ Ik weet ook dat Lucas zoekt naar samenwerking met IT-mensen, om samen literaire vormen te ontwikkelen die zich eventueel helemaal in de ether kunnen terugtrekken. Maar altijd zal er daarbij een beroep moeten kunnen worden gedaan op een elite van lezers die in ’bepaalde omstandigheden’ voor de schrijver bereikbaar is.

De machthebbers kunnen zich geen vrije kunst veroorloven, zich geen vrij internet permitteren. Nog maar pas geleden overwoog president Trump om het internet gewoon af te zetten en twitterde: ‘Loser terrorists must be dealt with in a much tougher manner. The internet is their main recruitment tool which we must cut off & use better.’ Trumptwitter, 15 september 2017, 12.48u.

Dan toch nog – als allerlaatste toevlucht – het duivenhok?

Op alles voorbereid wezen!

Hier volgt de tekst over Claus.

 

1

‘Hoe zit het eigenlijk met de literatuur in Vlaanderen?’

Recorder, notities, camera, alles ingepakt. Dan komt die vraag. Willem Frederik Hermans’ bezoeker antwoordt dat zoiets als literatuur in Vlaanderen eigenlijk niet bestaat. Hugo Claus is alles wat de klok slaat, maar die bestendigt dat achterlijke literatuur-begrip. Hoewel, er bestaat eigenlijk ook niet zoiets als een ‘begrip’, ze klooien maar aan.

Of de bezoeker wel weet, vraagt Hermans – hij is in een ‘waarlijk kolossale’ boekwinkel geweest, in München[1]. Weet u welke Vlaamse schrijver daar nog steeds in de rekken staat?

‘Ik heb pas iets gelezen… dat Ivo Michiels vertaald is?’

Michiels, nee, zegt Hermans, dat is onbelangrijk, die was het niet. En dan noemt hij een auteur die een lieveling was van de nazi’s.

De bezoeker heeft, niettegenstaande hij Onvlaming is, het gevoel zich te moeten verdedigen. Hij spreekt over völkische schrijvers: Dat de nazi’s een probleem hadden toen ze aan de macht kwamen.[2] Ze konden niets aanvangen met de literatuur van dat moment en ze gingen op zoek naar vervanging, o.a. in het buitenland.[3] Ze vonden nergens zo veel ‘literatuur’ in hun zin, zoveel ’volksche literatuur’ vol ploegende boeren, sneuvelende soldaten en zogende moeders als in Vlaanderen: Claes, De Pillecyn, Streuvels, Timmermans, Moens, Verschaeve…

De collaboratie, daar gaat toch die nieuwe roman van Hugo Claus over, zegt Hermans dan. Het verdriet van België heet die toch? U weet dat ik dezelfde uitgever heb als Claus. Ik kreeg dat boek toegestopt. Eindelijk Claus’ magnum opus. Dat zou mij wel een hogere dunk van hem doen krijgen.

Dus Hermans voelde zich verplicht… en hij heeft ook geprobeerd dat te lezen, maar is daar niet in geslaagd. (Het is dus niét waar dat Hermans dat boek niet wilde lezen, zoals Freddy de Vree schrijft.[4]) Het opvallendste kenmerk van Het Verdriet is dat het zo geweldig dik is, oppert Hermans. Deze opmerking wordt, wat nadrukkelijk, nog eens herhaald. Zoals de uitspraak dat Claus een ‘erg aardige man is’, telkens als hij naar hem gevraagd wordt.

Claus, dat is na Michiels de tweede vriend van De Vree die een veeg uit de pan krijgt. De Vree omzwachtelt die aversie: Hermans ‘herkauwde’ steeds maar dat Claus een epigoon van Faulkner was, schrijft hij[5]. Volgens hem is dat een ‘clichématige, slappe grap’. Maar het lijdt geen twijfel wie er wordt bedoeld in Hermans’ Dinky Toy over ‘Vlaanderens snelste imitator’[6].

 

2

Er zijn in literaire aangelegenheden veel meningen die geen belang hebben; enkele zijn van tel. Tot de laatsten behoorde zonder twijfel die van Gerard Walschap, een van de Grote Drie. En Walschap had een allesbehalve hoge dunk van Claus, die volgens hem was: ‘een buitengewoon begaafde, bliksems handige auteur, maar niet meer dan een groot virtuoos’.[7] Het verschil tussen de artiest en de kunstenaar, de plaats – om Rilke te parafraseren – van het ‘moeizame nergens’, waar het ‘reine te weinig vaak omkiepert in het zuivere teveel’.

Een imitator, had Hermans geschreven, maar dat handige van die virtuoos was ook hem niet ontgaan. Op 7 maart 1961 schrijft hij aan Gust Gils: ‘Zijn (dit is Claus’; LM) succes schuilt geloof ik, in een bepaald soort handige ontwapenendheid.’[8]

Walschap werd natuurlijk ook vaak gevraagd naar zijn mening over Claus. Diens gedichten worden vaak beschouwd als het sterkste deel van zijn werk. Maar Walschap wilde er niet aan: ’Ik heb er mij met beleefde manieren van afgemaakt, maar ofwel verstond ik ze (= die gedichten; LM) niet, ofwel vond ik er geen substantie in. Literatuur, maakwerk, geen menselijke mededeling, geen poëzie. Ik deed nochtans mijn uiterste best.’[9]

Pas de hoogbejaarde Walschap zal in 1983 – hijzelf is dan vijfentachtig – verkondigen dat hij zich ’tot dan toe in Claus vergist heeft’[10]. We houden vast: tot dan toe, de voorbije 25 jaar, heeft hij over Claus een negatief oordeel gehad. En zijn radicale ommekeer vindt zijn oorsprong in Claus’ nieuwe roman ‘Het verdriet van België’.

Seniel was hij niet, de vijfentachtigjarige, maar een zekere gevoeligheid zal wel een rol hebben gespeeld: hij was getraumatiseerd door de gebeurtenissen tijdens de epuratie en de repressie na de oorlog. Hij en zijn gezin waren toen bedreigd door helden van het maçonniek-socialistisch-marxistisch complex die in die troebele tijden de kans schoon zagen om nog eens even misdadig op te treden als in 1830, bij de putsch die Tartufistan deed ontstaan, de Satire op het Volk. Geen van beide criminele episodes is ooit opgehelderd, laat staan verwerkt.

 

3

Bij bezoeken van Hermans in België is er na de periode dat ze allemaal nog bij Gust Gils op bezoek gingen, na pakweg 1970, nergens meer sprake van Claus. Hoewel hij bij De Vree kind aan huis was, schijnt hij van de aardbodem te verdwijnen telkens als Hermans Belgische bodem betreedt. Etentjes, uitstapjes… maar Claus is nergens te bekennen. Er bestaan ook geen foto’s van die twee samen. Het lijkt wel of De Vree de ene voor de andere verborgen moest houden als een maîtresse voor een echtgenote. In gesprekken tussen Hermans en De Vree komt Hugo Claus niet ter sprake. Er is een opname van een gesprek dat helemaal aan poëzie gewijd is, waarin zelfs Remco Campert ter sprake komt – maar geen Claus.

Een schizofrene vriendschap. Dat moet aanleiding hebben gegeven tot loyaliteitsconflicten. Voor De Vree, maar voor Hermans wellicht ook: Hij valt Claus nooit echt aan, alleen binnensmonds, of zonder zijn naam te noemen, zoals in de geciteerde Dinky Toy. Alsof hij aan autocensuur doet.

Maar naarmate hij meer contact heeft met België nemen de sneren toe, vooral in interviews, als een onweer dat in de verte rommelt.

Claus ergert Hermans.

 

4

Ten opzichte van baanbrekers als Van Ostaijen en Walschap is Claus een stap terug, een regressie. Van Ostaijen en Walschap willen uit het isolement, een einde maken aan de knevelarij van het klerikalisme. Hermans was zeer goed op de hoogte van die toestanden, al maakte hij sommige bezoekers ook duidelijk dat hij op bepaalde aspecten niet te diep wilde ingaan. Ten opzichte van de normen, de verworvenheden die in de Europese literatuur en ook in Nederland vanzelfsprekend standaard zijn – of waren? – is Claus een stap terug.

Hij wou wel, Claus, en hij heeft geprobeerd tot zowat 1980. Dan komt, in Het Verdriet van België, de völkische stroming, die na de oorlog erg aangeslagen was, opnieuw aan de oppervlakte in de osmose van crypto-katholiek, mei ’68 en postmodernisme, het eigenlijke völkische substraat waarop het Vlaamse schrifttum groeit.

Het gaat in dat boek niet toevallig over de collaboratie. De teneur is dat er weinig zwart of wit was, maar vooral veel grijs. Individuen hebben fouten gemaakt, maar ze zijn soms ook dapper geweest. Wat volledig buiten spel blijft, is dat substraat. Van Ostaijen en Walschap staan voor een breuk met de feodaliteit (cfr. het ‘Traktaat van het alsof’), Claus voor een aanpassing daaraan. Zijn boek is niet alleen esthetisch en formeel troep, het is ook nog vals.

De katholieken waren er geweldig blij mee.

Het vergoelijkende erin maakte grotendeels een einde aan onuitgesproken, onderdrukte verwijten – in Nederland trouwens ook uitgesproken, o.a. door Gaby in Hermans’ Tranen der Acacia’s: ‘De Vlamingen zijn allemaal katholiek en inciviek.’[11] Geweldig pijnlijk voor dit volksdeel, maar nu heeft dus een vooraanstaande schrijver, van vrijzinnigen huize nog wel, in een tweemaal heel dik boek betoogd dat het niet zo erg was. Nagenoeg een absolutie.

 

5

Iedere wind die Claus voortaan nog liet, werd met diepzinnige aandacht beroken, met honing overgoten en in een kastje gezet. Het Verdriet bewerkstelligt de kritiekloze harmonie tussen Vlaanderen en zijn nationale schrijver. Dat is al genoeg om voortaan te kunnen zeggen dat zijn werk geen literatuur meer is. Het geval Claus is er alleen nog een van openlijk literair charlatanisme. Hij wordt een pasja die alleen nog bewierookt wordt. Maar dan wel zoals een afgodsbeeld de offers om zich heen verzamelt, die voor de ware god (…) zijn bestemd[12]. Om de schijn te redden murmelt hij af en toe cynisch dat België nu eenmaal een corrupt land is, maar wat wil je. De katholieke restrictie – ik verwijs hiervoor nog eens naar het ‘Traktaat van het alsof’. Kort gezegd behelst de katholieke restrictie dat oppervlakkige kritiek op prijs wordt gesteld omdat ze de schijn van democratie, openheid en tolerantie wekt – en zolang ze maar niet de machtsvraag stelt.

 

6

Ieder jaar wordt voortaan ook de komedie opgevoerd dat Claus wellicht de Nobelprijs zou krijgen, wie weet. Al wie ook maar een beetje verstand van zaken heeft weet dan dat dat nooit zal gebeuren. In een opzienbarende TV-uitzending kraakte de (laatste) wereldberoemde literatuurcriticus, Marcel Reich-Ranicki, die écht invloed had en een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de toekenning van sommige nobelprijzen, Hugo Claus af als erbärmliche Literatur.[13] Reich-Ranicki moet een boek van Claus bespreken in zijn beroemde uitzending ‘Das literarische Quartett’. Hij laat duidelijk merken dat dat boek hem opgedrongen is. Zegt ronduit: ‘We zouden het hier niet bespreken als het niet van een Vlaamse auteur afkomstig was.’ M.a.w. die Vlamingen zijn een soort beschermde diersoort waaraan we normaal geen aandacht zouden besteden, maar die nu eenmaal doordat ze beschermd zijn een bijzondere status genieten.

Claus is een kandidaat voor de Nobelprijs, vertelt Reich-Ranicki, en ‘er wordt enorm veel reclame voor hem gemaakt’. Hij begrijpt niet waarom ze uitgerekend die hansworst voordragen: ‘Vielleicht hat die ganze flämische Literatur dieses erbärmliche Niveau.’ Opdat deze pointe echt niemand zou ontgaan: ‘Misschien heeft de hele Vlaamse literatuur dit erbarmelijke niveau.’

 

7

Wie zorgt ervoor dat zo’n Claus dan wordt doorgedrukt, niettegenstaande de bezwaren van capaciteiten als Walschap en Hermans? Hoe gaat dat in z’n werk, dat bepaalde schrijvers tegen alles in worden doorgebokst? Dat er bij de dood van kunstenmaker Claus een in memoriam verschijnt in The Guardian? Besproken worden in het Literarische Quartett – dat kregen zelfs grote Duitse uitgevers niet zo maar voor elkaar. En dan nog tegen de wil van Reich-Ranicki!De reclame voor Claus waarover die trouwens sprak, kende een hoogtepunt in 1996. Het begon al in de kersttijd 1995, toen Arte meende een hele televisie-avond aan hem te moeten wijden. Der Spiegel[14] omzwachtelt in zijn aankondiging van die avond de waarheid op een manier die doet denken aan dat tweemaal ‘heel dikke boek’ en die ‘aardige man’ van Hermans. Dat is typisch voor Duitsers van de oudere generatie (vooral), het blijkt telkens ook weer bij lekkende kerncentrales, schandalen met vergiftigde eieren, aanfluitingen van justitie die zo flagrant zijn dat ze de internationale pers halen… Dat dus die Duitsers tegenover Tartufistan buitengewoon toegevend en genereus zijn. Dat heeft te maken met die twee wereldoorlogen. Maar die toegevendheid vestigt juist de aandacht op de ware toedracht. ‘Claus verheft zich nergens,’ schrijft Der Spiegel, ‘met een hoge epische vlucht boven de bekrompenheid van de kleinburgerij.’ De verfilmer van zijn boek stond voor de ‘eigenlijk onoplosbare taak, deze collage filmisch te vertellen’. De film ‘verlangt van de kijker een zeker geduld’’ – een hoffelijke manier om te zeggen dat het vervelend is. Tenslotte wordt er nog een tweede op Claus’ werk gebaseerde film vertoond, wat Der Spiegel doet verzuchten: ‘Arte is onverbiddelijk grondig.’ 

Der Spiegel, nr. 51/18-12-95

De vraag was dus: waar komt dat promoten vandaan? Promoten van wat eigenlijk onverkoopbaar was, wat verstandiger mensen ook in de Huichelarije wel wisten. Claus op Arte, in de Guardian, in het Literarische Quartett – dat komt door een aanzienlijk hogere macht dan die van bijvoorbeeld Frank Hellemaalniets, die na een viertalige dichtbundel en een roman over een verblijf in de USA nu onbenullige stukjes schrijft in het Weekblad Waarvan de Naam aan Uitwerpselen Doet Denken. Maar die toch steeds even obscuur blijft.We zullen er vandaag niet uit komen, maar als er iets zou bestaan als een kritisch discours over literatuur, dan zou dat precies zulke vragen stellen.

 

8

Claus bestendigde het achterlijke literatuurtheoretische concept dat in Huichelarije de plak zwaait. Hermans heeft dat vanzelfsprekend begrepen. Op grond van de positie die Claus door reclame en gekonkel had ingenomen bepaalde hij het beeld van de literatuur in een cultuurloos land zonder literaire traditie. Hoeveel mensen heb ik horen zeggen dat ze wel geprobeerd hadden hem te lezen, maar – dezelfde reactie als Hermans – er niet toe in staat waren. Niet zelden werd daaraan verbonden de conclusie dat literatuur eigenlijk niets voor hen was.

De hardste roepers over drempelverlaging zijn dikwijls de eigenlijke elitaire vervreemders.

Voor Claus was literatuur de kaas waarin hij de made was. Hermans wilde zijn kaas verkoopbaar houden. Hij heeft er voor gevochten om zijn opvatting van wat literatuur is ingang te doen vinden. Voor hem mag die niet worden gedefinieerd door buitenstaanders.

Dit staat lijnrecht tegenover de opvatting van de mensen aan wie Claus zich had verkocht, frontaal tegenover de scholastische, thomistische voordenkers van de katholieke universiteit van Leuven. Het gaat om wat literatuur is, om definitiemacht, om dat onvertaalbare woord Deutungshoheit, de ‘soevereiniteit over interpretaties’.

Hermans heeft nieuwe standaarden geschapen waaraan alle anderen gemeten zullen worden – de wetgever uit de Kritik der Urteilskraft. Claus was de eerste op grote schaal agerende literaire simulant van ‘links’, een soort Verschaeve van de ‘progressieven’. Toen hij jong was heeft hij nog wel geprobeerd om iets te zeggen, spijkers met koppen te slaan, maar hij kón het niet.

Het ‘Verdriet’ is zijn definitieve capitulatie en het is in de grond de weerspiegeling van een heel oeuvre: een hoop troep. Een bende waaruit je met goede wil ook een paar redelijke gedichten kunt vissen maar geen verhaal, geen roman… Als op een rommelmarkt – wie zin heeft kan beginnen zoeken.

Hij was een schrijver die door zijn onaanvechtbare positie in staat zou zijn geweest om iets te verzetten, maar die het niet gedaan heeft – en die misschien juist daarom zo prominent is geworden, ongevreesd als hij was. Hij droeg bij tot het heersende caricaturale beeld van de schrijver en de literatuur, Waarschijnlijk was dát de eigenlijke reden dat hij Hermans ergerde.

 

9

Het tweemaal dikke boek van Claus is vormeloos als een overspannen worst die alleen maar gevuld is met zemelen en broodkruim. Het is geschreven in een protserige, pompeuze kunsttaal waarvan de kunst herinnert aan kandelaars van met kwik behandeld glas dat zilver moet voorstellen: het is glitter. Als het een vorm zou hebben, dan maakt die zichzelf onzichtbaar door het oeverloze. Het boek is gezwollen als een cirrose-lever, maar bovendien is alles vaag, nooit precies, laat staan puntig, geïnspireerd, ontroerend of amusant. Het hele ding is compleet stijlloos.

Als het hoogste esthetische genot er precies in bestaat stijl te herkennen, stijl waar te nemen, dan is het complete ontbreken daarvan een garantie voor verveling.

Tenslotte is het boek politiek onoordeelkundig, laf, zijïg… Ook in dat opzicht bestendigt het de status-quo.

Het opgeblazen gedoe om van Hugo Claus een schrijver te maken was ongeveer hetzelfde als Frank Hellemaalniets in een zwembroek te laten optreden en erbij vertellen dat hij een Griekse atleet van Praxiteles is.

 

10

Er was geen eigenlijke kritiek.In Huichelarije is kritiek een vertoning, is evenzeer simulatie als al het andere, is even corrupt als bijvoorbeeld de Huichelarijse justitie. Je zou kunnen zeggen dat de justitie corrupt moét zijn als de hele culturele context zo verloederd is. Het gaat de deelnemers eraan niet zozeer om toename van kennis, dan om te demonstreren dat ze erbij horen, dat ze de hiërarchieën in de meute respecteren en bevestigen en aldus aanspraak maken op een eigen plaatsje.

Suffige professoren van socialistische signatuur die er sedert decennia niet in slagen Walschap en Van Ostaijen te recipiëren, hoernalisten die een gelegenheid zoeken om bij iemand in bed te kruipen, mutatis mutandis gekropen te wórden als in het geval Herman de Coninck – en algemeen bekende schertsfiguren als Marc Reynebeau worden niet te gering geacht om er aan deel te nemen en voor criticus door te gaan.

Er moet een proces van de kritiek worden gemaakt.

Ze hebben geen normen, geen traditie, geen principes, geen onderwijs genoten, geen wijsgerig fundament. Ze doen maar wat en denken dat ze hun geleerde plicht vervullen als ze af en toe het woord ‘transcendentaal’ zeggen. Hun kritiek is wezenlijk romantisch zoals de hele ingebedde ‘literatuur’– is in wezen klerikaal, zonder dat ze dat zelf beseffen. Ook hier wordt dieper ingegaan in het ‘Traktaat van het alsof’.

 

11

Die hele vertoning moet nu volhouden dat ze gelijk hebben gehad, de zwoegers aan die boeken over Claus. Met Verschaeve heeft dat vijftig jaar geduurd, alvorens openlijk gezegd kon worden dat die géén nieuwe Goethe was – zoals o.a. Dr. Joseph Goebbels had aangenomen.

Na vijftig jaar was de geestdrift bekoeld, de aanbidders verstomd, geleidelijk uitgestorven.

Maar toen hadden ze al lang een andere charlatan. En kritiek was er nóg niet.

 

 


  1. Boekhandel Hugendubel. VW 13, 514-518.
  2. „Mit dieser [d.i. hun eigen, nationaal-socialistische] Literatur ließ sich der geistige Haushalt des von den Nationalsozialisten erstrebten Dritten Reiches nicht bestreiten.” (Werner Mittenzwei. Der Untergang einer Akademie. Der Einfluß der nationalkonservativen Dichter aan der Preußischen Akademie der Künste 1918 bis 1947. Berlijn en Weimar [Aufbau] 1992. p. 215 e.v.
  3. ‚Aus ureigenen Quellen floß da kaum etwas, aber es floß ihm aus den verschiedensten Richtungen ungeheuer viel zu.‘ Werner Mittenzwei. Der Untergang einer Akademie. Der Einfluß der nationalkonservativen Dichter an der Preußischen Akademie der Künste 1918 bis 1947. Berlijn/Weimar 1992. p. 286.
  4. Freddy de Vree: De aardigste man ter wereld, p. 77. Ook op p. 300 van dit boek minimaliseert De Vree de bezwaren van Hermans, alsof het Hermans om een paar regels uit het stuk ‘Jessica’ te doen zou zijn geweest. Misschien moet ik hierop ooit eens terugkomen.
  5. Ibid.
  6. VW 11, 832.
  7. Gerard Walschap, Brieven III. Amsterdam-Antwerpen 2002. P. 80.
  8. Briefwisseling Gils-Hermans in het AMVC.
  9. Walschap, Brieven III, 310.
  10. Walschap Brieven III, 579.
  11. W.F. Hermans: VW 1, 575.
  12. W.F. Hermans: Uit talloos veel miljoenen, p. 205.
  13. Tweede Duits televisienet (ZDF), 16 augustus 1996.
  14. Der Spiegel, nr. 51/18-12-95. Televisieprogramma’s.

 

Gerard Walschap, Van Eycks Madonna en de optredende kus (1).

 

 

De inrichting van ons detectivebureau.

 

Februari 2017. Coralie Coloratuur.

 

 

“Ook hier treedt de kus weer op.”

(Elke Brems, 212)

  

 

1

Ik had wel eerder terug willen zijn.

Oponthoud gehad in Napels, doordat ik onverwacht tijdelijk verloofd raakte met een prachtige Napolitaan die bij nader inzien toch tegenviel, vooral zijn moeder. Die wist namelijk geen geestdrift op te brengen voor een beeldige oranje bruidsjurk die ik in een boetiek in Rome gezien had. Daar had ik voor een college van kardinalen een voordracht gegeven – ik bedoel in Rome, niet in die boetiek natuurlijk.

En opspelen dat mamma mia deed, dat ze geen schoondochter wou hebben ‘die er bijloopt als een sinaasappel’! Het spreekt vanzelf dat het me verschrikkelijk veel moeite kostte om ons vorstenhuis niet meteen te wreken en dat wijf te merken met mijn nagels, Oranjegezind als ik ben, en ik hoop van onze lezers hetzelfde.

 

Intussen stapelen de dingen waarover ik moet schrijven zich op.

 

Misschien kan ik later nog eens terugkomen op mijn Italiaanse avonturen. Op dit moment moet het volstaan… mijn taak is zo gigantisch dat ik wellicht onbewust teruggeschrokken ben en langer verloofd bleef dan strikt nodig was geweest. Die schoonmoeder wou er namelijk ook een kerkdienst bij hebben; meer dan een abate werd op me afgestuurd om me theologisch voor te bereiden op een christelijk huwelijk. Onze trouwe lezers zullen al een voorgevoel hebben, hoe ik die abates zélf met de mond vol tanden deed staan en geloofscrisissen uitlokte. Waar beginnen we dus mee?

 

2

Bij het opzetten van deze website zijn we ervan uitgegaan dat er meer licht in de zaak van de Rechtvaardige Rechters kan worden gebracht met behulp van historische semantiek en recontextualisering. Dat is vergelijkbaar met wat detectives doen in films: ergens in hun hoofdkwartier hebben ze een muur of een groot bord waarop ze de foto’s hangen van het slachtoffer en zijn entourage, maar ook van verdachten, firma’s, gebouwen, auto’s enzovoort. Met een dikke viltstift schrijven ze er hier en daar een naam bij, of een trefwoord. De veronderstelde motieven van de daad… Naarmate het onderzoek vordert, kunnen er verbindingslijnen tussen de individuen worden getrokken en er ontstaat een web, een netwerk. Verwijzingen, parallellen, verbanden; naarmate het weefsel dichter wordt krijgen de speurders een beter inzicht in de verhoudingen.

Ik ben van plan te gelegener tijd nader in te gaan op deze manier van werken, maar ik heb de indruk dat het medium, de webstek dus, zich minder leent tot diepgravende theoretische beschouwingen. Mijn essay in verband daarmee zal dan ook in boekvorm verschijnen, tenminste als het leed dat mij ten gevolge van die voorbije verloving nog bedrukt wat meer geleden is.

 

3

Op ons detectivebord kunnen we lijnen trekken van de Rechtvaardige Rechters – naar Van Eyck vanzelfsprekend – maar ook naar Gerard Walschap. Er is een complex Rechtvaardige Rechters – Van Eyck – Dürer, maar ook een Van Eyck – Walschap – Goethe – Kafka. En Walschap – kardinaal Mercier als Opperste Rechtvaardige Rechter.

 

We zien foto’s van personen en we maken er personages van. We zien personages op het beeldscherm verschijnen, maar wij moeten proberen het scenario te reconstrueren, de tekst waarnaar ze spelen. We zijn als taalgeleerden bij een tot dusver onbekende volksstam: we horen klanken, maar de grammatica en het woordenboek van de onbekende taal moeten wij daar nog uit afleiden. Een man komt een kamer binnen waar een besmeurde zware kandelaar op de vloer ligt. Als we dan achterhalen dat dit personage een politieman is en dat achter het bureau ook nog een dode ligt, dan kunnen we zelf al enkele gevolgtrekkingen maken.

 

Dat is bijvoorbeeld ook wat Lucas aan het doen is met Walschaps roman ‘Sibylle’, die een grote rol zal spelen in de volgende afleveringen van deze bijdrage. In die roman heeft Walschap op een moment van uiterste nood en angst voor de existentie van zijn gezin met kleine kinderen op aandringen van zijn entourage (i.c. Marnix Gijsen) vier bladzijden geschrapt en weggegooid. Lucas werkt aan de restauratie van die roman, ‘een geschonden meesterwerk’ zoals hij hem noemt. Uit de hele Walschap – en speciaal die van 1938, toen het boek verscheen, – uit de kennis van de omstandigheden van die tijd en vooral van het paradigma waarnaar de schrijver werkte, zou het mogelijk wezen het boek met een zekere waarschijnlijkheid te restaureren. Zo wordt Mozarts requiem gespeeld, hoewel het fragment gebleven is – de aanvullingen die nodig zijn om het te kunnen uitvoeren zijn er door anderen bij geschreven.

 

Op die manier dus willen we de affaire van de Rechtvaardige Rechters oplossen. Eerst zetten we maar eens alles wat er op een of andere manier verband mee houdt op ons bord. Hoewel we tegelijk willen waarschuwen tegen Melissa Baghijn, die in opdracht van de CIA van onze lezers detectives wil maken. Detectives zijn ongevaarlijk, handlangers zoals Melissa zelf.

Wij daarentegen vormen onze lezers tot filosofen. De manier waarop iemand als Marc Reynebeau in zijn vele pogingen om iets te zijn o.m. ook geprobeerd heeft een filosoof te schijnen, toont onmiskenbaar aan dat dit de ware glamour is.

 

4

Uitgerekend in het voorjaar van 1934, het moment dat de Rechtvaardige Rechters gestolen worden, komt het tot een eerste  hoogtepunt in de vuile oorlog van het katholieke systeem tegen Gerard Walschap. In ‘De Standaard’ schrijft de helft van de Vl. min of meer schriftkundige paters over wat literatuur volgens hen zou moeten zijn en wat Walschap zou moeten schrijven, terwijl de andere helft zich met evenveel verstand en kennis van zaken wijdde aan dat andere geliefkoosde thema: de vrouw – meer hierover in de volgende afleveringen, waarin ook de vraag of Stientje Hemmerechts een vrouw is beantwoord zal worden. Ze hadden nog niet geleerd, toen, een schrijver gewoon dood te zwijgen en achter de schermen te belasteren. Als Walschap uitbreekt zijn ze oprecht verontwaardigd. Dat iemand hun gesloten systeem verlaat en zelfs onthult hoe het in elkaar zit, is zo ongehoord dat ze zich te buiten gaan aan orgieën van vervolgingslust. Zonder die vuilschrijver, die pornograaf Walschap, zag het er allemaal juist zo goed uit.

 

Einde april 1934, veertien dagen na de diefstal van de Rechtvaardige Rechters, staat alles in het teken van de nieuwe klerikaal-fascistische grondwet in Oostenrijk die op 1 mei wordt afgekondigd. Het gejuich is niet van de lucht. ‘De Standaard’, een plaatselijke antisemitische en fascistische gazet, komt van de luchtsprongen haast niet meer op de begane grond, behalve dan om maar weer eens een pater zijn ongekwalificeerd licht te laten schijnen over ernstige esthetische en literaire vragen en intussen, meestal geniepig maar niet zelden ook openlijk, op te roepen tot hetze tegen de grote schrijver Walschap.

Wenen wordt gezien als de eerste dominosteen die omvalt.

Drie jaar tevoren is de encycliek ‘Quadragesimo Anno’ verschenen die een corporatistische, solidaristische maatschappijvorm eist, als tegenmodel, zowel tegen het communisme als tegen de liberale democratie. Gildehuizen rijzen in alle grotere dorpen uit de grond, ‘gemeenschapsruimtes’ waar het solidaristische ‘gemeenschapsleven’ zich zou afspelen. Er wordt gestreefd naar een restauratie van het middeleeuwse gildewezen, het solidaristische, corporatistische maatschappijmodel. ‘De gilde viert, de gilde juicht,’ galmt het uit alle kelen, het schone volksche lied  van de toekomstige propagandist van de Gleichschaltung in het culturele leven, Emiel Hullebroeck. Hullebroeck kon zijn ideeën over de organistie van het cultuurbedrijf tijdens de bezetting omzetten in de praktijk: er was nauwelijks een verschil met die van de nazi’s. In zijn baanbrekend werk over de vroege Nederlandse schilderkunst had Max Friedländer in 1924 gewezen op de betekenis van juist de bevrijding van Jan van Eyck uit dit gildesysteem. Filips de Goede nam hem in zijn persoonlijke dienst en verloste hem daardoor van die gildeverplichtingen. Zo kon de kunst beginnen. Ik neem op deze webstek twee fragmenten uit het Ongeschreven Boek op, waarin dit ter sprake komt.

 

5

1934: Net een jaar eerder is Hitler aan de macht gekomen. Zijn regime wordt door de kerken afwachtend-positief opgenomen – zoals steeds is er hier of daar een priester die uit de band springt en protest laat horen en die ze, als het verkeerd uitdraait, later heilig kunnen verklaren.

 

Het kan niet worden beweerd dat het thema van de Rechtvaardige Rechters niet actueel was in 1934, het rechtvaardige bestuur, de ‘juiste’ maatschappij, de ‘ware’ maatschappij. Een belangrijke theoreticus daarvan is de Oostenrijker Othmar Spann met ‘Der Wahre Staat’ van 1921, voorbeeld voor Dollfuß, door wiens toedoen in Oostenrijk ‘De Standaard’ omstreeks de eerste mei zo volhardend juichend in de lucht hing.

In ‘Taboe Collaboratie’ (1987) schrijft Louis van Roy over de propaganda die in de jaren dertig zoveel jongeren voorbereidde op wat dan in de Tweede Wereldoorlog de collaboratie zou worden. De jeugd moest meewerken, schrijft Van Roy, aan de ‘voorbereiding tot een verdiepte revolutie waardoor het mogelijk zou worden de “ware orde” te vestigen’. We hebben eerder al over een ander ‘herstel’ geschreven, namelijk dat van de ‘ware’ filosofie (te vinden in ‘Koehns Kamer (i)’, mei 2016).  

Paus Leo XIII zette zich in voor ‘het herstel van de ware filosofie’, zoals in het zendschrijven ‘Dum vitiatae’ van 1880 staat, dat gewijd is aan de ‘dwalingen’ van de eigentijdse filosofie die ‘de maatschappij tot ontbinding jagen’ (ad dissolutionem compellunt). Ik schaam me nu wel een beetje dat ik toen zo onverbloemd over Leo XIII schreef, mijn lievelingspaus, met wie me een familiegeheim verbindt. Ik hoop nog steeds dat ik Lucas ertoe zal kunnen bewegen, dat familieschandaal uit zijn grote boek te schrappen. Mij steunend op zijn eigen theorie, dat literatuur niets met de werkelijkheid te maken heeft. Dan kan hij toch net zo goed een verzonnen schandaal in zijn boek zetten! 

In 1933 werd in Leuven de twintigste ‘Vlaamse Sociale Week’ gehouden, die helemaal gewijd was aan ‘Het herstel der sociale orde’. Het ‘volledig verslag’ van die week is te vinden in de Antwerpse universiteitsbibliotheek MAG-coll. 218.1.20.

De arrogantie waarmee de pausen alles wat niet kerkelijk is afdoen als vals, verkeerd, en wat, ergo, vervangen moet worden door een wahahaare orde, filosofie, maatschappij, kunst ook – wij kunnen ons die nauwelijks nog voorstellen. In het grote masterplan dat omstreeks 1890 tegen de valse filosofie in werking trad, was een grote rol weggelegd voor de katholieke universiteit van Leuven, in de schoot waarvan een Institut Supérieur de Philosophie werd opgericht van waaruit de wahahaare φ zou moeten uitstralen over de hele wereld – dat was dus de neothomistische of neoscholastieke zg. ‘wijsbegeerte’. De leider van het project was (de latere kardinaal) Joseph Désiré Mercier. Die had, in tegenstelling tot de meeste professoren uit Heidelberg, Jena en Berlijn die tot zwijgen gebracht en overtroffen moesten worden, geen doctorsgraad. Klein nadeel, maar geen nood: de paus benoemde hem gewoonweg tot doctor, en wel, uiteraard, in de filosofie: ‘Le Pape conféra lui-même à Mercier le doctorat en philosophie …’ (De Raeymaeker, 48.)

 

Mercier (in het midden) op de Internationale missietentoonstelling, Rome 1925.

Hier hebben we hem dus, Kardinaal Mercier, de ‘primaat van België’, die we op ons bord van verdachten en verdenkingen een fijn plaatsje zullen geven. Mercier zal voor de hele wereld de ‘renaissance du thomisme’ symboliseren (Fabrègues, Maurras 233). Hij was een ‘maȋtre penseur’ voor André Maurras (Fabrègues 309), de leider en voordenker van de fascistische ‘Action Française’. Maurras  noemt hem ook ‘le grand juste’, wat we best kunnen vertalen met ‘de Opperste Rechtvaardige Rechter’.

 

Merciers bedoeling was om o.a. met behulp van het Institut Supérieur de Philosophie een elite te vormen die de macht, niet alleen in de filosofie, maar ook in de staat, naar zich toe zou trekken. Om dan te komen tot een orde, gegrondvest op een ‘filosofische maatschappijopvatting’, een ‘conception philosophique de l’état’ (Goyau, Mercier. p. 73). Dat was vanzelfsprekend niet de maatschappij van Marx, ook niet die van Kant of Hegel. Die waren immers maar valse filosofen. Mercier eist daarentegen de waarheid en het recht op voor zichzelf en voor een aantal andere obscure katholieken van wie geen mens ooit gehoord heeft: hij ‘révendique sans cesse la justice’ (Goyau, 2). Hij nam met andere woorden trekken aan van dé Rechtvaardige Rechter an sich. Om volledig te zijn: an und für sich.

 

Dat mag u ook zeggen, lezer, an und für sich en vooral transcendentaal. Vergeet dat vooral niet, transcendentaal  te zeggen! Dan weet iedereen direct dat je als filosoof ernstig genomen moet worden. Later zul je kunnen zeggen, ik heb Coralie als lerares gehad in het vak filosofie, ik mag zoveel ‘an und für sich’ zeggen als ik wil, en ik zeg ook ‘transcendentaal’ zoveel ik wil. Coralie zelf heeft me de titel verleend van filosoferende filosoof van de échte ware filosofie van het Avondland met automatische ware glamourfactor.

 

Haakt u dus niet af, al is de weg nog lang en stenig. Ook niet als we soms wat ingewikkelder vraagstukken moeten behandelen. Even de ogen sluiten, concentreren, de moeilijke dingen nog eens herlezen – en te gelegener tijd uw echte filosofentitel ontvangen.

 

En vergeet nooit: de zaak Rechtvaardige Rechters zal niet worden opgelost door detectives – maar door filosofen!

 

 

 

 

 

 

 

Koehns Kamer (i). Milieu-ambtenaar. Ernst Haeckel.

579

 

8 & 19 mei 2016. Coralie Coloratuur.

 

Terwijl mijn leeftijdsgenoten nog laboreerden aan de gevolgen van hun plechtige communie, trok ik al in mijn eentje naar het eiland Sylt met een fototoestel, een aantekenboek en een rugzak met daarin een elektroshocker en een oranje bikini. Het was al oktober, die eerste keer, en hoewel het prachtig weer was, bitter koud. Zo koud dat de bikini ondanks zijn beknoptheid maar langzaam droogde en ik hem op mijn verkenningstochten bovenop mijn rugzak moest vastbinden. Ik wou alles weten over de man aan wie we het te danken hebben dat ze de diefstal van de Rechtvaardige Rechters niet helemáál onder het tapijt hebben kunnen vegen, de kerk en de Tartufistaanse “justitie”. Ik wou de man leren kennen die als onderdeel van een bezettingsleger en van een systeem van onrecht een Rechtvaardige Rechter zou worden. Zonder hem zou de Boodschap van Goedertier zijn verwaaid, opgeslokt door de nevelen van de tijd. Ik beschouw het als een groot geluk dat ik zo jong begonnen ben naar sporen van Henry Koehn te zoeken. Zo ben ik nog in zijn huis “De Ram” (Widderhaus) geweest in Kampen op Sylt, ben ik nog in zijn werkkamer geweest – die sinds zijn dood onveranderd was gebleven, meer dan veertig jaar lang.

 

Milieuzorg in plaats van Rechtvaardige Rechters.
Het lijdt geen twijfel dat het eiland Sylt de eigenlijke heimat van Henry Koehn was. Hij heeft hier geleefd – met overtuiging geleefd, zou ik zeggen. Getuige daarvan dat dikke boek over de Noordfriese eilanden – Sylt is van die eilanden het grootste en in meerdere opzichten het belangrijkste. Ook zijn werk als fotograaf van het eiland getuigt van zijn liefde voor dit landschap.

Maar hij heeft zich ook ingezet voor het patrimonium, zowel dat van de natuur als de cultuur. Hij was actief als een van de eerste milieubeschermers – lang voor er zelfs maar een bewustzijn ontstond dat er iets de verkeerde kant op ging. Op Sylt is dat misschien eerder zichtbaar geweest als op het vasteland.

Het eiland was beroemd beginnen worden in het begin van de twintigste eeuw. Aanvankelijk waren het vooral kunstenaars en intellectuelen die er zich terugtrokken. Kampen, het dorp waarin Henry Koehn later een huisje verwierf, was een voormalig vissersdorp met een prachtig, breed, sneeuwwit strand.

Koehns huis 'De RamL'

Koehns huis “De Ram” – 2004

 

In het kielzog van de schilders kwamen de kunstverzamelaars die tot op zekere hoogte deel wilden hebben aan het leven van de bohème. Al in de jaren twintig scheen de overheid zich zorgen te maken over het behoud van het karakter van het eiland. Toen werd bijvoorbeeld besloten dat alles wat er nog gebouwd werd een rieten dak moest hebben, zoals de oorspronkelijke vissershuizen. Zelfs de bushokjes zijn hier dus uitgerust met een rieten dak. Maar in de duinen verrijzen de villa’s van de rijken – weliswaar ook allemaal met zo’n dak.

Henry Koehn komt hier naartoe in het begin van de jaren dertig. Hij kan aanvankelijk bij een broer logeren en aan zijn boek werken, dat in 1938 verschijnt.

Na 1945 komt het massatoerisme, gepaard met de bouw van opslagplaatsen voor toeristen in de architectuur van het zg. Wirtschaftswunder – nee, architectuur is dat niet. In ieder geval: Koehn begint zich te roeren als criticus. Hij geniet aanzien als schrijver van het standaardwerk over de ‘Noordfriese eilanden’, dat in de boekenkast staat van wie hier wil meetellen. Hij publiceert geregeld in de regionale pers of in het kader van culturele organisaties.

In 1950 krijgt Koehn een officiële functie van de deelstaat Sleeswijk-Holstein en wordt aangesteld als hoogste milieubeschermer van het eiland – een functie die speciaal voor hem gecreëerd wordt?

Zijn plan om een boek te schrijven over de affaire van de RECHTVAARDIGE RECHTERS verdwijnt naar de achtergrond. Maar hij legt als milieubeschermer dezelfde kwaliteiten aan de dag als bij zijn zoektocht naar het gestolen paneel: hij is grondig als de wetenschapsman die hij wilde zijn, vasthoudend als een terriër en aimabel als hij nu eenmaal was – hij was graag gezien, op Sylt evenzeer als hij dat in Vlaanderen geweest schijnt te zijn.

Om te beginnen werkte hij een volledig plan uit, met kaarten en al wat er bij hoorde, voor het behoud van wat nog ongerept was, wat nog te redden was, enzovoort. Het leek erop dat hij daarmee nogal wat succes had. De gemeentebesturen waren het met hem eens of deden alsof.

HK Friesl brochure

Maar in het kapitalisme schijnt het zo te zijn dat als er ergens geld gemaakt kan worden, dat het dan ook gemaakt wordt. Milieu of volksgezondheid spelen geen rol. Reservaten van indianen in Brazilië kunnen plotseling omgeploegd worden en Fukushima wordt weer in werking gesteld. En de kloof tussen tegenwoordig zelfs pauselijke encyclieken en de realiteit wordt toegehuicheld. Henry Koehn moest toezien hoe het patrimonium op Sylt werd verkwanseld aan de toerisme-industrie. Over de hoofden van de gemeentebesturen heen, heette het dan, werden gronden vrijgegeven voor speculatie. De wet werd overtreden, overeenkomsten geschonden, en niemand wist van iets. De regering (van Sleeswijk-Holstein) in Kiel was niet geïnteresseerd in echte milieuzorg en plaatselijke functionarissen werden omgekocht. Koehns mooie plannen verzandden in de administratieve molen; zijn oorlog tegen het gesjacher en gesjoemel vergalde de laatste jaren van zijn leven. Maar hij stond bekend als onbaatzuchtige strijder voor de natuur en was mettertijd een tweemanschap gaan vormen met de voorvechter van de Friese taal en cultuur, Harald Hansen uit Keitum, met wie hij ook bevriend werd.

Knud Ahlborn, een andere werker op Sylt, in 1963 in hevig verdriet gedompeld in een in memoriam voor Koehn, riep smartelijk uit: ‘Wie zal de plaats innemen van deze dappere strijder voor de Friese oernatuur?’ Koehns weduwe Eva vond het een troost dat haar man nog net voor zijn dood een ereteken, het Bundesverdienstkreuz, had gekregen voor zijn inzet voor het milieu en dat ze samen ‘de dingen die het leven levenswaard maken’ ondanks alle zorg en moeite hadden genoten.

Van modieus naar trendy.
In de jaren vijftig en zestig evolueerde Sylt van mondain naar hip en wat modieus was geweest werd nu – ik hoop dat ik dat woord alleen maar deze ene keer in mijn hele leven zal gebruiken (het is bovendien, geloof ik, nog Engels ook)… het werd… trendy. De burgerlijke kunstverzamelaars werden afgelost door sportmensen, intellectuelen door journalisten, muziek door pop, culturele activiteiten door events, restaurants door snackbars. Op het beroemde strand van Kampen werden geen feestjes meer georganiseerd, maar party’s – die trouwens niet georganiseerd werden, maar ontstonden, voor zover ze niet ononderbroken doorgingen. Er werden ook, vóór dat elders in zwang kwam, naaktbaders en vooral –baadsters gesignaleerd. De gewone man wou een kijkje nemen in de wereld van de rijken en, nouja, naakten, en had er zijn spaarcenten voor over. Natuurlijk werd hij afgezet en bedrogen; een pilsje kost hier tien euro en de rest is navenant. Maar in feite werd Sylt een refugium voor de allerrijksten. De prijzen van onroerend goed zijn zo exuberant dat kinderen die het huis van hun ouders erven elkaar niet meer kunnen uitbetalen en de boel verkocht moet worden. Het personeel van de toerisme-industrie moet op het vasteland gaan slapen omdat óp het eiland alles verhuurd is en onbetaalbaar.

Waar Koehn woonde, in Kampen… ik zal in de volgende aflevering moeten vertellen hoe het Ramshuis verkocht werd en wat ik daaronder geleden heb. Dat had trouwens niets met geld te maken. Maar Kampen is een soort spookdorp. Er waren (of zijn) acht juweliers, maar er is geen kruidenier of bakker. Alle internationale luxemerken, Vuitton, Armani, Hermès, beschikken er over riante dependances.

 

Filiaal Hermès

Filiaal Hermès/Paris, Kampen 2004.

 

Tegen de middag komen goed geconserveerde oudere heren met blondines in dure wagens naar de juweliers afgezakt, alwaar de blondines met goud worden behangen om alsdan weer in de auto’s te stappen en voort te rijden.

Opvallend is het autopark hier. De duurste Mercedessen, zelfs een Maybach heb ik gezien, veel Porsches, Ferrari, Lamborghini.
(Ik meen dat Lucas Mariën de oranje Porsche 911 van 1972 waarin hij Sofia laat rijden in Het Ongeschreven Boek hier gezien heeft. Ik heb zelf herhaaldelijk met dat prachtstuk gereden.)

De superrijken weten kennelijk met hun geld niets aan te vangen. Hun auto’s zijn visitekaartjes zoals de spannen kostbare paarden om op de Champs Élysées te defileren bij Emile Zola. Sommige Porsches zijn mooi, maar je kunt op dit eiland hooguit vijftig, zestig rijden en ze zijn gewoonlijk het enige wat mooi is aan de levensstijl van de eigenaars. Zelfs de blondines die erin zitten, zien er niet zelden twijfelachtig uit uit het oogpunt van maat en orde. Om van de gulden snede maar helemaal te zwijgen.

De slimste rijken kopen post-kunst waarvan dankzij de ecologische klassiek meer en meer begint te blijken dat het geen kunst is.

 

Andere gevolgen.

De lelijkheid van de niet-architectuur… tenslotte ben ik architecte van origine, in Het Ongeschreven Boek komt dat genoeg ter sprake.
Mijn eerste roeping heb ik daar gevonden – het was het vurige verlangen dat de door de mensen onder handen genomen wereld minder lelijk zou zijn. Dat was vóór ik mijn eigenlijke roeping gevonden had, vóór ik me had voorgenomen mijn volk te leren denken.

Als ik dan ook een kleine vingerwijzing mag geven…
Een bezoek aan Sylt kan ik niét aanbevelen. Honderd keer beter is het de Waddeneilanden voor de kust van Romp-Nederland te bezoeken. Iets van die cultuur van zeelui en boeren is nog te vinden in de museumshoeve in Keitum op Sylt, een museum dat althans mij erg bevallen heeft omdat ik er vrijuit Fries kon spreken met het personeel – een van onze landstalen waaraan ik bijzonder gehecht ben. Eh… maar dus ook door mijn bewondering voor de Friese wooncultuur. Ook het dorp Keitum zelf is trouwens goed geconserveerd en prachtig. Maar ik heb het altijd alleen maar buiten het seizoen gezien, met het bekende nadeel van een bikini die niet wil drogen.

 

***

Wat er in de Koehns kamer niet te zien was, verklaarbaar vanuit wat er wél te zien was.

Zijn kamer is klein, zoals alles in dit huisje. Een porseleinen Franse klok uit de achttiende eeuw op een plank in de boekenkast. Die wekt natuurlijk herinneringen aan die kroonluchter in Saksisch porselein van Arsène Goedertier. Henry onderhandelde immers met Julienne Goedertier over de verkoop daarvan.

 

Koehns klok.


De bibliotheek.

Ernst Haeckel (1834-1919) was erg in de mode in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Hij was medicus van oorsprong, maar is aanvankelijk beroemd geworden als bioloog die gespecialiseerd was in de biologie van de zee. Vooral het microscopisch leven in de oceanen trok zijn aandacht: straaldiertjes, plankton, kwallen… Hij was de eerste die het begrip ‘ecologie’ gebruikte. Leverde een bijdrage tot verdere ontwikkeling en verspreiding van de leer van Charles Darwin, die hij een paar keer ontmoet heeft.

Maar nog beroemder werd Haeckel mettertijd als filosoof – zijn verguizers beweerden dat hij helemaal geen filosoof was – want geen academische school-filosoof van het soort dat Wittgenstein wilde afschaffen. Een kostbaar argument dus, tegen Haeckel, van die verguizers. Maar het is natuurlijk tot op zekere hoogte ook een onrechtvaardigheid ten overstaan van die filosofen dat de bioloog maar kan oreren over kwalletjes zonder eerst te moeten bewijzen dat die bestaan.

Lucas zegt: ‘Natuurwetenschappers staan vroeg of laat oog in oog met de vraag ‘wat de wereld in zijn binnenste bijeenhoudt’ en met het zogenaamde wereldraadsel, terwijl menswetenschappers meteen bij het wereldraadsel beginnen, maar de kennis van de werkelijkheid vaak overslaan.’ Haeckel was dus zo’n natuurwetenschapper die op zoek gaat naar een samenhang in een versnipperd wereldbeeld. Die met andere woorden probeert een oplossing te vinden voor het oerprobleem van de moderne natuurwetenschappen, namelijk dat analytisch onderzoek leidt tot de onderverdeling van de werkelijkheid in steeds kleinere deeltjes, waarbij de kijk op het geheel zoek raakt, zelfs onmogelijk wordt. Een vraagstuk dat de wetenschap sinds Goethe beziggehouden heeft. In diens woorden: ‘Dat wat leeft is (door de analytische wetenschap) weliswaar in zijn elementen onderverdeeld, maar het is niet meer mogelijk het daaruit weer samen te stellen en weer tot leven te wekken.’ (HA 13, 55.) Goethe was niet tegen de vooruitgang in de natuurwetenschappen, integendeel, hij juichte die toe. Maar hij miste iets, bijvoorbeeld in de optica van Newton. Hij vreesde dat de moderne wetenschap dehumaniserende gevolgen zou hebben.

405px-Ernst_haeckel_3[1]

Ernst Haeckel.

Als je bijvoorbeeld de mens steeds verder analyseert, tot er niets meer overblijft dan biochemische processen, dan gaan de humanistische waarden verloren – was zijn overtuiging.

De moderne wetenschapstheorie heeft Goethe al lang gelijk gegeven. Intussen ook alweer vijftig jaar oud is de stelling van Willard van Orman Quine: ‘Zelfs als alle gegevens, waarnemingen en experimenten van een bepaald fenomenengebied ter beschikking staan, staat daardoor nog steeds niet vast welke theorie in dit gebied van toepassing is; theorieën zijn door gegevens altijd onvoldoende bepaald.’ (Ik citeer naar Olaf L. Müller: Mehr Licht. Goethe und Newton im Streit um die Farben. Frankfurt am Main 2015. p. 33.) Willem Frederik Hermans, de recalcitrante leerling van Goethe, bracht diens kleurenleer steeds weer ter sprake om diens ongelijk aan te tonen. Maar op het einde van zijn leven draaide ook hij bij. Ik verwijs hiervoor naar ‘Hermans’ Capitulatie’ in de paradigma-rubriek.

Het is het eeuwige probleem van de bomen en het bos: tussen de onderdelen bestaan veelvuldige relaties, kruisverbanden, wisselwerkingen die de neiging hebben zich aan de blik te onttrekken. De onderneming om de geïsoleerde gegevens weer in een verband te plaatsen, om structuur te brengen in de dingen – m.a.w. het klassieke maxime: vorm – noemt Goethe ‘morfologie’.

 

Parenthese. Een prise historische semantiek.

Ik moet even summier vooruitlopen op toekomstige bijdragen inzake de ‘morfologie van de Rechtvaardige Rechters’: ook het modieuze begrip van het recontextualiseren is een variant van Goethes morfologie-probleem. Juist in de jaren twintig, dertig komt het tot een hoogtepunt in het geschreeuw – dat wordt het dan ook letterlijk: ‘Zersetzung’ is een strijdkreet van de nazi’s. Goethes vrees voor dehumanisering was in de loop van de negentiende eeuw geïnstrumentaliseerd tegen het criticisme in de alfawetenschappen – die juist in die tijd een wetenschappelijk karakter begonnen aan te nemen. Het zal gebruikt worden tegen de kritiek zélf en tegen de autonomie van het individu dat de kritiek uitoefent. En vooral wordt het gebruikt tegen de vrijheid van de kunst, tegen het Van Eyck-paradigma, de autonomie van het kunstwerk.

Heel het complex van de ‘onttovering’ bij Max Weber wordt geviseerd, de pogingen om een realistisch beeld van de werkelijkheid te verkrijgen en de verdringing van een mythisch wereldbeeld door een ‘wetenschappelijk’ – zoals dat heette.

‘Zersetzung’ heet in het Frans ‘dissolution’ (dissolver, dissolvant). Een voorbeeld uit de in  Goedertiers tijd in Tartufistan hooggeprezen ‘schrijver’, Firmin van den Bosch, die schrijft: ‘…Renan distillait d’une voix séductrice ses sophismes dissolvants.’ (F. Van den Bosch: Ceux que j’ai connus, p. 119.)

Jozef Muls zat in de Wetstraat maar een paar bureaus van Henry Koehn vandaan, hij heeft een paar geslaagde optredens in Het Ongeschreven Boek (cfr. o.a. HOB [8.8.] in de rubriek literatuur op deze website). Hij was een eigenaardige figuur die zich niet thuis voelde in het kleinbehuisde Vl. katholicisme, maar die schipperde zoals de meesten – lees Walschap er maar op na. Die ‘sophismes dissolvants’ komen volgens Muls voort uit ‘…dezelfde opstandige, afbrekende en vernielende houding’ die de wereld bedreigen. (Josef Muls, Deze Tijd, p. 100.) Afbreken (oplossen, uit elkaar nemen) en daarbij/daardoor vernietigen – dat zijn de twee betekenis-elementen in ‘zersetzen’. Het is typisch voor Muls dat hij nog niet het jargon beheerst: in het Schoonvlaams gebruikten ze ‘ontbinden’ voor zersetzen. En dat ten laatste sinds het argument opgenomen werd in de officiële leer, en wel door toedoen van paus Leo XIII die zich inzette voor ‘het herstel van de ware filosofie’, zoals in het zendschrijven ‘Dum vitiatae’ van 1880, over de ‘dwalingen’ van de eigentijdse filosofie die ‘de maatschappij tot ontbinding jagen’ (ad dissolutionem compellunt). (Te vinden op de website van het Vatikaan hoogstwaarschijnlijk; ik gebruik een steekkaart op basis van fotokopies die dus in de dozen met völkische literatuur zitten. Met Leo XIII, mijn lievelingspaus, verbindt me trouwens een familiegeheim, een schandaal zelfs… Maar nee, het menselijk opzicht, nee, de schroom – ik ben beschroomd als nooit tevoren!)

Het herstel van de wahahaare filosofie – na Kant, Fichte, Schopenhauer, Hegel, Feuerbach, Marx, Nietzsche – en nu noem ik alleen maar de crème de la crème – moest de filosofie hersteld worden! Terwijl ze in werkelijkheid dus bloeide zoals dat tot dan toe alleen bij de Grieken het geval was geweest.

Dit ‘herstel’ beschouw ik als de eigenlijke fundamentum in de zaak Rechtvaardige Rechters, dit is de grond, zoals het eikenhouten dragende paneel de ondergrond is waarop meester Jan zijn beroemde olieverf heeft aangebracht. Volgens Lucas is dat niet waar, en gaat het om de kunst. Maar volgens mij is het de vervanging van de filosofie door iets, nouja, wat ze neothomisme noemden. Ik zou mijn volk niet leren denken als ik dat zou verzwijgen.

‘Zersetzen’ werd dus in het officiële jargon ‘ontbinden’ en het werd onder andere tegen Walschap gebruikt: ‘En, misschien kan ik nog vroeg of laat in uw werk dat morbiede en ontbindende doen verdwijnen, dat ik er nu meen in te vinden.’ Pater Valvekens aan G. Walschap (25 jan. 1934), drie maanden voor de diefstal van de Rechtvaardige Rechters. (cfr. Gerard Walschap, Brieven 1921-1950, p. 327. Amsterdam 1998.) Pater jezuïet E. Janssen schrijft in ‘Streven’ in februari 1934 – dat is twee maanden voor de diefstal van de Rechtvaardige Rechters –  over de grote Gerard: ‘Moest men zo lang, zo taai, zo heldhaftig strijden… om de ontbinding te zien intreden’ – die door Walschap werd belichaamd. (Citaat naar: Walschap, Brieven I, p. 377).

Toevoeging 8 juli 2016: Het modernisme ‘était bien, non une hérésie, mais le « rendez-vous de toutes les hérésies », ou plutôt un subtil corrosif, destiné à tout dissoudre’. (Joseph Bonsirven s.j. in ‘Etudes’ 1930 [dl. 202] p.31. De strijd rond het zg. ‘modernisme’ zoals die zich afspeelde in de onmiddellijke omgeving van Arsène Goedertier, cfr. Lucas Mariën: Het Ongeschreven Boek.

 

Monisme en wereldverbetering.

‘Morfologie’ is zonder meer een sleutelwoord voor Koehn en zijn belangrijkste referenties: Haeckel, Frobenius, Spengler en Goethe. Kort voordat hij uit Brussel vertrekt stelt hij een soort wereldverklaring op schrift, waarin dat begrip centraal staat. Ik moet hiervoor verwijzen naar de definitieve, de boek-uitgave van dit werk. Ernst Haeckel had in 1866 een ‘Generelle Morphologie’ gepubliceerd waarin hij zijn eigen analytisch verkregen resultaten in de biologie onderbrengt in de theorie van Darwin, ze inbouwt in de structuur van de evolutie. In 1899 wordt zijn ‘Die Welträthsel’ een internationale bestseller.

Haeckel betoogt dat het wereldraadsel geen ‘filosofische’ vraag is, maar een natuurwetenschappelijke. Dat schijnt op het eerste gezicht een recyclage van het aloude materialisme te behelzen, volgens welke alle, ook psychische of zogenaamd geestelijke processen te verklaren zijn door gebeurtenissen in de materie, bijvoorbeeld (bio-)chemische.

Maar het is bij Haeckel toch meer Spinoza, het pantheïsme, dat we ’het goddelijke’ niet buiten de wereld moeten zoeken, maar erin – het is overal in de natuur en in onszelf (als deel van de natuur) te vinden. Dat was in feite het pantheïsme van Goethe geworden, die er zijn wereldbeschouwing op bouwt. Het is verkeerd de werelden van geest en die van de materie te scheiden. Haeckel pleit voor een ‘monisme’, dat is een ‘leer die (maar) één beginsel aanneemt ter verklaring van de verschijnselen’ (Van Dale), het beginsel van een  door de geest doordrongen materie namelijk. Haeckel was een optimist die geloofde dat ten gevolge van de toename van kennis in de natuurwetenschappen het wereldraadsel ‘kleiner zou worden’, als ik het zo mag uitdrukken, en dat het op den duur dan ook helemaal zou verdwijnen, of tenminste verklaarbaar en begrijpelijk zou worden – d.w.z. zou ophouden een raadsel te zijn. Geen dualisme materie-geest meer, maar eenheid van natuur en geest – monisme dus. De drang blijft ongebroken bestaan, maar het geloof erin… Ik herinner aan de hoger geciteerde stelling van Quine. Maar als we een wereldbeschouwing op rationele grondslag zouden kunnen verkrijgen, dan zouden er heel veel tegenstellingen worden opgeheven – wat een bijdrage tot wereldvrede zou betekenen. In een rationele wereld zouden mensen ook inzien dat ze mét elkaar sterker staan dan tegen elkaar. Daarom was Haeckel het ook oneens met Nietzsche die hij beschouwde als ‘profeet van het zuivere egoïsme’. De socialisten uit die dagen, Bebel, Kautsky, Lenin, waren uitgesproken sympathisanten van Haeckel. Is de afwezigheid van Nietzsche in de bibliotheek van Koehn, is dat aan de invloed van Haeckel te wijten?

De veelzijdige Haeckel was ook een begaafde aquarellist die zelf de illustraties voor zijn leerboeken maakte. Rond de eeuwwisseling publiceerde hij een werk ‘Kunstformen der Natur’ (1899-1904), waarin hij tot dan toe ongeziene, esthetisch geachte vormen uit de (meestal microscopische) natuur afbeeldde. Dit werk oefende invloed uit op de art nouveau en de jugendstil. Henry van de Velde, de laatste van de grote genieën van Weimar, was een bekennende Haeckeliaan.

Ethiek gebaseerd op empathie, medelijden. Haeckels ethiek is vanzelfsprekend niet vreemd aan die van Schopenhauer: leven is lijden; empathie betekent het zichzelf herkennen in het lijdende medeschepsel – als we dat kunnen, dan zal ons gedrag vanzelf ethisch worden. Dat is de ethiek van veel kunstenaars, zoals bijvoorbeeld Willem Frederik Hermans (‘Het Grote Medelijden’).

het_afvallig_giordano_bruno_perfect_poster-r408a709b90e747acb5c3a87c079b7f57_ilb22_324

Giordano Bruno op het Campo dei Fiori. De lauwerkrans staat er niet meer op.

 

Haeckel stond in het centrum van hevige controverses, bv. omdat hij eiste dat darwinistische ideeën ter sprake zouden worden gebracht in middelbare scholen. Zijn vijanden noemde hem de ‘Apen-professor’, zijn wetenschappelijke integriteit werd aangevochten – en dat voor een professor uit Jena, waar de helft van de hoger genoemde filosofen geschitterd had. Er kwam een reactie van collega’s, geleerden van de eerste garnituur die een verklaring in Haeckels voordeel publiceerden.

In 1904 werd er een groot congres van atheïsten georganiseerd, in Rome zélf. Zoiets was nog nooit gebeurd en het werd beschouwd als een provocatie, wat het ook was. Haeckel werd, hoewel hij dus in strikte zin geen atheïst was, door het internationale gezelschap uitgeroepen tot ‘tegenpaus’. Ze zetten hem een lauwerkrans op en trokken allemaal samen naar het standbeeld van Giordano Bruno om die krans van het hoofd van Haeckel over te hevelen naar dat van het standbeeld.

 

 De Urania wilde haar volk leren denken!

Henry Koehn zal op latere leeftijd een deel van zijn verzamelingen schenken aan ‘de Urania’ in Berlijn. Dat was – en is trouwens nog steeds – een stichting voor volksontwikkeling waarvan Ernst Haeckel een promotor was. Het gaat erom dat Nobelprijswinnaars algemeen begrijpelijke lezingen komen geven voor de gewone man. Wetenschappelijke cultuur voor alle burgers dus. Er was ook een uitgeverij aan verbonden – zoals aan het Paradigma; binnenkort meer hierover! – evenals een theater en een museum (en óns Archief RR dan! Het enige waaraan het ons voorlopig nog ontbreekt is een filmstudio.)

Haeckel was militant antikatholiek, Koehn hield het christendom voor de oorsprong van het meeste kwaad in de wereld en vond dat de Vlamingen hun eigen emancipatie in de weg stonden door hun slaafse onderworpenheid aan de kerk. Ook hier komen we te gelegener tijd op terug.

De Urania is overigens een van de gestalten van de godin Afrodite.

In Antwerpen moet een ‘volkssterrenwacht’ bestaan hebben die ook Urania heette, meer weet ik daar op dit moment niet van.

 

 

 

 

Aan een buitenlandse professor.

april 2016

 

Geachte Professor X.

Mijn assistente Coralie Coloratuur was niet te spreken over bepaalde dingen in het boek van Kemperdick en Rößler. Ik hoorde haar in de verte zelfs misnoegde kreten slaken toen ze het aan het lezen was, niet minder smartelijk als die van Elisabeth Dhaenens, als die de naam Renders moest opschrijven. Ik vroeg Coralie om haar indrukken op papier te zetten voor de webstek. Dit is wat ze schreef:

 

1

De professor beweert dat hij de wind van voren kreeg toen hij aan de Hubert-figuur begon te tornen. Dat verwondert me niet.

De Hubert-deemstering begint eigenlijk in 1924, met het eerste deel van Max Friedländers geschiedenis van de vroege Nederlandse schilderkunst. Die is nog steeds goed leesbaar, onder andere omdat Friedländer naast zijn grote kennis als kunsthistoricus ook een schrijver met een fraaie stijl is en een interessante persoonlijkheid heeft. Dat laatste blijkt o.m. uit de manier waarop hij partij kiest voor Jan. Hij zegt eigenlijk dat hij maar één schilder ziet en vermeldt een aantal argumenten die voor Jan spreken. Die argumenten zijn geen van alle doorslaggevend, geeft hij toe, maar allemaal samen wegen ze minstens even zwaar als dat fameuze kwatrijn (Friedländer 1934 p. 87-88 cfr. bibliografie). De consternatie was indertijd geweldig.

De quasi officiële commentator van het Lam Gods, Lambert Aerts – niet iedereen mocht zo maar over het Lam Gods schrijven; er werd zelfs geopperd dat dat verboden zou moeten worden aan wie geen priester was… in de toekomst komt dit alles op onze website!

Maar dus na het verschijnen van Friedländers werk oppert deze Aerts, pastoor in Herk-de-Stad, dat “de kunstgeleerden (…) veelal Protestanten en Joden waren” (Aerts 1926, p. 81) en bijgevolg niet van tel – in de lijn van het scholastieke adagium: Graecum est, non legitur / dat is Grieks, dat lezen we niet. Ik wil Kemperdick in geen geval met deze Lambert Aerts over dezelfde kam scheren, maar ik kon een zeker déjà vu niet van me afzetten toen ik bij hem las dat Friedländer in 1924 “onder de indruk van Emile Renders in 1933 tenslotte overhelde naar een negatie van het aandeel van Hubert” (Kemperdick en Rößler, p. 22). Dat is dus manifest onwaar. Renders zelf erkent trouwens dat Friedländer als eerste het hele Lam Gods aan Jan toeschrijft, “malgré l’existence du quatrain” (Renders 1933, p. 11).

2

Een zekere Paul Fierens, een kunsthistoricus van naam, publiceerde een werk dat hij – veelbetekenend (sic) – het lef had gewoon “Jan van Eyck” te noemen, schrijft het tijdschrift “Les Beaux-Arts” in 1932. Zijn boek “se présentait hardiment sous ce titre significatif: Jean van Eyck.” (Les Beaux-Arts nr. 56, 21 oktober 1932.)

De angst ervan verdacht te worden niet in Hubert te geloven was groot. Een zekere pater Claeys-Bouuaert schrijft een monografie die zeer bepaald handelt over de teksten op het Lam Gods. Maar hij begint zijn werk met de uitroep dat het feit dat hij niet zal ingaan op het Van Eyck-probleem niet impliceert dat hij het bestaan van Hubert zou ontkennen. Deze exclamatie wordt een soort formule die we ook terugvinden bij andere auteurs die iets kwijt willen over Van Eyck zonder in te willen gaan op “het probleem”. Te vinden bij Muls, pater Stubbe, Jan Gessler en tutti quanti niet-protestantse kenners – onder wie we groot ongelijk zouden hebben Leo van Puyvelde niet te vermelden, maar die kon helemaal niet iets schrijven dat niet over Hubert ging.

Vanzelfsprekend, geachte Professor, bent u thuis in het rapport van Professor Coremans, de leider van de restauratie van het Lam Gods in 1951. Ik herinner hier even aan de bochten waarin Coremans zich wringt om te beweren dat het kwatrijn enerzijds niet origineel is, en anderzijds dat het misschien toch niet helemaal niet niet-origineel is. Ook het leedvermaak van Der Spiegel (6 januari 1954, p. 31) naar aanleiding van op Coremans gebaseerde beweringen van Brockwell, spreekt boekdelen. Dit weekblad vat het goed samen: “Als het maar enigszins mogelijk was draaiden Coremans en zijn medewerkers (…) angstig om de hete brij van het auteurschap heen, want de restauratoren wilden niet de toorn van de kunsthistorici over zich heen  krijgen.”

Ik geloof niet dat het in de eerste plaats de kunsthistorici waren die een zo vreesaanjagende indruk maakten. De kunsthistorici die iets waard waren zaten al lang op de golflengte van Friedländer en Renders en alleen de niet-protestantse ‘kenners’ die in een positie van afhankelijkheid verkeerden ten opzichte van de katholieke zuil (als priesters, paters, redacteuren, professoren) juichten Hubert nog toe. Wat er gebeurde met iemand die zich probeerde te bevrijden, kun je nalezen in de brieven van Gerard Walschap uit die periode.

3

De vroomheid van de niet-protestantse ‘kenners’ was soms zo intens dat ze Hubert ontdekten waar hij niet was. ‘Men vindt ook wel eens teksten uit,’ schrijft pater Schiltz (Schiltz 1967, p. 10), ‘of men verkracht ze. Zo bestaat er (…) een tekst in het enkelvoud en uitdrukkelijk handelend over “il gran Johannes”. Men zet hem in ’t meervoud om er de legendarische “Hubert” van Eyck te kunnen bijsleuren…’

De hier genoemde ‘men’ is Leo van Puyvelde, verklapt Schiltz op een andere plaats (Schiltz 1968. P. 3.): ‘Ainsi un auteur met au pluriel un texte se rapportant exclusivement à Jean van Eyck, dans une lettre envoyé de Naples du 20 mars 1524 à Marco Antonio Michiel, par Summonte. Celui-ci écrit: “…gran maestro Johannes qui prima fe l’arte d’illuminari libri (…)”. L. van Puyvelde affirme bravement que ‘les van Eyck debutèrent comme minitiaturiste’.’ Van Puyvelde was de coryfee van de Vlaamse kunstbeschouwing.

Ik heb groot respect voor Eugeen Schiltz, die een onafhankelijke en kritische onderzoeker was, maar ik ben toch blij dat ik er hier nog een vindplaats van gelijke strekking aan kan toevoegen:

In een verslag van een tijdgenoot over de beeldenstorm in Gent, dat van de Gentenaar Marcus van Vaernewijck, wordt beschreven hoe het Lam Gods verborgen wordt uit angst voor die beeldenstorm. Ik citeer: ‘Ook het Lam Gods, geschilderd door de gebroeders van Eyck, raakte tijdig weggeborgen.’ Zo stond het althans in een moderne bloemlezing uit het werk van Van Vaernewijck, een uitgave van uitgeverij Heideland, Hasselt 1966, pagina 30. Maar in het origineel, in de tekst van Van Vaernewijck zélf dus, is er van Van Eyck geen sprake, laat staan van ‘gebroeders’. Van Vaernewijck schrijft gewoon over de ‘Tafelen van Adam ende Eva’, zoals het Lam Gods toen werd genoemd. (Van Vaernewijck, deel 1, kapittel 17, bladzijde 87-88, te vinden in de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Literatuur.) Die tekstbezorger van 1966 heeft natuurlijk geweten dat het voor zijn carrière bevorderlijk was als hij het te pas en te onpas over die ‘gebroeders’ zou hebben. Hij heeft Van Vaernewijck uit het jaar vijftienhonderd en zoveel met terugwerkende kracht aan de heersende sprachregelung onderworpen.

Renders konden ze niet broodroven, die was rijk en onafhankelijk. Maar heel de rest van het arsenaal werd over hem uitgestort: in een kwaad daglicht stellen, insinuatie, morele moord. Tot op zekere hoogte werd dit ook ingezet tegen de restaurator Jef van der Veken die met Renders samenwerkte. Dat leeft ten dele nog voort in het beeld dat van beiden ook nu nog bestaat.

Iets waarop uw contactpersonen in ’België’ u niet geattendeerd zullen hebben, is allicht de oorlog tussen Renders en Van Puyvelde. Ik stuur u een brochure tegen Van Puyvelde die Renders schreef en uitgaf in eigen beheer. Hoewel hij ze liet drukken in een voor die tijd en dit land exuberante oplage van tweeduizend exemplaren is ze zo goed als onvindbaar. Het was trouwens niet uitzonderlijk dat zulke publicaties werden opgekocht om ze aan de normale circulatie te onttrekken.

Een leuk documentje dat ik hier als eerste bijlage aan toevoeg komt uit de “Ephemerides Theologicae Lovaniensis” XXXII (1956 p. 405) waarin – gezien de oorsprong van het tijdschrift – alleen maar absolute waarheden staan. Dit is een overlijdensbericht van Renders waarin erkend wordt dat Hubert door diens werkzaamheden “semble devoir être rayé de l’histoire”.

 

531

 

4

Ik ben niet de eerste die erop wijst dat het Internationaal Congres van kunsthistorici dat in 1951 de restauratie van het Lam Gods begeleidde als het ware verzonken is in het verborgene. Eugène Schiltz deed dat al in 1965 (Schiltz 1965/9), en hij citeerde een deelnemer aan dat congres, Maurice W. Brockwell, die schreef:

“Na twaalf maanden van uitputtend (exhaustive) onderzoek maakte het Officieel Rapport een einde aan de fabel (the fable), zonder één enkele verwijzing naar ‘Hubert’, behalve dan als naar ‘l’énigmatique Hubert’.” (M.W. Brockwell, The Van Eyck-problem, London 1954. P. 16. Ik vertaal en citeer hier naar Schiltz 1965/9) Brockwells boek vormde de aanleiding voor het hoger ter sprake gebrachte artikel in Der Spiegel.

Coremans zat tengevolge van dat congres wel in een lastig parket. Hij kon moeilijk nog onder de bevindingen van het internationale gezelschap uit, maar als zijn leven hem lief was kon hij ook niet gewoon schrijven dat de boel sinds 1550 belazerd werd.

Toch viel er daarna niet veel meer aan te tornen: bijna vijftig jaar lang schenen ook de katholieken zich te zullen neerleggen bij Huberts schrapping uit de geschiedenis. Iemand als Elisabeth Dhaenens scheen meer en meer voor een verloren zaak te vechten. Zelfs een uitgesproken katholieke uitgeverij als het Davidsfonds publiceerde boeken waarin het auteurschap van Jan als vanzelfsprekend werd voorgesteld.

Maar bij de vele eigenschappen van Hubert is er een die niet verzonnen is, dat zou zelfs Emile Renders hebben toegegeven: Hubert is een wederganger, hij is de Grote Zombie van de kunstgeschiedenis. En sinds de nieuwe restauratie begonnen is, beleven we ook de weder-invoering van de brave Hubert en een nieuwe sprachregelung die plotseling weer algemeen wordt gevolgd.

5

Een sprachregelung wijst altijd op een verbergingscontext, en die onderzoeken we. U hebt op onze website kunnen lezen dat we een Copernicaanse omwenteling willen. Wij willen niet onderzoeken waar het gestolen paneel is en of het kwatrijn authentiek is en/of waarheidsgetrouw. Leugens, vrome wensen, propaganda en wat met een nieuwerwets woord ‘wording’ heet, dat vinden wij fijn, om ons daarin te kunnen verdiepen. Wij stellen in de eerste plaats de vraag naar de ideële betekenis van de diefstal, van Jan van Eyck zelf en ten slotte van de hele kunst. Maar het zogenaamde ‘Van Eyck-probleem’, de kwestie van de ‘broers’ Jan en Hubert is daarbij niet alleen een belangrijk onderdeel, het is de kern van de zaak. Het gaat over definitiemacht en Deutungshoheit. In feite is het Hubert die het Lam Gods – met andere woorden: de wereld – concipieert en duidt, terwijl Jan alleen maar uitvoerder is. Het beeld van de kunstenaar van de scholastiek – de kunstenaar is onderworpen aan de voorstellingen van de kerk – wordt geplaatst tegenover dat van de autonome kunstenaar. Onovertroffen wordt dat dilemma geformuleerd door Friedrich Schiller: “Zou ik er me toe laten vernederen alleen maar een beitel te wezen, waar ik de kunstenaar zelf zou kunnen zijn?” (Don Carlos III, 10; Werke II/ 120) Het was precies in de omgeving van Schiller, met name door Goethe zelf, dat Jan als eerste eigenlijke, autonome kunstenaar werd voorgesteld, de eerste van een nieuw type. Dat komt neer op een omverwerping van het scholastische wereldbeeld.

6

Meteen nadat de diefstal bekend was geworden – die van bij het begin iets raadselachtigs had, die geen “gewone” diefstal was – werd geopperd dat Émile Renders er iets mee te maken zou hebben gehad – die werd trouwens ook uitvoerig verhoord door de politie. Hilde Leynen, een publiciste die zich min of meer in de affaire gespecialiseerd had, schreef (in Wetenschappelijke Tijdingen XXXVIII, 1979. Kol. 232) dat er “onmiddellijk” na de diefstal drie richtingen in de speculaties ontstonden. Een ervan was, schrijft ze, “dat kunstdieven om polemische redenen, meer bepaald het wel of niet bestaan van Hubert van Eyck, het breekijzer zouden hebben gehanteerd”. Wat is er aan de ene kant zo nadelig dat er per se moet worden vastgehouden aan een spook en dat andersdenkende geleerden moeten worden geterroriseerd? En aan de andere kant is er dat plezier in het ontmaskeren, als bij Der Spiegel, dat leedvermaak zelfs. Daar moet toch meer aan de hand zijn dan bij gewone op schaarse en/of  tegenstrijdige gegevens berustende personalia uit de vijftiende eeuw, dit heeft trekken van een geloofsoorlog.

 

 

Max J. Friedländer: Die Altniederländische Malerei. Dl. 1 Die van Eyck / Petrus Christus. Leiden 1934. De oorspronkelijke uitgave is van 1924.

Stephan Kemperdick en Johannes Rößler (uitg.):

Der Genter Altar der Brüder van Eyck. Geschichte und Würdigung. Berlin [Gemäldegalerie der Staatlichen Museen] 2014.

Aerts 1926: Lambert Aerts. Een antwoord op “Christelijke Kunst” van pater Taeymans S.J. In: Kunst Adelt nr. 4. Peer 1926.

“Malte Hubert mit?” Der Spiegel nr. 2/1954. 6 januari 1954. P. 30-31.

Schiltz 1965: Eugène Schiltz: Van Eyck-problemen. De verhouding Hubert-Jan in de XVde eeuw. Antwerpen 1965.

Schiltz 1967: Eugeen Schiltz: Beweging bij Jan van Eyck. Antwerpen 1967

Schiltz 1968: E. Schiltz: Errare humanum est. Antwerpen 1968. P. 3.

Friedrich Schiller: Sämtliche Werke, Darmstadt [WBG] 1981.

Renders 1933 – Emile Renders, Hubert van Eyck. Personnage de Légende. Parijs en Brussel [Van Oest] 1933.

 

 

 

 

 

 

 

error: Kopij bescherming !!