ecologische klassiek Posts

Tussenbouw. Post-literatuur. N.a.v. “Schadow”.

29 mei 2018. Eurykleia & Coralie.

4 juni. Herzien.

 

Ontwerp: Jacob Teirlinck.

 

“Van Eyck, een echt genie, keerde terug naar

de natuur. (…) Zo is hij ononderbroken

verwikkeld in

een gevecht tegen de geest van zijn tijd.”

Arthur Schopenhauer

 

 

Nooit eerder moedigde een schrijver de Huichelarijse literatuurkritiek met meer sympathiserend medeleven aan om het niet op te geven.

Om niet af te laten te proberen zijn boek te begrijpen.

Lucas Mariën, wij je trouwe medewerkers Coralie en Eurykleia Coloratuur, we moeten wel je roman verkopen, maar we mogen geen recensie-exemplaren uitdelen?

Nee, natuurlijk niet. Het is heel die intermediaire sector die de boel belazert. Tussen de schrijver en de lezer staan intussen recensenten, redacteuren, literatuurprofessoren, lectoren, zielzorgers, stroomlijners – herinner je dat Congress of Cultural Freedom van de CIA ook, Coralie, je hebt er zelf over geschreven. https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2018/02/28/innerlijk-leven-van-het-vijgenblad/ ‘Sla hem dood, hij is een recensent’, zegt Goethe in een beroemd gedicht. Ik heb lang in tweestrijd gestaan. In geval van twijfel laat ik de wetten van de literatuur altijd prevaleren op die van de mensen. Ik had dus een stevige meidoornknuppel gesneden, uit zo’n haagkant, en ik ging een recensent staan opwachten, maar die dag kwam er juist geen, of hij had zich verkleed. Intussen heb ik het gevoel, met die digitale mogelijkheden die we nu hebben, dat de ‘officiële’ literatuur met de dag irrelevanter wordt. Ze kunnen recenseren wat ze willen. Maar het waren wel die intermediaire structuren… Oswald von Nell-Breuning, de nog steeds invloedrijke jezuïet, specialist van de katholieke maatschappijleer, die schrijft daarover, over het beïnvloeden van de tussenpersonen. De echte intellectuelen kun je niet krijgen, die zijn niet katholiek, is de idee. Ergo organiseer de tweederangs, de tussenpersonen die de eersterangs stokken in de wielen kunnen steken. Ik heb ooit iets gelezen over de KGB, de geheime dienst van de Sovjets indertijd. Die rekruteerde bij voorkeur ook mislukte existenties, geschonden individuen, getraumatiseerden. Die waren als eersten bereid om als agenten en verklikkers te werken. Melissa Baghijn is trouwens ook begonnen met een ‘dichtbundel’ van de soort die we kennen, https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/08/28/uit-reynebeaus-lyriek/, alvorens ze een van de gevaarlijkste agenten van Opus Dei en de CIA werd.

Intermediairs zijn de hefboom om het culturele leven te beïnvloeden. En die koop je met functies, met mogelijkheden om iets te verdienen, met networking of hoe dat tegenwoordig allemaal heet.

2

Iemand als Kristien Hemmerechts, hevig bekoord door de charmes en de intellectualiteit van Herman de Coninck, is zo’n schrijfster die dan zelf probeert de tussensector te bespelen. Me too heeft ze gedacht. Dat is juist het verschil met echte schrijvers als bijvoorbeeld Willem Frederik Hermans. Bij Hermans zie je steeds die angst dat de indruk zou kunnen ontstaan dat het iets anders zou zijn dan zijn werk, waarop zijn roem steunt. Iemand als hij wil het maken als schrijver. Stientje daarentegen geeft te kennen dat ze geen vertrouwen heeft in eigen talent en werk. Door zich te liëren met iemand als de Coninck, anders doe je zoiets niet. Als schrijver kón ze het niet maken. Maar ze had haar hartstocht tóch moeten bedwingen, daar is niets aan te doen. Het zich ontzeggen, de Entsagung is een thema dat bij Goethe eigenlijk altijd aanwezig is. Hij was daar ook een meester in, in het uit de weg gaan van wat een nadelige invloed zou kunnen hebben op het scheppingsproces, op de hele literaire gang van zaken.

Dat Herman de Coninck die activiteiten met die jarretels zo opgeruimd beschreef en uitbazuinde, dat had Kristien bij voorbaat moeten weten. Wie bij de hond slaapt, zegt de volksmond, die moet niet verbaasd zijn dat hij vlooien krijgt. Echte talenten zijn daar tegen gewapend. Ze laten zich niet in met zo iemand. Ze zullen er zelfs voor zorgen dat ze worden tegengewerkt, dat ze genoeg vijandschap wekken – en die tegenstand dan overwinnen tot meerdere roem van de kunst.

Stientje had er bovendien aan moeten denken dat ze, als ze voor een schrijfster wou doorgaan, dat ze dan de literatuur ook moest representeren. Zo’n laag individu was bijgevolg onaanspreekbaar voor haar, dat kon dan gewoon niet. Het zou toch een schande zijn voor heel de kunst…

“De heilig krans van de roem

Zag ik, ontwijd op die gemene kop”,

zegt Schiller. En dan moeten andere schrijvers het oplossen, en zorgen dat de waardigheid van de kunst hersteld wordt.

Ik heb trouwens gelezen dat Stientje zich écht door hem liet tutoyeren. Dat is toch alleen maar denkbaar in een land waar geen literaire cultuur bestaat, waar ze alleen dat katholieke alsof kennen.

De manier waarop literatuur het publiek bereikt, de hele sector van uitgeverij, van de zogenaamde kritiek – we zijn daaraan gewoon geraakt, maar het is geen ijzeren natuurwet. Die hele tussenbouw is in feite bijkomstig. Wolfram von Eschenbach ging van burcht tot burcht om zijn meesterwerken voor te dragen en zijn publiek waren hoofdzakelijk vrouwen. De mannen waren bezig met de jacht of het doodknuppelen van lijfeigenen. Niettemin was Wolfram tevreden met die dames, hij schreef voor hen. De uitgeverswereld bestond niet, maar dat maakte kennelijk niet uit. Het was een literatuur die functioneerde.

Maar het volstaat niet om de intermediaire structuren buiten spel te zetten. Het gaat ook om grote principes, om de aantasting van de fundamenten van de kunst de voorbije decennia, het uitgeven van het surrogaat voor het echte.

3

Woorden en begrippen zijn vatbaar zijn voor verdraaiing, manipulatie, gewoontevorming. Allerlei invloeden zetten zich als sediment op ze vast. Ze worden onherkenbaar van de aangekoekte ballast.

De neostructuralisten waren erg begaan met deconstructie. Ze spoorden ideologische en andere bijmengsels van begrippen op en toonden aan dat betekenissen niet gratuit waren, maar dat er vaak machtsfactoren een rol in speelden. Voor hen bestonden er ook geen feiten, alleen interpretaties. Voor een klassieke kunstopvatting is dat een onvruchtbare invalshoek – het is romantisch. ‘Iets is, en als iets is, is het waar. Maar als iets niets is, dan is er alleen maar herrie.’ (Willem Frederik Hermans: Scheppend Nihilisme, p. 189)

Ondanks de massieve steun voor het neostructuralisme en het postmodernisme bleef een deel van de Duitse filosofie sceptisch. Het postmodernisme met name was al gauw gewogen en te licht bevonden. In filosofische kringen werd het afgedaan als meer iets voor sociologen en literatuurwetenschappers.

Het was nochtans een literatuurwetenschapper van de Humboldt-universiteit, Klaus Laermann, die een van de dodelijkste pijlen afschoot, een stuk met de onvergetelijke titel ‘Lacancan und Derridada’, en het bleef ook voor de rest rommelen. Manfred Frank schreef een kritisch werk over het neo-structuralisme. Ook jongere filosofen in Italië (Maurizio Ferraris) en Duitsland (Markus Gabriel) springen de jongste jaren voor een nieuw realisme in de bres.

Iemand van de oudere generatie die ik speciaal wil vermelden was de filosoof Wolfgang Marx, die hoogleraar was in Bonn. Hij probeerde het denken te redden, uitgaande van de kritiek van Kant. Een opmerkelijk boek van hem[1] is gewijd aan de negatieve en vervreemdende invloed van de kunstfilosofie op de kunst.

Jacques Derrida poneerde intussen dat verdraaide, verwaterde begrippen niet gered of gerestaureerd konden worden. Ze blijven altijd hopeloos bezoedeld en een oorspronkelijke, onaangetaste betekenis is volgens hem niet meer te achterhalen.

Ludwig Wittgenstein had daarentegen het bad van de alledaagse taal aangeprezen om de taal te ontslakken, om weer door te dringen tot de kern, tot de levende substantie ervan. Met behulp van die alledaagse, gewone taal zou er een schoonmaak mogelijk zijn, zou de van filosofische en andere jargons bevrijde taal ons weer in verbinding kunnen brengen met het ware. Het is met woorden als met vogels die het slachtoffer geworden zijn van een oliepest. In de Derrida-optie zijn ze verloren; volgens Wittgenstein kunnen ze schoongemaakt en gered worden, dankzij de gewone taal.

De geredde vogels: dit is het symbool van de ecologische klassiek, die het vervalste beeld van de literatuur zoekt te saneren met behulp van de ideeën van schrijvers die verstand hadden van hun vak. Weg met het jargon van filosofie en literatuurwetenschap, terug naar de ervaringen van de dichters zelf – de Ars Poetica van Horatius, de brieven van Gustave Flaubert, de opstellen van Giacomo Leopardi – er is zo veel.

Voor een klassieke kunstopvatting kan in kunst niet alles vloeiend zijn. Er is een vaste kern. Niet alleen het gebruik bepaalt de betekenis, er is iets dat daaraan voorafgaat. De ecologische klassiek beoefent een archeologisch schrijven: al schrijvend de heilige, eeuwige, onveranderlijke wetten van de literatuur blootleggen. De ware ideeën over deze kunst ecologisch aanpakken, zoals de te redden vogels.

Iedere klassieke kunst heeft dat in feite voorgedaan.

Willem Frederik Hermans leidt ons naar het zuiverste, het hoogste, de klassiek van Weimar, de Grieken. Er is geen verworvenheid, het is een opgave. Het is de remedie tegen de post-literatuur.

Ook de machtige figuur van Jan van Eyck is een leraar in kunstzaken.

4

Voor de Huichelarijse kritiek is mijn roman Schadow intussen te hoog gegrepen. Ze slagen er nu al honderd jaar niet in Van Ostaijen te recipiëren, Walschap ook niet. Bij Hugo Claus is het weer anders, daar gaat het om óver-receptie: bij die ontdekken ze steevast literaire kwaliteiten die er niet zijn. Literatuurwetenschappers van de universiteit van Antwerpen zitten vroom geknield en innerlijk ontdaan voor de grot als eenvoudige herderskinderen in Lourdes. Als ze maar lang genoeg op hun knietjes blijven zitten, krijgen ze die verschijningen.  https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/09/29/hugo-claus-charlatan/

Het is uitgesloten dat ze van Schadow veel zullen begrijpen. Zelfs als ze niet corrupt zouden wezen – ze zouden gewoon het verstand niet hebben. Ze weten niets, zijn niet belezen, niet thuis in literaire debatten. Kom hun niet af met de anti-Prometheus, ze weten niet wat dat is, wat dat cultuurhistorisch betekent. Of wat een klassieke roman is. Bijvoorbeeld De Française van Walschap, een mijlpaal in de Nederlandse literatuur, na het verdict van Hermans dat er nog geen Nederlandse klassieke roman bestond. Kort daarop Walschap dus, toch een spectaculaire gebeurtenis! https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/05/22/hermans-walschap-klassiek/

Maar om dat te zien, om het spectaculaire te begrijpen, heb je een zekere dosis verstand nodig, een bagage die ze niet hebben, vakkennis, belezenheid.

Dat is zoals een componist moet kunnen inschatten of een bepaald ensemble een bepaalde passage zal kunnen spelen. ‘Wat u daar geschreven hebt is onspeelbaar op een trompet,’ zei een trompettist eens tegen Beethoven. Die pakte nogal eens een post! ‘Wat kan mij jouw ellendige trompet schelen,’ riep de componist. Zo ben ik dus niet. Ik moedig aan en geef raad: leer eerst eens noten lezen, gooi die Humo-boekjes eens buiten, zet die popmuziek af… Ik weet dat het dan nóg te moeilijk is, maar ik stimuleer tenminste. Geen professor kan dus kwaad op me zijn.

Dank zij het internet kan iedereen al die amateurs nu missen. De geëmancipeerde lezer die dat wil kan onze boeken zelf vinden, en meer is er niet nodig. Dat is de manier waarop literatuur functioneert – niet de namaak die daar in Huichelarije voor doorgaat.

Onze website levert genoeg materiaal, hoop ik, om er zin in te krijgen, om nieuwsgierig te worden naar onze producties. Wie die prikkels niet aanvoelt, zal aan Paradigmaboeken ook niets hebben. Toen ik veertien jaar was heb ik voor het eerst een boek van Walschap gelezen. En ik wist meteen dat ik rust nog duur meer zou kennen, zolang ik niet álles gelezen had wat die man geschreven had. Zo vergaat het echte lezers, de lezers die mij interesseren.

Mensen leren elkaar kennen. De meesten zeggen je niets. Af en toe ontmoet je iemand met wie je nader kennis zou willen maken. Zo is het ook met lezers en schrijvers. Dat is alles.

——————————————

  1. Wolfgang Marx: Ästhetische Ideen. Untersuchungen über die Grundlagen einer Theorie der Kunst. Bonn 1981.

 

 

Het heldenpaar in het gekkenhuis

december 2017. Lucas Mariën.

Naar deze tekst heb ik verwezen in ‘Hermans: geboeid door Heidegger’ (ter perse): Hij verscheen eerder in het Hermansnummer van de De Vissende Kat

 

Het Heldenpaar in het Gekkenhuis. De Vlaggenzwaaiers van Conserve.

 

 

In meningsverschillen met Hermans legde Freddy de Vree niet zelden een opmerkelijke hardnekkigheid aan de dag. Twee keer, schrijft hij in De Aardigste Man ter Wereld, sprak hij zijn vriend aan over het slot van Conserve.[1] In die roman leeft de protagoniste, Onitah, met de obsessie dat de oude Egyptenaren het bij het rechte eind hadden dat niet alleen de geest van de mens onsterfelijk is: ‘Ook het lichaam mag niet meer verloren gaan. Het moet dus worden gebalsemd, waarheid die de oude Egyptenaren al kenden.’[2] Onitah weet haar psychiater zover te krijgen, dat die haar na haar dood ook balsemt. ‘Slot: de psychiater belandt in een krankzinnigengesticht.’[3] Daar treft hij lotgenoten, van wie er twee ‘zwaaiden met vlaggetjes waarop geschreven stond Humaniteit en De zin van het bestaan. De eerste had vroeger een onbedwingbare neiging anderen met messen te steken, de tweede zichzelf.’[4] In dat tweetal, schrijft De Vree,

’…meende ik een afwijzen van het existentialisme te hebben bespeurd. […] Ik had het ontcijferd (ontmaskerd!) als een […] verwijzing naar Jean-Paul Sartre, maar toen Wim de roman schreef in 1943, had hij noch van Sartre, noch van het existentialisme gehoord.’

Hermans ontkent dan ook dat zijn vriend het bij het rechte eind heeft. Maar De Vree’s intuïtie bedriegt hem niet in zoverre dat we hier inderdaad staan voor een breuklijn, een ‘afwijzen’, maar dan van iets veel omvangrijkers dan het existentialisme. 

De vraag die meteen rijst is of die twee gekken niet Ter Braak en Du Perron zijn, de twee publicisten die Hermans het dringendst moest deconstrueren. In de Mandarijnen steekt Hermans immers de draak met een Gesprek over de Zin des Levens van Menno ter Braak[5]. Met de kern van diens betoog, dat geldige algemene uitspraken over die ‘Zin’ niet kunnen worden gedaan, zal Hermans het niet oneens zijn geweest. Zijn spot is gericht op de pseudo-filosofische brallerige bombarie van Ter Braak, die zelf niet terugdeinst voor het doen van gratuite, tautologische uitspraken die hij anderen – met name kunstenaars – in dezelfde tekst verwijt:

‘Ik heb (…) kinderen kunnen observeren en uit den ernst, waarmee zij zich aan het spel wijden, opgemaakt, dat oorspronkelijk zin en spel identieke begrippen zijn.’[6]

Of nog:

‘Den diepsten zin, dien een kind aan het leven kan geven, is zijn spel volkomen te spelen.’[7]

Op de spits drijft hij het met de ongemotiveerde uitroep dat ‘het kind een idylle’ is.[8]

Ter Braak de representant van de Zin des Levens? Tsja, maar is de koppeling Du Perron – humaniteit eigenlijk wel voor de hand liggend? Bovendien, Hermans gaf wel eens iemand een steek in literaire teksten, maar waren Ter Braak en Du Perron niet toch te onbeduidend om te figureren op een zo prominente plaats in een ambitieuze roman?

Maar dat spel als ‘diepsten zin’… zit Ter Braak daar niet Schiller te… parafraseren? Dat de allereerste vorming van het individu moet plaatsvinden in een ‘idyllische omgeving’ en kunst moet worden beoefend als ‘ernsthaftes Spiel’? De Zin des Levens, was Schiller daar niet geweldig mee begaan? En ja, de humaniteit, het ‘humaniteitsideaal van de Klassiek van Weimar’…

Goethe en Schiller hadden in Hermans’ jeugd, in de jaren 30, nog een andere status dan nu het geval is. Ondanks het feit dat die al een knauw had gekregen door de Eerste Wereldoorlog. Voor de dadaïsten bijvoorbeeld betekende die een aanfluiting en het failliet van dat zo geprezen humaniteitideaal. Maar honderd jaar eerder al had Heinrich Heine geprobeerd de erfenis van Weimar te verdedigen tegen het toen opkomende virulente nationalisme. Dat polemiseerde immers, schrijft Heine,

‘tegen een gezindheid, die juist het heerlijkste en heiligste is, dat Duitsland heeft voortgebracht, namelijk tegen die humaniteit, tegen die algemene mensheidsverbroedering, tegen dat kosmopolitisme, dat onze grote geesten Lessing, Herder, Schiller, Goethe, Jean Paul, dat kortom alle intellectuelen in Duitsland altijd gehuldigd hebben’[9].

Toen Hermans Conserve schreef wisten ontwikkelde mensen nog dat het klassieke humaniteitideaal de hoofdgedachte was van de hele Weimarer Klassik. Hermans’ ouders waren opgeleid tot onderwijzers, en in hun gezin was Goethe zonder twijfel een erkende grootheid – te meer omdat vader Hermans ook nog ‘veel Duits las’[10] en vrijmetselaar was[11]. Op zijn achttiende verjaardag – kennelijk een plechtig moment – kreeg Wim van hen de Goethe-biografie van Eduard Engel met een opdracht cadeau. [12] Het had ongetwijfeld iets symbolisch.

In ieder geval werd in 1932, Hermans was toen elf, de honderdste verjaardag van Goethes sterfdag uitvoerig herdacht. Er verscheen onder meer een boekje Goethe de Vrijmetselaar van D.H. Wester[13]. Daarin wordt Goethe ‘de ziel der menschheid’ genoemd.[14] De Olympiër was toen geweldig mediaal aanwezig. De filosoof Ortega y Gasset liet weten dat dat hele Goethe-gedoe hem de strot uitkwam en dat hij een ‘Goethe van binnenuit’ wilde. De slogan van de humaniteit komt in de jaren ‘30 en ’40 zo in de mode, dat ook de Kerk van Rome ontdekte dat ze daar in de grond altijd al voorstander van was geweest, onder ander bij monde van Hermans’ latere vijand, Anton van Duinkerken. Die prijst een publicatie van een pater Degrijse over Humanisme in zijn bundel Mensen en Meningen[15] en neemt daarin een eigen stuk op, dat De Humaniteitsleer der Kerk heet.

Een van de eersten die zijn buik vol had van het gezwollen gebruik van het ideaal was trouwens degene die veelal doorging voor de uitvinder ervan: Goethe zelf. Over zijn stuk ‘Iphigenie’ schrijft hij aan Schiller dat het ‘verduiveld humaan’ is, ‘verteufelt human’.[16]

In Goethes Reis naar Italië komt een reactie voor op het nieuws dat Herder klaar is met het derde deel van zijn Ideen zur Philosophie der Geschichte. Johann Gottfried Herder, een van de propagandisten van het ideaal, zal – schrijft Goethe – ‘de mooie wensdroom van de mensheid, dat alles ooit beter met haar moge worden, beslist treffelijk hebben uiteengezet. Ook […] neem ik zelf wel aan dat de humaniteit tenslotte zal overwinnen.’ Maar dan – Goethe is nog steeds aan het woord: ‘vrees ik dat de wereld tegelijk een groot hospitaal geworden zal zijn, en de ene mens de humane ziekenverpleger van de andere.[17]

Bingo!

Dit is geen gewone reminiscentie meer: de situatie in het gekkenhuis in Conserve is een citaat! 

Niettegenstaande Goethes scepticisme ten opzichte van het pathetische van Herder c.s., werd hij in toenemende mate met dat ‘humaniteitsideaal’ geïdentificeerd. Hermans zal de schrijver van de Faust meer dan eens ook het optimisme verwijten, dat hij hem zelf toedicht. Lange tijd kan hij niet over hem schrijven zonder een zekere wrokkigheid. Hij koopt het schilderij van Moesman met de ‘kop van Goethe waaruit een stuk is gebeten als uit een appel’. ‘Hitler viel in mei 1940 Nederland binnen,’ schrijft hij in De aardappel van de dood, ‘en zo verloor Goethe-Duitsland zijn gezicht’.

Meer dan een halve eeuw ná Conserve brengt Hermans het begrip ‘gekkenhuis’ direct in verband met de oorlog. In een Knack-interview [10 mei 1995, p. 107; dit zg. interview moet overigens ten dele (?) apocrief zijn] zegt hij over de Duitsers: ‘Dat een zo begaafd volk plots (sic, LM) zo krankzinnig kon worden, het was onbegrijpelijk (…). Voor mij was dat een grote, diepe teleurstelling. Daar kom je nooit meer overheen, dat gevoel van: ik leef in een gekkenhuis.’

Het is me niet bekend dat de classici van Weimar met messen staken. Maar ik denk dat de twee gekken in Conserve iets met ze te maken hebben.

Hermans verweerde zich tegen zulke verregaande interpretaties – daarin ook gelijk aan Goethe die eiste dat zijn werk concreet gelezen werd. Twee mannetjes in een roman zijn dié twee mannetjes in dié roman, dat is alles.

En ik heb dus niets gezegd.

_______________________

  1. Freddy de Vree: De Aardigste Man ter Wereld. Amsterdam 2002. P. 52 en 207.
  2. W. F. Hermans, Het Sadistische Universum 2. VW 11, p. 627.
  3. O.c., p 628.
  4. Conserve. VW 1, p. 230.
  5. Mandarijnen (1973(4)) p. 63 e.v. Ter Braaks tekst staat in Forum, jg. 3 (1934).
  6. O.c., p. 1163.
  7. Ibid.
  8. In ‘Die Romantische Schule’. Heinrich Heine, Sämtliche Schriften, (uitg. Klaus Briegleb). München 1996(3). Dl. III p. 379.
  9. W.F. Hermans: De laatste roker. Amsterdam 1993. P. 185.
  10. W.F. Hermans: Fotobiografie. Amsterdam 1969.
  11. Avenue, 17 jg. nr. 7, (juli 1982) p. 76.
  12. Herdruk van de uitgave van 1932, uitgeverij Schors, Amsterdam 1981.
  13. Ibid. p. 6.
  14. Anton van Duinkerken: Mensen en Meningen, ’s-Gravenhage 1951. p. 206.
  15. Brief aan Schiller van 19 januari 1802.
  16. Goethes Werke, Hamburger Ausgabe XI, 332.

Hermans’ idee, Walschaps meesterwerk en de gerechtigheid.

 

mei 2017. Lucas Mariën

 

Walschaps pleidooi voor de instelling van een rechtsorde. De diefstal van de Rechtvaardige Rechters als literaire vorm. Uitdaging door Hermans? De eerste Nederlandse klassieke roman. Algemeen in plaats van bijzonder. Anti-naturalisme. Mythische taal. Klassieke elegische toon. Onverbiddelijkheid van het lot. De Heilige Drievuldigheid: Multatuli, Walschap, Hermans.

 

 

In het midden van de jaren ’50 is het onmogelijk geworden de jonge Willem Frederik Hermans nog over het hoofd te zien. Gerard Walschap is op dat moment al tot op zekere hoogte gearriveerd. Het homerische gevecht met het katholicisme heeft hij gewonnen. In 1955 verschijnt ‘Salut en Merci’ zijn definitieve afrekening met die wereld. Dat het niet gelukt is hem tot zwijgen te brengen is ook te danken aan invloedrijke stemmen uit het noorden, Simon Vestdijk, Menno ter Braak, die het voor hem hebben opgenomen. Hij heeft in de jaren ’30 en ’40 belangrijke romans geschreven, Sibylle, Houtekiet, maar in 1957 verschijnt De Française, een meesterwerk dat uitdrukkelijk bedoeld is als ‘klassieke’ roman.

Ik denk dat hij in die tijd, in dat opzicht, een leerling is geworden van de jongere Willem Frederik Hermans. Walschap had natuurlijk het genie van Hermans herkend. Hij volgde hem, nam het voor hem op en dreigde zelfs met ontslag uit de redactie van het Nieuwe Vlaams Tijdschrift toen een zekere Maurits Roelants daarin in 1952 begon te schrijven dat de vervolgers van Hermans gelijk hadden – het ging over dat proces wegens belediging van het ‘katholieke volksdeel’. Walschap koos partij voor de jonge collega en Roelants moest een toontje lager zingen.

Hermans schreef in 1953 zijn belangrijke essay over Experimentele Romans. Daarin stelde hij vast dat er eigenlijk geen Nederlandse klassieke roman bestond. De Max Havelaar bijvoorbeeld, zegt Hermans, dat is in feite een experimentele roman. Het modieuze gepraat over de experimentele roman op dit moment leidt tot niets, en het belangrijkste experiment dat een Nederlandse schrijver zou kunnen nemen, zou erin bestaan een klassieke roman te schrijven. En de ‘klassieke roman die mij voor ogen staat (is) misschien nog niet geweest’. (Hermans VW 11,125.) Het spreekt vanzelf dat dit een uitdaging is.

Gerard Walschap nam ze aan.

Hij is iemand die het altijd weer beter wil doen. Een boek dat gepubliceerd is, is weg, is meteen vergeten. En hij begint aan een nieuw met het gevoel en de ambitie dat hij nu eindelijk zijn definitieve werk zal schrijven. Zijn brieven getuigen overvloedig van deze ingesteldheid. Walschap, steeds op zoek naar nieuwe uitdagingen, wil ook de Vlamingen opstuwen in de vaart der volkeren. Allicht is hij tot de bevinding gekomen dat de bevrijding van dat volk het best ondersteund kon worden door een klassieke kunst, een inzicht dat ook bij Van Ostaijen bestaan heeft. En Walschap gaat dus aan het werk en schrijft de roman die Hermans mist. Er kan geen twijfel over bestaan dat de classiciteit van De Française uitdrukkelijk bedoeld was, dat heeft de schrijver zelf herhaaldelijk bevestigd. (O.a. Album GW, p. 116.) Doorgaans had hij een ongelooflijke gemakkelijkheid bij het schrijven. Hij schreef zijn boeken in één ruk neer, in enkele weken tijds – hoe lang hij die dan had meegedragen in zijn hoofd, weten we niet. Maar De Française was moeilijk, die heeft hij wel twee en een halve keer moeten schrijven, zegt hij: ‘Dit boek is voor mij een technische krachttoer geweest die bovendien volkomen moest beantwoorden aan mijn opvatting van de roman. (…) Ik wilde laten zien tot wat ik in staat was en daarom heb ik mezelf voor een onmogelijke opdracht geplaatst.’ (Album GW, 116.)

Er bestaan klassieke, latere werken, van Hermans o.a., maar die Française van Walschap is zo gaaf, zo volmaakt en aangrijpend… Het boek herinnert door zijn kristallen helderheid, door zijn Attische klaarte – als bij Sophocles, op wie de schrijver uitdrukkelijk alludeert (107) – en zijn mythische karakter geregeld aan de late Goethe, die van de Wahlverwandtschaften.

De lacune die Hermans aanwees, die niet bestaande Nederlandse klassieke roman, die heeft Walschap opgevuld, die roman heeft hij geschapen met De Française.

Het boek behandelt zijn eigenlijke thema: de huichelarij. Het katholicisme is in de literatuur altijd al in verband gebracht met huichelarij, er bestaan grote meesterwerken over, in de eerste plaats natuurlijk de Tartufe van Molière. Ook Rood en Zwart van Stendhal, een mijlpaal in de geschiedenis van de romankunst.

Bij Walschap zijn het vooral die prachtige vrouwenfiguren, die allereerst het slachtoffer worden van de huichelarij. Die er zelfs aan ten onder gaan, zoals Sibylle – en Adelaïde al, in zijn eerste roman. Later heeft Denise er mee af te rekenen en dan vooral die Française. ‘De Française’ en niet Martine, zoals ze heet. Andere romans van hem hebben eigennamen als titel: Adelaïde, Erik, Carla, Sibylle, Denise, Tor, zuster Virgilia. Maar hier gaat het niet meer om het individu, maar om de soort. De personages zijn principes, ideële maskers. ‘Eerder personificaties dan psychologische portretten’ had Hermans in Experimentele Romans als kenmerk van klassieke personages gepostuleerd (VW 11, 125).

De familie waarvan Cel, de geliefde van de Française, een spruit is heet Allemans, d.i. Elckerlyc of iedereen! Ook hier gaat het niet om het particuliere, maar om het algemene. Martine offert zich op voor Cel Allemans, maar op een symbolisch vlak doet ze dat voor het hele volk dat door hem wordt gerepresenteerd.

De roman vertelt het verhaal van de onmogelijke liefde tussen de Française en Cel Allemans, een Vlaamse plattelandsbewoner die door zijn familie en hemzelf eigenlijk was voorbestemd om priester te worden. Maar dat wordt hem belet omdat hij het ‘onwettig’ kind was van een van de ‘tantes’ en vermoedelijk ‘een onderpastoor die bij de Allemans in en uit liep’ (43): ‘De eer van de geestelijke stand duldde Cel niet, het canonieke recht was op dat punt nadrukkelijk.’ (t.a.p.) Het noodlot in de gestalte van het kerkelijk recht en de ‘eer’ van de priesterkaste gooit een levensproject uit zijn baan. Ogenschijnlijk staat de liefde tussen de Martine en Allemans daarna niets meer in de weg, maar het katholiek systeem wil nog een woordje blijven meepraten. Het paartje wordt bewaakt, gecensureerd, verstikt, gecontroleerd door een apparaat van tantes, onderpastoors, hospita’s en een gepensioneerde politiecommissaris waarbij vergeleken de Stasi in de DDR een clubje van amateurdetectives was. Als aan het licht komt dat ze niettemin een liefdesrelatie hebben, staat de wereld op zijn kop. De grootste schuld treft de Française, die Cel tot goddeloosheid verleid heeft: ‘De Franse feeks trok God door de modder van haar onkuisheid.’ (77) Reddeloos gevangen in de netten van bekrompenheid en huichelachtige katholiciteit, ziet het paar geen uitweg meer. De Française offert zich op voor haar geliefde die, daarvan is ze overtuigd, weer een toekomst zou hebben als zij niet in de weg stond. Ze pleegt zelfmoord. Nóg een vrouwenfiguur dus, die door het systeem ten onder gaat. ‘Offerlam’ (107) noemt de schrijver haar en… Antigone (107).

In De Française is niets meer naturalistisch. Alles is generisch, is masker ook, en overtrokken met een klassieke melancholie. Het offer van Martine wordt vergeleken met ‘de dood van Antigone’ (107).

In Sophocles’ Antigone sterft de heldin omdat ze haar broer Polyneikes begraven heeft tegen het bevel in van koning Kreon. Maar volgens haar bestaat er niet alleen een wet van de mensen, maar ook een, ongeschreven, van de goden. Die bepaalt dat je een gestorven broer niet op het veld laat liggen, als voedsel voor raven en hyena’s. Zij gehoorzaamt, zegt ze, aan het goddelijk recht, al moet ze de wet van de mensen daarvoor overtreden. Het punt is, dat het goddelijk recht het eigenlijk menselijke is, en het menselijke alleen maar tiranniek. Bertolt Brecht, die zich intensief met het stuk heeft beziggehouden, stelt dat door toedoen van Antigone:

onder de dierenschedels van een

barbaarse offercultus uit oeroude tijden

opstond, groot, de menselijkheid.

(Brecht. GW 6, 2328.)

 

Net voor de tragische afloop van De Française schijnen – zoals het in een tragedie past – Martine en Allemans nog even te kunnen ontsnappen. Ze hebben een onderkomen gevonden in een pension. Maar de agenten van de duisternis zijn waakzaam en ze hebben de politie aan hun kant, die het etablissement binnendringt en aanstalten maakt om het zondige paar te arresteren. Allemans vraagt de commissaris dan naar het juridisch fundament voor diens handelen:

‘Dus, meneer de commissaris, u arresteert ons. Met welk recht, meneer de commissaris, arresteert, pardon, dwingt u de juffrouw mee te gaan.’

Het antwoord van de commissaris is meer een raad en een bedreiging dan een antwoord:

‘Vraag de mannen der wet nooit naar hun recht, zij zijn de Wet en het Recht.’ (98)

 

We bevinden ons dus, door toedoen van de ‘onbuigzame rechtvaardige’ zoals Brecht Antigone noemt, en haar vriend, in de wereld van de Rechtvaardige Rechters. De diefstal van het paneel uit het Lam Gods als groot symbool, als de schepping van een leegte in de plaats van wat de Rechtvaardige Rechters symboliseren, krijgt hier een literaire vorm. De Française-Antigone sterft voor het goddelijk recht, voor het recht van de Allemansen die Walschap wou ‘opstuwen in de vaart der volkeren’. Recht dat in de plaats zou komen van het niet-recht van zompige pijen en dempige soutanes, van het uit bekrompenheid, huichelarij en fanatisme bestaande systeem van onderdrukking.

Is Martine voor niets gestorven? De zaak Dutroux heeft aangetoond dat er in Tartufistan nog altijd geen echte justitie bestaat – maar niet alleen die. We hebben sindsdien nog besmodderde kamizolen gehad wier misdaden gelukkig net op tijd verjaard waren, magistraten die onverhoeds, walgend hun carrière beëindigden en grootscheepse onderzoeken die werden opgezet en met een sisser afliepen, de vragen waar het om ging als steeds onbeantwoord.

De ondergang van De Française staat aan het einde van een onverbiddelijke ontwikkeling. Walschap spreekt over ‘de onafwendbaarheid van haar lot’ (109). De dwingende baan van het noodlot wijst natuurlijk ook in de richting van de klassieke tragedie. Uitgesproken realistisch, laat staan naturalistisch is Walschap nooit geweest. Hij streefde van bij het begin naar een klassieke kunst. In De Française is hij klassiek geworden.

In een brief aan een (vanzelfsprekend toen ook al) incompetente en ideologisch misvormde criticus schrijft de jonge Walschap in november 1930 dat het zijn ambitie is ‘één enkel boek te schrijven waar een heel volk zich kan aan vasthouden’ (Brieven 1, 207). De Française zou dat boek kunnen zijn – in een ander land, waar een zekere literaire cultuur bestaat en waar belangrijke schrijvers niet decennialang worden vervolgd met laster en kwaadwillige verkeerde interpretaties.

Vanzelfsprekend is Walschap in Huichelarije nooit gerecipieerd, zoals ook Van Ostaijen niet gerecipieerd is.

Er bestaat geen kritiek op enig, laten we zeggen: academisch, niveau – op überhaupt enig niveau.

In plaats van te liggen urmen over het geloof van Walschap, zo’n brave mens die ‘in de grond’ altijd al een ‘mensch van goeden wil’ was geweest en die in de huidige postconciliaire tijd zeker katholiek zou zijn gebleven…

Dat is een voorbeeld van zulke laster.

Hij was klaar en duidelijk een atheïst. Dat was een gevolg van een denkproces en die houding zou niet beïnvloed worden door een periode van wat meer slijm strijken, in plaats van vervolgen.

De toestanden in De Française worden niet uiteengezet, ze onthullen zich, zoals past in een mythisch taalgebruik. Er is een stand van zaken die zich manifesteert zonder dat de schrijver daar uitleg bij moet geven. Het boek wordt gekenmerkt door een volmaakte literaire autonomie, het op zichzelf betrokken zijn van de klassieke tekst, en door het koele benadrukken van de vorm.

Alles is concreet, alles spreekt voor zich.

De melancholische nuchterheid waarmee de onmacht om iets ten goede te veranderen aan het licht komt is een klassieke melancholie. Er is geen emotionele reactie meer op het onrecht, zoals nog in de vroegere romans van Walschap: zijn klacht is elegie geworden. De huichelarij wordt monumentaal zoals dat alleen is voorgedaan door Molière in zijn Tartufe.

De zoekers naar ‘het goede’ bij Walschap, naar het indegrondse, raken niet uitgejammerd over de grote oorlog tussen hem en het obscurantisme in de jaren ’30 en ’40. Ze zien niet dat een klassieke roman als De Française, uit een periode toen de strijd bekoeld leek, veel definitiever, veel onherroepelijker, veel schadelijker voor hun winkel is dan die vroegere romans, die hun voorgangers al zo ongelukkig hebben gemaakt.

Er is een interessante, echt klassieke vorm van zonnesymboliek bij Walschap en Hermans – maar daar kom ik elders op terug.

Verwerping van een teleologisch perspectief zoals dat elders bestaat, in het katholicisme, maar ook bij Hegel en zijn volgelingen.

Met dat al bereikt Walschap een antinaturalistische, klassieke stijl die in de moderne Nederlandse literatuur verder alleen nog bij Hermans voorkomt, en bij Multatuli – die in een veel hogere mate een klassiek schrijver is dan algemeen wordt aangenomen. Cfr. Woutertje Pieterse, cfr. inzichten over literatuur in de Ideeën.

De moderne Nederlandse literatuur heeft drie grote, onsterfelijke schrijvers voortgebracht: Multatuli, Walschap en Hermans. Dit is de Heilige Drievuldigheid van onze literatuur.

De Ecologische Klassiek is hun in vrome aanbidding toegedaan. Ecologisch zijn wij, omdat we de literatuur en de opvattingen over literatuur willen bevrijden van aanslibsels en vervuiling. Klassiek – omdat we niet anders proberen te werken dan in ijverige navolging van deze meesters.

 

Koehns Kamer (i). Milieu-ambtenaar. Ernst Haeckel.

579

 

8 & 19 mei 2016. Coralie Coloratuur.

 

Terwijl mijn leeftijdsgenoten nog laboreerden aan de gevolgen van hun plechtige communie, trok ik al in mijn eentje naar het eiland Sylt met een fototoestel, een aantekenboek en een rugzak met daarin een elektroshocker en een oranje bikini. Het was al oktober, die eerste keer, en hoewel het prachtig weer was, bitter koud. Zo koud dat de bikini ondanks zijn beknoptheid maar langzaam droogde en ik hem op mijn verkenningstochten bovenop mijn rugzak moest vastbinden. Ik wou alles weten over de man aan wie we het te danken hebben dat ze de diefstal van de Rechtvaardige Rechters niet helemáál onder het tapijt hebben kunnen vegen, de kerk en de Tartufistaanse “justitie”. Ik wou de man leren kennen die als onderdeel van een bezettingsleger en van een systeem van onrecht een Rechtvaardige Rechter zou worden. Zonder hem zou de Boodschap van Goedertier zijn verwaaid, opgeslokt door de nevelen van de tijd. Ik beschouw het als een groot geluk dat ik zo jong begonnen ben naar sporen van Henry Koehn te zoeken. Zo ben ik nog in zijn huis “De Ram” (Widderhaus) geweest in Kampen op Sylt, ben ik nog in zijn werkkamer geweest – die sinds zijn dood onveranderd was gebleven, meer dan veertig jaar lang.

 

Milieuzorg in plaats van Rechtvaardige Rechters.
Het lijdt geen twijfel dat het eiland Sylt de eigenlijke heimat van Henry Koehn was. Hij heeft hier geleefd – met overtuiging geleefd, zou ik zeggen. Getuige daarvan dat dikke boek over de Noordfriese eilanden – Sylt is van die eilanden het grootste en in meerdere opzichten het belangrijkste. Ook zijn werk als fotograaf van het eiland getuigt van zijn liefde voor dit landschap.

Maar hij heeft zich ook ingezet voor het patrimonium, zowel dat van de natuur als de cultuur. Hij was actief als een van de eerste milieubeschermers – lang voor er zelfs maar een bewustzijn ontstond dat er iets de verkeerde kant op ging. Op Sylt is dat misschien eerder zichtbaar geweest als op het vasteland.

Het eiland was beroemd beginnen worden in het begin van de twintigste eeuw. Aanvankelijk waren het vooral kunstenaars en intellectuelen die er zich terugtrokken. Kampen, het dorp waarin Henry Koehn later een huisje verwierf, was een voormalig vissersdorp met een prachtig, breed, sneeuwwit strand.

Koehns huis 'De RamL'

Koehns huis “De Ram” – 2004

 

In het kielzog van de schilders kwamen de kunstverzamelaars die tot op zekere hoogte deel wilden hebben aan het leven van de bohème. Al in de jaren twintig scheen de overheid zich zorgen te maken over het behoud van het karakter van het eiland. Toen werd bijvoorbeeld besloten dat alles wat er nog gebouwd werd een rieten dak moest hebben, zoals de oorspronkelijke vissershuizen. Zelfs de bushokjes zijn hier dus uitgerust met een rieten dak. Maar in de duinen verrijzen de villa’s van de rijken – weliswaar ook allemaal met zo’n dak.

Henry Koehn komt hier naartoe in het begin van de jaren dertig. Hij kan aanvankelijk bij een broer logeren en aan zijn boek werken, dat in 1938 verschijnt.

Na 1945 komt het massatoerisme, gepaard met de bouw van opslagplaatsen voor toeristen in de architectuur van het zg. Wirtschaftswunder – nee, architectuur is dat niet. In ieder geval: Koehn begint zich te roeren als criticus. Hij geniet aanzien als schrijver van het standaardwerk over de ‘Noordfriese eilanden’, dat in de boekenkast staat van wie hier wil meetellen. Hij publiceert geregeld in de regionale pers of in het kader van culturele organisaties.

In 1950 krijgt Koehn een officiële functie van de deelstaat Sleeswijk-Holstein en wordt aangesteld als hoogste milieubeschermer van het eiland – een functie die speciaal voor hem gecreëerd wordt?

Zijn plan om een boek te schrijven over de affaire van de RECHTVAARDIGE RECHTERS verdwijnt naar de achtergrond. Maar hij legt als milieubeschermer dezelfde kwaliteiten aan de dag als bij zijn zoektocht naar het gestolen paneel: hij is grondig als de wetenschapsman die hij wilde zijn, vasthoudend als een terriër en aimabel als hij nu eenmaal was – hij was graag gezien, op Sylt evenzeer als hij dat in Vlaanderen geweest schijnt te zijn.

Om te beginnen werkte hij een volledig plan uit, met kaarten en al wat er bij hoorde, voor het behoud van wat nog ongerept was, wat nog te redden was, enzovoort. Het leek erop dat hij daarmee nogal wat succes had. De gemeentebesturen waren het met hem eens of deden alsof.

HK Friesl brochure

Maar in het kapitalisme schijnt het zo te zijn dat als er ergens geld gemaakt kan worden, dat het dan ook gemaakt wordt. Milieu of volksgezondheid spelen geen rol. Reservaten van indianen in Brazilië kunnen plotseling omgeploegd worden en Fukushima wordt weer in werking gesteld. En de kloof tussen tegenwoordig zelfs pauselijke encyclieken en de realiteit wordt toegehuicheld. Henry Koehn moest toezien hoe het patrimonium op Sylt werd verkwanseld aan de toerisme-industrie. Over de hoofden van de gemeentebesturen heen, heette het dan, werden gronden vrijgegeven voor speculatie. De wet werd overtreden, overeenkomsten geschonden, en niemand wist van iets. De regering (van Sleeswijk-Holstein) in Kiel was niet geïnteresseerd in echte milieuzorg en plaatselijke functionarissen werden omgekocht. Koehns mooie plannen verzandden in de administratieve molen; zijn oorlog tegen het gesjacher en gesjoemel vergalde de laatste jaren van zijn leven. Maar hij stond bekend als onbaatzuchtige strijder voor de natuur en was mettertijd een tweemanschap gaan vormen met de voorvechter van de Friese taal en cultuur, Harald Hansen uit Keitum, met wie hij ook bevriend werd.

Knud Ahlborn, een andere werker op Sylt, in 1963 in hevig verdriet gedompeld in een in memoriam voor Koehn, riep smartelijk uit: ‘Wie zal de plaats innemen van deze dappere strijder voor de Friese oernatuur?’ Koehns weduwe Eva vond het een troost dat haar man nog net voor zijn dood een ereteken, het Bundesverdienstkreuz, had gekregen voor zijn inzet voor het milieu en dat ze samen ‘de dingen die het leven levenswaard maken’ ondanks alle zorg en moeite hadden genoten.

Van modieus naar trendy.
In de jaren vijftig en zestig evolueerde Sylt van mondain naar hip en wat modieus was geweest werd nu – ik hoop dat ik dat woord alleen maar deze ene keer in mijn hele leven zal gebruiken (het is bovendien, geloof ik, nog Engels ook)… het werd… trendy. De burgerlijke kunstverzamelaars werden afgelost door sportmensen, intellectuelen door journalisten, muziek door pop, culturele activiteiten door events, restaurants door snackbars. Op het beroemde strand van Kampen werden geen feestjes meer georganiseerd, maar party’s – die trouwens niet georganiseerd werden, maar ontstonden, voor zover ze niet ononderbroken doorgingen. Er werden ook, vóór dat elders in zwang kwam, naaktbaders en vooral –baadsters gesignaleerd. De gewone man wou een kijkje nemen in de wereld van de rijken en, nouja, naakten, en had er zijn spaarcenten voor over. Natuurlijk werd hij afgezet en bedrogen; een pilsje kost hier tien euro en de rest is navenant. Maar in feite werd Sylt een refugium voor de allerrijksten. De prijzen van onroerend goed zijn zo exuberant dat kinderen die het huis van hun ouders erven elkaar niet meer kunnen uitbetalen en de boel verkocht moet worden. Het personeel van de toerisme-industrie moet op het vasteland gaan slapen omdat óp het eiland alles verhuurd is en onbetaalbaar.

Waar Koehn woonde, in Kampen… ik zal in de volgende aflevering moeten vertellen hoe het Ramshuis verkocht werd en wat ik daaronder geleden heb. Dat had trouwens niets met geld te maken. Maar Kampen is een soort spookdorp. Er waren (of zijn) acht juweliers, maar er is geen kruidenier of bakker. Alle internationale luxemerken, Vuitton, Armani, Hermès, beschikken er over riante dependances.

 

Filiaal Hermès

Filiaal Hermès/Paris, Kampen 2004.

 

Tegen de middag komen goed geconserveerde oudere heren met blondines in dure wagens naar de juweliers afgezakt, alwaar de blondines met goud worden behangen om alsdan weer in de auto’s te stappen en voort te rijden.

Opvallend is het autopark hier. De duurste Mercedessen, zelfs een Maybach heb ik gezien, veel Porsches, Ferrari, Lamborghini.
(Ik meen dat Lucas Mariën de oranje Porsche 911 van 1972 waarin hij Sofia laat rijden in Het Ongeschreven Boek hier gezien heeft. Ik heb zelf herhaaldelijk met dat prachtstuk gereden.)

De superrijken weten kennelijk met hun geld niets aan te vangen. Hun auto’s zijn visitekaartjes zoals de spannen kostbare paarden om op de Champs Élysées te defileren bij Emile Zola. Sommige Porsches zijn mooi, maar je kunt op dit eiland hooguit vijftig, zestig rijden en ze zijn gewoonlijk het enige wat mooi is aan de levensstijl van de eigenaars. Zelfs de blondines die erin zitten, zien er niet zelden twijfelachtig uit uit het oogpunt van maat en orde. Om van de gulden snede maar helemaal te zwijgen.

De slimste rijken kopen post-kunst waarvan dankzij de ecologische klassiek meer en meer begint te blijken dat het geen kunst is.

 

Andere gevolgen.

De lelijkheid van de niet-architectuur… tenslotte ben ik architecte van origine, in Het Ongeschreven Boek komt dat genoeg ter sprake.
Mijn eerste roeping heb ik daar gevonden – het was het vurige verlangen dat de door de mensen onder handen genomen wereld minder lelijk zou zijn. Dat was vóór ik mijn eigenlijke roeping gevonden had, vóór ik me had voorgenomen mijn volk te leren denken.

Als ik dan ook een kleine vingerwijzing mag geven…
Een bezoek aan Sylt kan ik niét aanbevelen. Honderd keer beter is het de Waddeneilanden voor de kust van Romp-Nederland te bezoeken. Iets van die cultuur van zeelui en boeren is nog te vinden in de museumshoeve in Keitum op Sylt, een museum dat althans mij erg bevallen heeft omdat ik er vrijuit Fries kon spreken met het personeel – een van onze landstalen waaraan ik bijzonder gehecht ben. Eh… maar dus ook door mijn bewondering voor de Friese wooncultuur. Ook het dorp Keitum zelf is trouwens goed geconserveerd en prachtig. Maar ik heb het altijd alleen maar buiten het seizoen gezien, met het bekende nadeel van een bikini die niet wil drogen.

 

***

Wat er in de Koehns kamer niet te zien was, verklaarbaar vanuit wat er wél te zien was.

Zijn kamer is klein, zoals alles in dit huisje. Een porseleinen Franse klok uit de achttiende eeuw op een plank in de boekenkast. Die wekt natuurlijk herinneringen aan die kroonluchter in Saksisch porselein van Arsène Goedertier. Henry onderhandelde immers met Julienne Goedertier over de verkoop daarvan.

 

Koehns klok.


De bibliotheek.

Ernst Haeckel (1834-1919) was erg in de mode in de eerste decennia van de twintigste eeuw. Hij was medicus van oorsprong, maar is aanvankelijk beroemd geworden als bioloog die gespecialiseerd was in de biologie van de zee. Vooral het microscopisch leven in de oceanen trok zijn aandacht: straaldiertjes, plankton, kwallen… Hij was de eerste die het begrip ‘ecologie’ gebruikte. Leverde een bijdrage tot verdere ontwikkeling en verspreiding van de leer van Charles Darwin, die hij een paar keer ontmoet heeft.

Maar nog beroemder werd Haeckel mettertijd als filosoof – zijn verguizers beweerden dat hij helemaal geen filosoof was – want geen academische school-filosoof van het soort dat Wittgenstein wilde afschaffen. Een kostbaar argument dus, tegen Haeckel, van die verguizers. Maar het is natuurlijk tot op zekere hoogte ook een onrechtvaardigheid ten overstaan van die filosofen dat de bioloog maar kan oreren over kwalletjes zonder eerst te moeten bewijzen dat die bestaan.

Lucas zegt: ‘Natuurwetenschappers staan vroeg of laat oog in oog met de vraag ‘wat de wereld in zijn binnenste bijeenhoudt’ en met het zogenaamde wereldraadsel, terwijl menswetenschappers meteen bij het wereldraadsel beginnen, maar de kennis van de werkelijkheid vaak overslaan.’ Haeckel was dus zo’n natuurwetenschapper die op zoek gaat naar een samenhang in een versnipperd wereldbeeld. Die met andere woorden probeert een oplossing te vinden voor het oerprobleem van de moderne natuurwetenschappen, namelijk dat analytisch onderzoek leidt tot de onderverdeling van de werkelijkheid in steeds kleinere deeltjes, waarbij de kijk op het geheel zoek raakt, zelfs onmogelijk wordt. Een vraagstuk dat de wetenschap sinds Goethe beziggehouden heeft. In diens woorden: ‘Dat wat leeft is (door de analytische wetenschap) weliswaar in zijn elementen onderverdeeld, maar het is niet meer mogelijk het daaruit weer samen te stellen en weer tot leven te wekken.’ (HA 13, 55.) Goethe was niet tegen de vooruitgang in de natuurwetenschappen, integendeel, hij juichte die toe. Maar hij miste iets, bijvoorbeeld in de optica van Newton. Hij vreesde dat de moderne wetenschap dehumaniserende gevolgen zou hebben.

405px-Ernst_haeckel_3[1]

Ernst Haeckel.

Als je bijvoorbeeld de mens steeds verder analyseert, tot er niets meer overblijft dan biochemische processen, dan gaan de humanistische waarden verloren – was zijn overtuiging.

De moderne wetenschapstheorie heeft Goethe al lang gelijk gegeven. Intussen ook alweer vijftig jaar oud is de stelling van Willard van Orman Quine: ‘Zelfs als alle gegevens, waarnemingen en experimenten van een bepaald fenomenengebied ter beschikking staan, staat daardoor nog steeds niet vast welke theorie in dit gebied van toepassing is; theorieën zijn door gegevens altijd onvoldoende bepaald.’ (Ik citeer naar Olaf L. Müller: Mehr Licht. Goethe und Newton im Streit um die Farben. Frankfurt am Main 2015. p. 33.) Willem Frederik Hermans, de recalcitrante leerling van Goethe, bracht diens kleurenleer steeds weer ter sprake om diens ongelijk aan te tonen. Maar op het einde van zijn leven draaide ook hij bij. Ik verwijs hiervoor naar ‘Hermans’ Capitulatie’ in de paradigma-rubriek.

Het is het eeuwige probleem van de bomen en het bos: tussen de onderdelen bestaan veelvuldige relaties, kruisverbanden, wisselwerkingen die de neiging hebben zich aan de blik te onttrekken. De onderneming om de geïsoleerde gegevens weer in een verband te plaatsen, om structuur te brengen in de dingen – m.a.w. het klassieke maxime: vorm – noemt Goethe ‘morfologie’.

 

Parenthese. Een prise historische semantiek.

Ik moet even summier vooruitlopen op toekomstige bijdragen inzake de ‘morfologie van de Rechtvaardige Rechters’: ook het modieuze begrip van het recontextualiseren is een variant van Goethes morfologie-probleem. Juist in de jaren twintig, dertig komt het tot een hoogtepunt in het geschreeuw – dat wordt het dan ook letterlijk: ‘Zersetzung’ is een strijdkreet van de nazi’s. Goethes vrees voor dehumanisering was in de loop van de negentiende eeuw geïnstrumentaliseerd tegen het criticisme in de alfawetenschappen – die juist in die tijd een wetenschappelijk karakter begonnen aan te nemen. Het zal gebruikt worden tegen de kritiek zélf en tegen de autonomie van het individu dat de kritiek uitoefent. En vooral wordt het gebruikt tegen de vrijheid van de kunst, tegen het Van Eyck-paradigma, de autonomie van het kunstwerk.

Heel het complex van de ‘onttovering’ bij Max Weber wordt geviseerd, de pogingen om een realistisch beeld van de werkelijkheid te verkrijgen en de verdringing van een mythisch wereldbeeld door een ‘wetenschappelijk’ – zoals dat heette.

‘Zersetzung’ heet in het Frans ‘dissolution’ (dissolver, dissolvant). Een voorbeeld uit de in  Goedertiers tijd in Tartufistan hooggeprezen ‘schrijver’, Firmin van den Bosch, die schrijft: ‘…Renan distillait d’une voix séductrice ses sophismes dissolvants.’ (F. Van den Bosch: Ceux que j’ai connus, p. 119.)

Jozef Muls zat in de Wetstraat maar een paar bureaus van Henry Koehn vandaan, hij heeft een paar geslaagde optredens in Het Ongeschreven Boek (cfr. o.a. HOB [8.8.] in de rubriek literatuur op deze website). Hij was een eigenaardige figuur die zich niet thuis voelde in het kleinbehuisde Vl. katholicisme, maar die schipperde zoals de meesten – lees Walschap er maar op na. Die ‘sophismes dissolvants’ komen volgens Muls voort uit ‘…dezelfde opstandige, afbrekende en vernielende houding’ die de wereld bedreigen. (Josef Muls, Deze Tijd, p. 100.) Afbreken (oplossen, uit elkaar nemen) en daarbij/daardoor vernietigen – dat zijn de twee betekenis-elementen in ‘zersetzen’. Het is typisch voor Muls dat hij nog niet het jargon beheerst: in het Schoonvlaams gebruikten ze ‘ontbinden’ voor zersetzen. En dat ten laatste sinds het argument opgenomen werd in de officiële leer, en wel door toedoen van paus Leo XIII die zich inzette voor ‘het herstel van de ware filosofie’, zoals in het zendschrijven ‘Dum vitiatae’ van 1880, over de ‘dwalingen’ van de eigentijdse filosofie die ‘de maatschappij tot ontbinding jagen’ (ad dissolutionem compellunt). (Te vinden op de website van het Vatikaan hoogstwaarschijnlijk; ik gebruik een steekkaart op basis van fotokopies die dus in de dozen met völkische literatuur zitten. Met Leo XIII, mijn lievelingspaus, verbindt me trouwens een familiegeheim, een schandaal zelfs… Maar nee, het menselijk opzicht, nee, de schroom – ik ben beschroomd als nooit tevoren!)

Het herstel van de wahahaare filosofie – na Kant, Fichte, Schopenhauer, Hegel, Feuerbach, Marx, Nietzsche – en nu noem ik alleen maar de crème de la crème – moest de filosofie hersteld worden! Terwijl ze in werkelijkheid dus bloeide zoals dat tot dan toe alleen bij de Grieken het geval was geweest.

Dit ‘herstel’ beschouw ik als de eigenlijke fundamentum in de zaak Rechtvaardige Rechters, dit is de grond, zoals het eikenhouten dragende paneel de ondergrond is waarop meester Jan zijn beroemde olieverf heeft aangebracht. Volgens Lucas is dat niet waar, en gaat het om de kunst. Maar volgens mij is het de vervanging van de filosofie door iets, nouja, wat ze neothomisme noemden. Ik zou mijn volk niet leren denken als ik dat zou verzwijgen.

‘Zersetzen’ werd dus in het officiële jargon ‘ontbinden’ en het werd onder andere tegen Walschap gebruikt: ‘En, misschien kan ik nog vroeg of laat in uw werk dat morbiede en ontbindende doen verdwijnen, dat ik er nu meen in te vinden.’ Pater Valvekens aan G. Walschap (25 jan. 1934), drie maanden voor de diefstal van de Rechtvaardige Rechters. (cfr. Gerard Walschap, Brieven 1921-1950, p. 327. Amsterdam 1998.) Pater jezuïet E. Janssen schrijft in ‘Streven’ in februari 1934 – dat is twee maanden voor de diefstal van de Rechtvaardige Rechters –  over de grote Gerard: ‘Moest men zo lang, zo taai, zo heldhaftig strijden… om de ontbinding te zien intreden’ – die door Walschap werd belichaamd. (Citaat naar: Walschap, Brieven I, p. 377).

Toevoeging 8 juli 2016: Het modernisme ‘était bien, non une hérésie, mais le « rendez-vous de toutes les hérésies », ou plutôt un subtil corrosif, destiné à tout dissoudre’. (Joseph Bonsirven s.j. in ‘Etudes’ 1930 [dl. 202] p.31. De strijd rond het zg. ‘modernisme’ zoals die zich afspeelde in de onmiddellijke omgeving van Arsène Goedertier, cfr. Lucas Mariën: Het Ongeschreven Boek.

 

Monisme en wereldverbetering.

‘Morfologie’ is zonder meer een sleutelwoord voor Koehn en zijn belangrijkste referenties: Haeckel, Frobenius, Spengler en Goethe. Kort voordat hij uit Brussel vertrekt stelt hij een soort wereldverklaring op schrift, waarin dat begrip centraal staat. Ik moet hiervoor verwijzen naar de definitieve, de boek-uitgave van dit werk. Ernst Haeckel had in 1866 een ‘Generelle Morphologie’ gepubliceerd waarin hij zijn eigen analytisch verkregen resultaten in de biologie onderbrengt in de theorie van Darwin, ze inbouwt in de structuur van de evolutie. In 1899 wordt zijn ‘Die Welträthsel’ een internationale bestseller.

Haeckel betoogt dat het wereldraadsel geen ‘filosofische’ vraag is, maar een natuurwetenschappelijke. Dat schijnt op het eerste gezicht een recyclage van het aloude materialisme te behelzen, volgens welke alle, ook psychische of zogenaamd geestelijke processen te verklaren zijn door gebeurtenissen in de materie, bijvoorbeeld (bio-)chemische.

Maar het is bij Haeckel toch meer Spinoza, het pantheïsme, dat we ’het goddelijke’ niet buiten de wereld moeten zoeken, maar erin – het is overal in de natuur en in onszelf (als deel van de natuur) te vinden. Dat was in feite het pantheïsme van Goethe geworden, die er zijn wereldbeschouwing op bouwt. Het is verkeerd de werelden van geest en die van de materie te scheiden. Haeckel pleit voor een ‘monisme’, dat is een ‘leer die (maar) één beginsel aanneemt ter verklaring van de verschijnselen’ (Van Dale), het beginsel van een  door de geest doordrongen materie namelijk. Haeckel was een optimist die geloofde dat ten gevolge van de toename van kennis in de natuurwetenschappen het wereldraadsel ‘kleiner zou worden’, als ik het zo mag uitdrukken, en dat het op den duur dan ook helemaal zou verdwijnen, of tenminste verklaarbaar en begrijpelijk zou worden – d.w.z. zou ophouden een raadsel te zijn. Geen dualisme materie-geest meer, maar eenheid van natuur en geest – monisme dus. De drang blijft ongebroken bestaan, maar het geloof erin… Ik herinner aan de hoger geciteerde stelling van Quine. Maar als we een wereldbeschouwing op rationele grondslag zouden kunnen verkrijgen, dan zouden er heel veel tegenstellingen worden opgeheven – wat een bijdrage tot wereldvrede zou betekenen. In een rationele wereld zouden mensen ook inzien dat ze mét elkaar sterker staan dan tegen elkaar. Daarom was Haeckel het ook oneens met Nietzsche die hij beschouwde als ‘profeet van het zuivere egoïsme’. De socialisten uit die dagen, Bebel, Kautsky, Lenin, waren uitgesproken sympathisanten van Haeckel. Is de afwezigheid van Nietzsche in de bibliotheek van Koehn, is dat aan de invloed van Haeckel te wijten?

De veelzijdige Haeckel was ook een begaafde aquarellist die zelf de illustraties voor zijn leerboeken maakte. Rond de eeuwwisseling publiceerde hij een werk ‘Kunstformen der Natur’ (1899-1904), waarin hij tot dan toe ongeziene, esthetisch geachte vormen uit de (meestal microscopische) natuur afbeeldde. Dit werk oefende invloed uit op de art nouveau en de jugendstil. Henry van de Velde, de laatste van de grote genieën van Weimar, was een bekennende Haeckeliaan.

Ethiek gebaseerd op empathie, medelijden. Haeckels ethiek is vanzelfsprekend niet vreemd aan die van Schopenhauer: leven is lijden; empathie betekent het zichzelf herkennen in het lijdende medeschepsel – als we dat kunnen, dan zal ons gedrag vanzelf ethisch worden. Dat is de ethiek van veel kunstenaars, zoals bijvoorbeeld Willem Frederik Hermans (‘Het Grote Medelijden’).

het_afvallig_giordano_bruno_perfect_poster-r408a709b90e747acb5c3a87c079b7f57_ilb22_324

Giordano Bruno op het Campo dei Fiori. De lauwerkrans staat er niet meer op.

 

Haeckel stond in het centrum van hevige controverses, bv. omdat hij eiste dat darwinistische ideeën ter sprake zouden worden gebracht in middelbare scholen. Zijn vijanden noemde hem de ‘Apen-professor’, zijn wetenschappelijke integriteit werd aangevochten – en dat voor een professor uit Jena, waar de helft van de hoger genoemde filosofen geschitterd had. Er kwam een reactie van collega’s, geleerden van de eerste garnituur die een verklaring in Haeckels voordeel publiceerden.

In 1904 werd er een groot congres van atheïsten georganiseerd, in Rome zélf. Zoiets was nog nooit gebeurd en het werd beschouwd als een provocatie, wat het ook was. Haeckel werd, hoewel hij dus in strikte zin geen atheïst was, door het internationale gezelschap uitgeroepen tot ‘tegenpaus’. Ze zetten hem een lauwerkrans op en trokken allemaal samen naar het standbeeld van Giordano Bruno om die krans van het hoofd van Haeckel over te hevelen naar dat van het standbeeld.

 

 De Urania wilde haar volk leren denken!

Henry Koehn zal op latere leeftijd een deel van zijn verzamelingen schenken aan ‘de Urania’ in Berlijn. Dat was – en is trouwens nog steeds – een stichting voor volksontwikkeling waarvan Ernst Haeckel een promotor was. Het gaat erom dat Nobelprijswinnaars algemeen begrijpelijke lezingen komen geven voor de gewone man. Wetenschappelijke cultuur voor alle burgers dus. Er was ook een uitgeverij aan verbonden – zoals aan het Paradigma; binnenkort meer hierover! – evenals een theater en een museum (en óns Archief RR dan! Het enige waaraan het ons voorlopig nog ontbreekt is een filmstudio.)

Haeckel was militant antikatholiek, Koehn hield het christendom voor de oorsprong van het meeste kwaad in de wereld en vond dat de Vlamingen hun eigen emancipatie in de weg stonden door hun slaafse onderworpenheid aan de kerk. Ook hier komen we te gelegener tijd op terug.

De Urania is overigens een van de gestalten van de godin Afrodite.

In Antwerpen moet een ‘volkssterrenwacht’ bestaan hebben die ook Urania heette, meer weet ik daar op dit moment niet van.

 

 

 

 

Welkom. Programmatisch.

[Januari 2016; april 2016. Coralie Coloratuur.]

 

 

Het Ongeschreven Boek

Het was onmogelijk om mijn chef, Lucas Mariën, ertoe te bewegen zekere resultaten van zijn onderzoek naar de Rechtvaardige Rechters te publiceren. Tenslotte wist ik het voor elkaar te krijgen dat althans ik ze dan gedeeltelijk publiek mocht maken.

‘Literatuur heeft met de werkelijkheid niets te maken,’ zegt hij, ‘en als ik dingen publiceer die waar zijn, of echt gebeurd, dan schaadt dat mijn literaire status.’

‘Maar je hebt mij wel als model gebruikt voor de Coralie van je boek.’

‘Je vond dat goed, en je bent er nog trots op ook.’

‘Je hebt geschreven dat ik twee keer heb meegedaan aan een missverkiezing en dat ik de titel van Miss Bio-Melkproducten in de wacht hebt gesleept, terwijl het die van Miss T-shirt was.’

‘Zie je wel, dat personage heeft niets met jou te maken.’

Maar Henry Koehn heeft echt bestaan, de Duitse officier die tijdens de bezetting op zoek ging naar het in 1934 gestolen paneel van het Lam Gods, het paneel van de Rechtvaardige Rechters. En ik besta dus ook–maar niets van het verhaal is helemáál waar, behalve wat ik zelf schrijf.

Over fictie en realiteit, over het verbod voor literatuur om iets te betekenen – we zullen het er zeker nog over hebben. Intussen is het een feit dat Lucas dat onderzoek heeft gedaan en dingen heeft verzameld omdat hij een roman wou schrijven. Dat is het materiaal dat vanaf een bepaald ogenblik het Archief Rechtvaardige Rechters  is beginnen uitmaken, en dat dus diende om ervoor te zorgen dat hij de werkelijkheid genoeg ontweek. ‘Een verstandige leugenaar blijft zo dicht mogelijk bij de waarheid,’ zegt hij, ‘en bijgevolg moet je die kennen om er met bekwaamheid te kunnen van afwijken.’

Ik zal op deze stek trouwens ook uit zijn boek citeren –dat als werktitel ‘Het Ongeschreven Boek’ (HOB) kreeg – dat is niet de definitieve titel. En waarom dan niet meteen… Dit is een fragment uit het zevende hoofdstuk:

 

“Henry Koehn heeft ook geprobeerd een boek over de Rechtvaardige Rechters te schrijven. Hij kreeg een tumor en stierf. Daarna probeerde Paul Weymar het, de bekende biograaf van de eerste bondskanselier Konrad Adenauer. Weymar was de buurman van Koehn op Sylt, het prominenten-eiland voor de Oostfriese kust. Hij vroeg weduwe Eva Koehn om inzage in het materiaal van haar man met het oog op een boek. Dan stierf hij plotseling. Er rust een vloek op die stof. Overigens zijn ook in Duitsland de archieven gelicht.”

        Ze sprak nu zacht en afwezig.

(HOB; 7.1.)

 

Toch waar – de in dit fragment gebruikte informatie wordt gestaafd door o.a. een brief (van 4 juli 1967) van Eva Koehn aan professor Rosemann, die Koehns directe chef was bij de Brusselse ‘Kunstschutz’. En wie zo zacht en lieflijk sprak – iedereen denkt nu natuurlijk dat ik dat was – maar terzake! Fictie en non-fiction, en hoe ze elkaar spiegelen, versterken, tegenspreken, ondergraven…

 

Het epos in verzen

Lucas’ toestemming heb ik ook gekregen omdat ik zijn zwakke plek trof: digitale literatuur.

De uitvinding van de boekdrukkunst luidde het einde in van het epos in verzen dat eigenlijk diende om te worden voorgedragen, en dit ten voordele van de lees-roman. De uitvinding van de fotografie beïnvloedde de schilderkunst: het afbeelden van de wereld op een plat vlak kon die voortaan overlaten aan dat nieuwe medium.

Zo zal ook de digitale revolutie gevolgen hebben voor de literaire vorm. Lucas spreekt dan graag van de Digitale Mix, literatuur in samenwerking met digitale techniek, de invloed van die techniek op de literaire vorm. En hij stuurde me zelf naar een colloquium aan de Humboldt-universiteit in Berlijn, iets heel officieels, georganiseerd met de steun van het ministerie van cultuur, met professoren die er speciaal uit Amerika voor waren overgevlogen – de lezer beseft meteen dat de antwoorden niet uit die richting zullen komen.

 

literaturdigital_3_0

 

Intussen zijn schrijvers natuurlijk volop bezig met de literatuur na de post-literatuur. Zo publiceert nobelprijswinnaar Elfriede Jelinek (‘De Pianiste’) al meer dan tien jaar alléén nog in het internet (http://www.spiegel.de/kultur/literatur/elfriede-jelinek-nennt-literaturbetrieb-korrupt). Dat komt omdat ze het boekwezen ‘extreem corrupt’ vindt. Bovendien: ‘Als ik in het internet publiceer, dan blijft de tekst van mij. En toch kan al wie dat wil er naartoe. Een fascinerende mengeling van privé en openbaar.’ Ook in andere opzichten blijkt Jelinek niet te zijn aangetast door ingekankerde preferenties: ‘Boeken die alleen maar in het internet verschijnen worden haast nooit besproken. Dat is goed voor mij, dat heb ik het liefst,’ zegt ze (interview met haar op http://fiktion.cc/elfriede-jelinek-2/ februari 2014). De noodzaak om literatuur opnieuw te denken opent vanzelfsprekend nieuwe perspectieven. Voor een zozeer onderdrukte literatuur als de Nederlandse in een in wezen nog feodale maatschappij als ‘België’ is het de enige mogelijkheid om te ontstaan, te bestaan. Tijdens deze kennismaking hoef ik daar niet verder op in te gaan.

Maar deze bladzijden vormen dus ook een experiment met het gebruik van het internet voor de literatuur. Daartoe hebben we ook de uitgeverij Paradigma opgericht, die te gelegener tijd elektronische én andere boeken op de markt wil brengen. Jelinek oppert ook de mogelijkheid van bijvoorbeeld een online-lectoraat – wij verliezen dat niet uit het oog, maar het is ook een kwestie van mankracht en middelen en voorlopig…

 

Een oneigenlijke diefstal

De diefstal van de Rechtvaardige Rechters op 10 april 1934 was een oneigenlijke diefstal. Het ging de dief (of de dieven) niet om het materiële bezit van het paneel – dan zou het een gewone, een eigenlijke diefstal zijn geweest –  maar om iets anders, iets symbolisch, immaterieels. De eerste reactie van kannunnik Van den Gheyn toen hij van de gebeurtenis op de hoogte werd gebracht, zou zijn geweest: ‘Dat is chantage.’ Van den Gheyn was een soort kerkelijke chef-conservator van het Lam Gods, en hij noemde de diefstal ook een ‘wraakneming’ (MoK II, 425; Mortier 2005, 31 e.v.). Ook van Arsène Goedertier, die als dief van het paneel aan de kaak werd gesteld, wordt een uitspraak overgeleverd die rechtstreeks de eigenlijkheid van de diefstal betwist: er was geen diefstal, zegde hij, het paneel was alleen maar verplaatst. (MoK II, 479; MoK I, 194 noot) Maar waarom dan, en op wie werd er chantage, wraakneming uitgeoefend?

De keuze van het paneel zelf met de Rechtvaardige Rechters, de belichaming van de politieke en geschiedenisfilosofische opvattingen van de middeleeuwen, kan moeilijk voor een toeval worden gehouden. Hitler was toen net een jaar aan de macht, het gonst in heel Europa van sympathieën voor een of ander fascisme – in Vlaanderen lonken toonaangevende figuren naar iets in de aard van het Oostenrijkse klerikaal-fascisme van Dollfuss.

Ik laat dat even zo staan om een begrip ten berde te brengen: historische semantiek. ‘Filosofie is arbeid aan het begrip,’ zegt Lucas, ‘en literatuur is arbeid aan de mythe.’ Maar in zijn ijver om zo verstandig mogelijk te liegen heeft hij toch dingen aan het licht gebracht die kunnen helpen bij de vereigenlijking van de diefstal.

Historische semantiek, de leer van betekenissen van begrippen uit een historisch oogpunt – ik geef een voorbeeld:

In een van de brieven die ‘D.U.A.’ naar de bisschop van Gent stuurt om over de teruggave van de Rechtvaardige Rechters te onderhandelen, spreekt hij over zichzelf als “le chef”. “Le Chef” was in 1934 de leider van de ‘Rex’-beweging, Léon Degrelle, als dusdanig in heel ‘België’ bekend. Het woord heeft trouwens dezelfde betekenis als ‘Führer’ en ‘duce’. Het lijdt geen twijfel dat de schrijver van de brief door het gebruik ervan iets suggereert of een bepaalde sfeer wil oproepen met een bepaalde bedoeling die niet meteen blijkt. Door die woordkeuze verlaat hij het pad van de nuchtere, zakelijke mededeling en creëert – ironisch of niet – een zekere rol, een enscenering, een dramatisering – ik zou haast zeggen: een verliteraturing – als ik dan niet verschrikkelijk op mijn kop zou krijgen. (Van mijn… le chef. Omdat het een kenmerk is van de post-literatuur, om alles maar ‘literatuur‘ te noemen.)

Om historisch-semantische inzichten te verwerven moeten we begrippen bekijken in hun context van toén – ze recontextualiseren: chef 1934 ≠ chef 2016. Dat betekent dat we de vraag naar een materiële oplossing – het terugvinden van de Rechtvaardige Rechters –  op deze stek tussen twee haakjes zetten en een Copernicaanse wending maken: niet de aarde staat in het midden, maar de zon. Niet het eigenlijke van de diefstal interesseert ons, maar het oneigenlijke waarom het van bij het begin te doen schijnt te zijn geweest.

 

Coïncidenties

Een van de pioniers van de historische semantiek was de filosoof Joachim Ritter (1903-1974). Gek, maar deze Ritter formuleerde ook nieuwe ideeën over de betekenis van Jan van Eyck, waarbij hij de revolutionaire inzichten van Goethe omtrent Van Eyck uitbreidde naar het terrein van het zuivere denken: Jan van Eyck als uitvinder van het landschap en daardoor als helper bij de geboorte van het denkende individu en de theoretische rede. Kan het denken schilderen?  Het was in verband met hem dat die vraag zich opdrong. Ik kom hier op terug. In ieder geval heeft er altijd een zekere mutserdgeur om Van Eyck heen gehangen, dat is ook de reden waarom ze die ‘broeder’ Hubert hebben moeten uitvinden – alweer stof voor spannende bijdragen. (Coco, je gebruikt te veel gedachtenstreepjes./Ja baas, dat is omdat ik rizomatisch schrijf – niemand anders mag mij overigens Coco noemen. Want ik ben en blijf: Coralie Coloratuur.)

Goethe heeft Jan van Eyck ontdekt, met hem begint de eigenlijke studie van de Nederlandse schilderkunst. Hij waardeert aan ‘meester Hans’ dat die ‘nach Gesetzen’ werkt, dus volgens principes, gevestigd op een rationeel fundament, op een paradigma. Als je probeert het verschil tussen klassiek en romantiek op een laatste noemer te brengen, een ultiem verschil uit te kristalliseren, dan is het dit: de klassiek gaat er van uit dat er een orde is, een rationele kern die kan worden gezocht. Het Parthenon, de Faust, de grote taferelen in de Bruegelzaal in Wenen, Die Kunst der Fuge – maar dus ook het Lam Gods – beantwoorden aan wetmatigheden die aan deze werken voorafgaan.

Goethe zelf was overigens ook door Van Eyck beïnvloed – ook daar moet ik op dit ogenblik nog aan voorbijgaan. Maar Jan van Eyck maakt het voor hem mogelijk het Grieks-klassieke te verbinden met de tot dan toe door hem veronachtzaamde West-Europese traditie, met de eigen, Avondlandse achtergrond. En op die manier maakt hij van Jan een kroongetuige tegen de romantici.

Willem Frederik Hermans was niet alleen in zijn antiromantisch affect door Goethe beïnvloed. Hij neemt ook Goetheaanse thema’s weer op, denkt ze door en moderniseert het klassieke paradigma. Hermans is een van de pioniers van een andere moderniteit, die op haar beurt doorgedacht moet worden en compatibel gemaakt met bijvoorbeeld digitale media. Dat is het enig denkbare antwoord op de post-kunst en de post-literatuur van de voorbije decennia.

Onze uitgeverij Paradigma heeft hierover een en ander in petto, met name ook over de ecologische klassiek die Lucas voorstaat. (Ik gebruik eens en voorgoed het woord klassiek – als zelfstandig naamwoord – hoewel Van Dale dat niet kent. Maar dat moet, naar analogie van romantiek, wel mogelijk zijn. En het is onmisbaar want klassiek – in de zin van de klassiek van Weimar bijvoorbeeld – is niet hetzelfde als classicisme.)

 

‘Res severa verum gaudium’ (Seneca).

Bedriegers en bedrogenen – neem nu de eenvoudige Humolezers Herman en Kristientje. Wat ze eten is bocht, niets meer waard, zelfs vergiftigd. Wat ze kopen is waardeloos, ze bezitten ternauwernood iets dat niet-wegwerp is. De post-democratie vleit hun, draait hun een rad voor ogen. Ze worden geregeerd door poesjenellen. En de hele culturele bovenbouw… ze zijn leesvee geworden voor een de pers die geen pers is (wat in ‘België’ trouwens nooit bestaan heeft) en gemanipuleerd wordt. Wat ze te zien, te lezen, te horen krijgen – alles troep, surrogaat, vervalsing. Wat voor kunst en literatuur doorgaat: bedrog. Ze verzuipen stilaan ook fysisch in de afval en existeren op een aardkloot waarop het leven hoe langer hoe minder levenswaard wordt.

Tenminste voor wat ons werkterrein aangaat ben ik wel voorstander van bio. Vooral voor de geestelijke mens. Leve dus de culturele revolutie, de ecologische klassiek, de esthetische subversie. (In hogere zin is het dus misschien waar, van die miss-melkproducten. De ecologische klassiek is het bio-product van de stijlen. En ik zou in zekere zin ook een derde miss zijn: miss ecologische klassiek.)

Misschien schrijf ik af en toe wat moeilijk. Dat vloeit voort uit de noodzaak om complexe inhouden compact weer te geven. Ik vertrouw erop dat mijn lezers geen leesvee willen zijn. Dat er af en toe een beetje moet worden nagedacht is een normaal verschijnsel, dat de receptie van meer-eisende teksten begeleidt. Wij verwerpen de premisse van het post-tijdperk, dat iedereen alles meteen moet begrijpen. Kunst is niet de aanpassing aan het laagste niveau, niet het neerhalen van alles onder paternalistisch-democratisch voorwendsels – de renaissance van het völkische beginsel. Het is integendeel een oproep om geen humolezer te blijven en iets te doen met je leven. Er bestaat geen kunst die niet zulke eisen stelt. Het is de boodschap van de archaïsche Apollo in het beroemde gedicht van Rainer Maria Rilke, de oproep die de dichter meent te kunnen vernemen uit de beschouwing van een torso in het Louvre: je moet je leven veranderen.

‘Als je zo doorgaat krijg je nog een volk van filosofen, Coralie, een volk van gevaarlijke denkers.’

Ja, lach maar, maar ik geloof niet dat ik dat kan klaarspelen. Ik zet alleen het werk voort van Arsène, een filosoof van de daad. Diens onderneming Rechtvaardige Rechters was een middel om te filosoferen in een geknevelde en knevelende maatschappij waarin dat op alle andere manieren onmogelijk was. Maar ik hou het wel theoretisch. En terwijl mijn baas zegt wat hij denkt, beperk ik me tot de nederige taak, de waarheid te willen schrijven.

 

error: Kopij bescherming !!