Steekkaarten Posts

Steekkaart: Recht 2.2.2.: De Herstellers

 

Coralie Coloratuur. maart 2018.

correcties: 19 juni 2019.

 

De Hollandse bisschop Van Weddingen, door Rome geconsulteerd in verband met de oprichting van een Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, gaf te kennen dat België volgens hem ’était le dernier pays de l’Europe pour la philosophie sérieuse’[1], dus dat België voor de serieuze filosofie het allerlaatste land van Europa was.

Dit citeer ik naar Lucas Mariëns ‘Traktaat van het alsof’ (in Alle lust wil eeuwigheid, 2017), waarnaar ik ook verwijs voor die hele geschiedenis. Ik beperk me hier tot een paar hoofdlijnen om de achtergrond van de diefstal van de Rechtvaardige Rechters in herinnering te roepen. Het begrip Rechtvaardige Rechters is na de Eerste Wereldoorlog een politiek symbool geworden. Het ging erom de rechtsfilosofie een nieuwe wending te geven, terug naar wat er aan de verlichting en zelfs aan de reformatie voorafging. Geen democratie meer, maar wahahare democratie. Hierover gaat Steekkaart https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2018/12/17/steekkaart-recht-2-1/.

***

Het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven zou het centrum worden van een renouveau van het thomisme, de middeleeuwse, niet kritische en de naam filosofie niet verdienende scholastiek van Thomas van Aquino. In een encykliek Aeterni Patris van 1879 bezweert de paus al in de inleiding een ‘herstel van de gezonde wijsbegeerte’, waarmee hij het thomisme bedoelt. Hij plaatst deze ‘gezonde’ tegenover de ‘valse’ moderne filosofie, die ‘de oorsprong is van private en sociale kwalen’. Kant en Hegel zijn op dat ogenblik al lang dood en behoren tot het ideële erfgoed van de mensheid. Marx heeft het versteende denken over kapitaal en arbeid voorgoed opengebroken. Friedrich Nietzsche is aan zijn zegetocht begonnen.

***

De framing: de ware, gezonde dit en dat… Het herstel – dat een heersende toestand van ziekte impliceert. ‘Het herstel der sociale orde’ luidt de titel van het ‘Volledig Verslag der XXste Vlaamsche sociale week’, gehouden in Brussel in 1933, enkele maanden voor de diefstal van de panelen van Jan van Eyck. De heersende toestand is er zelfs een van barbarij in heel Europa, meent de in die tijd beroemde domincanerpater Laurentius Julius Callewaert: ‘…Europa dat in barensnood is van nieuwe tijden, dat in geestelijken zin beleeft de volksverhuizing van de barbaarsheid naar de nieuwe kultuur.’[2]

De opvolger van Leo XIII, Pius X, neemt het herstellen op in zijn wapenspreuk: Instaurare omnia in Christo – alles herstellen in Christus. De pausen pikken aan bij de middeleeuwen-cultus van de romantici en construeren mee een romantisch, irreëel en sentimenteel beeld van deze voor de allermeeste mensen – maar ook voor de kunst en het denken – duistere periode.

***

De jonge Arsène Goedertier werd bij gelegenheid uitgescholden voor ‘salondemocraat’. Er bestond namelijk niet alleen een wahahare, maar ook een ‘valse’ democratie. Welke van beide in een bepaalde context bedoeld werd, werd niet altijd uitdrukkelijk vermeld – het is de opgave van de historische semantiek om hier klaarheid te scheppen. In ieder geval: doublespeak; bewuste, vaak bedoelde spraakverwarring was aan de orde van de dag. Men kon zich voordoen als democraat, maar iets heel anders bedoelen dan wat de algemene taal daaronder verstond.

***

De Rechtvaardige Rechters werden gestolen aan de vooravond van de afkondiging van een nieuwe, klerikaalfacistische grondwet in Oostenrijk die de neothomistische maatschappijopvatting weerspiegelde. De juichkreten waren niet uit de lucht, ook – en vooral – niet in de Vlaamse ‘pers’. Waarom hadden wij dat ook niet?

Ook Spanje, Portugal en Slovakije kregen – tot op zekere hoogte tot in onze dagen – klerikaalfascistische regimes. Katholiek Europa had een programma aan de omzetting waarvan ondergronds, maar ook openlijk, gewerkt werd.

De strategie bestond erin van de randen naar het centrum toe te werken en in gespreide slagorde op te treden, en ordre dispersée.

***

In stilte gaat dat natuurlijk nog steeds door. Opus Dei is alleen maar het meest bekende van de organisaties, prelaturen, broederschappen, charismatische bewegingen… die ondergronds woelen om de democratie af te schaffen. Dat alles speelt zich af in een soort van halve openbaarheid, iets dat verwant is met Goethes openbaar geheim: de meeste mensen hebben niets in de gaten, maar de ingewijden of wie de moeite wil doen om zich in de zaken te verdiepen, om bijvoorbeeld Thomas van Aquino erop na te lezen, die kan te weten komen van waar de wind waait.

De verlichte, liberale democratie wordt bestreden – in de media en het onderwijs.

Onrechtvaardige wetten moeten niet worden gehoorzaamd, mogen zelfs niet worden gehoorzaamd als ze in strijd zijn ‘met een goddelijk goed’, zegt Thomas. (Summa Theologiae, Ia-IIae.) Een voorbeeld van een onrechtvaardig rechtsprincipe is bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid. Die geeft immers aan de ‘dwaling’ dezelfde rechten als aan de ‘waarheid’. Idem dito natuurlijk de grote vrijheden van de wereld die het ancien regime (hier en daar, tot op zekere hoogte) van zich af heeft geschud: vrijheid van meningsuiting, van vereniging, persvrijheid…

De moderne liberale rechtsopvatting van een zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid, waarbij de overheid alleen tussenkomt als het algemeen belang op het spel staat – dat is niet compatibel met Thomas’ opvatting van een rechtvaardige (katholieke) orde.

De wereldlijke macht moet onderworpen zijn aan de geestelijke macht – met de beeldspraak van Thomas: zoals het lichaam onderworpen is aan de ziel. De paus is het hoogste gezag, boven alle wereldlijke macht en het belangrijkste begrip uit de verlichte rechtsopvatting, de scheiding van de machten, is volgens de neothomistische staatsleer uit den boze.

***

Spannend is wat er dezer dagen in Polen gebeurt. Daar hebben ze op weg naar die stralende nieuwe middeleeuwen de scheiding van de machten gewoon afgeschaft, de justitie opnieuw onder controle van kerk en politiek geplaatst: de heropleving van de Rechtvaardige Rechters, de Justi Judices van het thomisme. Niemand wijst erop dat die Poolse restauratie katholiek is, dat dat consequent is, dat dat de toepassing is van het (voor katholieken eigenlijk verplichte) thomisme. De media behandelen het als eenmalig, door een nu eenmaal door meerderheden, politieke constellaties tot stand gekomen bestel, wat immers democratisch is! Ze wijzen niet of nauwelijks op het systeem erin, op het programma van een katholieke restauratie.

Er wordt wel wat geprutteld in de EU, maar niet echt, niet menens. Het zijn protesten voor de galerij, er wordt niet doortastend ingegrepen volgens de grondprincipes die in de EU eigenlijk heersen.

Nog geen jaar geleden, op 4 juli 2018, hield de Poolse minister-president Mateusz Morawiecki een toespraak in het Europese parlement. Hij begon met te zeggen dat de ‘democratie’ gesterkt moet worden. Dat horen de mensen graag, en de spreker geeft zichzelf impliciet een diploma van mensenvriend.

In een adem beschuldigde Morawiecki er dan de EU van ‘boosaardige dreigementen’ in de richting van Polen te uiten, naar aanleiding van die restauratieve ingreep, maar zijn land zou niet wijken, integendeel. In plaats daarvan was het zijn droom, aldus Morawiecki, ‘de EU te transformeren, ze te re-christianiseren’ (https://de.rt.com/1k0v). M.a.w. van de hele EU een Polen te maken.

Een ander pilootproject is Spanje, waar ze het fascisme met een paar kosmetische ingrepen salonfähig hebben gemaakt. De recente processen tegen Catalanen, het misbruik van justitie voor politieke doeleinden, de rechtsverkrachting allerwegen – om maar te zwijgen over het brutale geweld in gevangenissen en verhoorkamers van de Guardia Civil.

***

Het renouveau catholique na de Eerste Wereldoorlog.

Het is de paus, Leo XIII., die ’recommençait […] à se mêler des choses de ce monde en légiferant sur elles’[3]die zich opnieuw met de gang van zaken in de wereld begon te bemoeien en de wet te stellen. De paus heeft bijgevolg mensen nodig aan wie hij macht kan delegeren, Justi Judices van de wereldlijke orde, die hij volgens het thomistische principe van de Potestas Indirecta en de theorie van de twee zwaarden kan aanstellen om de wereld te besturen overeenkomstig het kerkelijk recht. De kerk heeft de jurisdictie over de wereldse autoriteiten. Haar politieke ambities werden in de Goedertier-tijd überhaupt minder omfloerst uitgesproken, het ralliement was nog niet zo ver doorgedrongen. Voorbeelden van die mentaliteit zijn niet moeilijk te vinden. Een professor Charles Journet van de nieuw gestichte universiteit van Fribourg in Zwitserland schrijft een boek over de ’Juridiction de l’Église sur la Cité’[4], dus de rechtsmacht van de kerk over de maatschappij. Door toedoen van Mercier is Frans van Cauwelaert een tijdje professor geweest in Fribourg – Van Cauwelaert die zelf aan Merciers Institut gestudeerd had als een van de jonge toekomstige politici die daar werden klaargestoomd.

De opleving van het theocratische gedachtengoed na de oorlog wordt geïllustreerd door het werk van Jacques Maritain. Na diens boek ‘Primauté du Spirituel’, zo schrijft professor Journet, ‘en expliquant la juridiction de l’Église du Christ sur la Cité, c’est-à-dire le cas où se réalise concrètement […] la primauté du spirituel’[5] begrijpt iedereen welke kant het uit moet. Het wereldlijk recht is ondergeschikt aan het canonieke. En Journet citeert Thomas:

‘Jus autem divinum, quod est ex gratia, non tollit jus humanum quod est ex naturali ratione.’[6]het goddelijke recht echter, dat voortkomt uit de genade, erkent het menselijke recht niet dat voortkomt uit de natuurlijke rede.

Al deze meningen werden gepropageerd door het tijdschrift

Revue catholique de droit, uitgegeven door het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Dat ‘wou de recente ontwikkelingen in de rechtswetenschappen voor een ruimer publiek toegankelijk maken vanuit de overtuiging dat katholieken daarin een bijzondere opdracht hadden (cursivering van mij; LM). (…) Ze beschikten namelijk over ‘des vérités stables’ en hadden zich van bij de aanvang opgeworpen als ‘les défenseurs de toute justice’. ‘[7]

***

Rechter over België.

Een zekere Picavet, Professor aan de École des hautes Études in Parijs publiceerde over het neothomisme in de Revue Philosophique van Leuven en wordt door kardinaal Mercier als volgt geciteerd[8]: ’Les catholiques, unis par le thomisme, qu’ils complètent avec une ample information scientifique, sont devenus les maîtres de la Belgique.’ – De katholieken, eendrachtig door het thomisme dat ze completeren met een brede wetenschappelijke vorming, zijn de heersers over België geworden.

Niet zonder een zekere ironische ijdelheid voegt de kardinaal daar aan toe dat de Franse professor de toestand wel als ’un peu bien au tragique’[9] ziet.

Bij Mercier wordt justice een strijdkreet, vooral na het begin van de Eerste Wereldoorlog. Onvermoeibaar herhaalt hij dat de Duitse aanval op België een rechtsbreuk is en een direct gevolg van de Duitse filosofie. En dat het recht hersteld worden moet, vanzelfsprekend in de zin van de wahahare filosofie. Vooral in de Verenigde Staten wordt Mercier populair op een manier die misschien vergelijkbaar is met de Dalai Lama op bepaalde momenten. Na de oorlog maakt hij een triomfantelijke reis langs Amerikaanse universiteiten die met elkaar wedijveren om hem tot eredoctor te mogen promoveren. Er verschijnen boeken over hem, hij werd opgenomen onder de ‘Reuzen’[10] en zijn geschriften werden in Amerika gepubliceerd[11]. Het hoogtepunt van zijn invloed bereikte Mercier onder paus Benedictus XV (1914-1922), die na de oorlog een ‘Nieuwe Wereldorde’ wilde oprichten en die zich onder andere bezighield met de oprichting van een volkerenbond op basis van het canoniek recht (Encykliek „Pacem Dei“, 23 mei 1920).

***

Het neothomisme van Leo XIII is een poging om de anti-revolutionaire, retrograde, reactionaire stroming een ‘filosofisch’ fundament te geven en ze te systematiseren.

Kardinal Mercier noemde het gevecht tegen de filosofie van Kant, ce doux philosophe (sic)[12], zijn levensinhoud:

‘Le grand pervertisseur des idées du dix-neuvième siècle, est le philosophe allemand, Emmanuel (sic) Kant. J’en fus toujours si profondément convaincu, pour ma part, que je consacrai à le combattre tout ce que je pus trouver d’énergie et d’influence au cours de ma carrière professorale.’[13] De grote perverteerder van de ideeën van de negentiende eeuw is de Duitse filosoof Emmanuel (sic) Kant. Daar was ik altijd al zo diep van overtuigd dat ik alles wat ik kon opbrengen aan energie en aan invloed in de loop van mijn professorale carrière eraan heb besteed om hem te bestrijden.

’L’ Allemagne régnait mais le Cardinal était là, juge de l’ Allemagne’, schreef Georges Goyau in een hagiografie na de oorlog.[14] De kardinaal als rechter over Duitsland.

***

In een tijd waarin iedere publicatie gecontroleerd werd en waarin zelfs priesters niets in het licht mochten geven zonder imprimatur, is de opname van een tekst van Charles Maurras, uitgerekend in het officiële gedenkboek „Mémorial Jubilaire du Cardinal Mercier“ van 1924 – onder leiding van een baron de Waha-Baillonville[15] – niet minder dan een demonstratie. En het was Maurras die Mercier ‘le Grand Juste’ noemde.

Deze lieden beheersten het discours tussen 1918 en de diefstal van de panelen in 1934 – en nog later. Opvallend was de afwezigheid van een tegenstem, van een alternatieve opinie van enig niveau. Over de volledige achterlijkheid van de vrijzinnigen die niet in staat waren en zijn om andere ideeën in circulatie te brengen, zal ik het een andere keer hebben. De Thomistische categorieën zijn in ieder geval doorgesijpeld in het denken (sic) van de hele maatschappij.

***

Er werden brieven van Mercier gepubliceerd.

Een voorbeeld uit een schrijven van hem aan Generalgouverneur von Bissing uit de bezettingstijd: ‘Il y a une barrière, Monsieur le Gouverneur Général, où s’arrête la force militaire et derrière laquelle s’abrite inviolablement le droit.’

De diepere oorzaak van de oorlog lag volgens dit discours besloten in ‘de tegenstelling tussen de christelijk-geestelijke cultuur en de heidens-materiële barbarij, gevoed door het verderfelijke rationalisme’[16]. Dat poneerde Maria Elisa Belpaire, die voor de komst van Stientje Hemmerechts de meest pittoresk representant van het katholieke Vlaanderen was. ‘De wereldoorlog,’ schrijft ze, ‘was een keerpunt in de geschiedenis van de kerk. In bloed en tranen heeft de mensheid gezaaid, maar rijk is de oogst die onder het oog van de engelen in de eeuwige schuren wordt binnengereden. Justitia et Pax oscillatae sunt.’[17] Het nieuwe evenwicht tussen rechtvaardigheid en vrede was volgens Belpaire trouwens al bereikt in het Italië van Mussolini, waar ze in 1922 deelnam aan een internationaal congres voor katholieke vrouwen en deze tekst schreef over de in Italië eindelijk bereikte ‘ware’ democratie. Het algemene Unbehagen in der Kultur werd veelal geïnterpreteerd als een nieuw begin voor de ‘katholieke maatschappij’.

***

De overwonnen filosofie.

De Duitse nederlaag werd voorgesteld als de nederlaag van de kritische filosofie.[18] Die had een ‘moreel Verdun’[19] geleden, wat neerkwam op een godsoordeel tegen het ‘kantianisme’. Niets stond nu nog de overwinning van de neoscholastiek en de katholieke universiteit van Leuven in de weg. Het verdrag van Versailles was de uitdrukking van een door Mercier luidkeels geëiste ‘wrekende gerechtigheid’[20] – de kardinaal was zonder twijfel een van de haviken op de achtergrond van dat verdrag, waarvan de funeste kortzichtigheid alras zou blijken. Hij was wraakzuchtig, onverzoenlijk, vol haat en racistisch.

***

Een tastbaar gevolg van Versailles was natuurlijk dat de zijpanelen van het Lam Gods terug naar België kwamen. Die symboliseerden de Duitse nederlaag en Merciers grote triomf: de nederlaag van de slechte filosofie. Het Lam Gods kreeg een betekenis als een ‘nationaal’ heiligdom. Vooral het paneel van de Rechtvaardige Rechters was een hoogtepunt voor de zozeer door Juges, Grand Justes, en wahahare dingen bezeten geobsedeerden. De diefstal van vooral dát paneel, dat van de Rechtvaardige Rechters, was dan ook een steek recht in het hart van de zompige wereld van soppende soutanes en plodderige pijen.

Tenslotte: een filosofie zonder Kant, konden ze zich daarbij eigenlijk iets voorstellen? Toch alleen maar als ze zich bij ‘filosofie’ helemaal niets konden voorstellen.

 

———————————————————————–

 

  1. J-P. Hendrickx, J. Pirotte und L. Courtois: Le cardinal Mercier, un Prélat d’Avant-Garde. P. 101.
  2. Callewaert: En Vlaanderen voor Christus, p. 125.
  3. Goyau, Le Cardinal Mercier. Paris 1918. P. 30.
  4. Parijs 1931.
  5. C. Journet : La Juridiction de l’Église sur la Cité, Paris 1931. P. 18 e.v.
  6. Motto van het boek van Journet.
  7. Nieuwsbrief van het Katholiek Documentatiecentrum (Kadoc) Leuven, 01/02 2004. P. 16.
  8. Mercier : Le Christianisme dans la vie moderne. P. 76.
  9. T.a.p.
  10. Julian B. Arnold: Giants in Dressing Gowns. Chicago 1942. (daar figureert Mercier naast Darwin, Conan Doyle, T.E. Lawrence, Stanley…)
  11. Mercier, His Eminence D.J. Cardinal: Cardinal Mercier’s own Story. New York [George H. Doran Co.] 1920.
  12. Georges Goyau: Mercier. p. 97.
  13. J. D. Mercier: Voix de la Guerre. Georges Thone, éditeur, Liège 1937. p. 146.
  14. Geciteerd in (Mercier:) Voix de la Guerre. p. 11.
  15. Gepubliceerd in Antwerpen, 1924.
  16. Geciteerd door Schrooten, t.a.p. p. 58.
  17. Maria E. Belpaire: Reukwerk. Antwerpen 1931. p. 198.
  18. Bv. Georges Goyau: Le Cardinal Mercier. Paris 1918. Daarin hs. VIII: „Un vaincu de la guerre: le kantisme“.
  19. O. c., p. 9.
  20. O. c., p. 93.

 

Steekkaart Dr. Martin Konrad

 

Coralie Coloratuur. 22 februari 2019.

 

Lang vóór de Kunstschutz en met name ook alvorens Henry Koehn zich echt met de gestolen Rechtvaardige Rechters bezig begon te houden, was de SS al op zoek. Schermutselingen tussen Kunstschutz en SS waren aan de orde van de dag. Dat uitte zich bijvoorbeeld bij de keuze van de sprekers voor de officiële plechtigheden die naar aanleiding van de grote Van Eyck-herdenking in 1941 werden georganiseerd. (Toen nog) Kunstschutz-chef Metternich was de SS vóór en haalde zijn assistent aan de universiteit Bonn naar Brussel voor het belangrijkste referaat. De kandidaat van de SS die op die manier gepasseerd werd heette Martin Konrad en stuurde woedend-bedroefde schriftstukken naar zijn chef, Reichsführer-SS Heinrich Himmler.

Dat er toch een Van Eyck-interpretatie in echt nationaalsocialistische zin werd gedebiteerd was dus niet de officiële Duitse bijdrage, maar de Vlaamse, van spreker Wies Moens.

Dat Konrad echt de ‘Beauftragte des Reichsführers’ was, blijkt uit een schrijven van Reinhard Heydrich, chef van Sicherheitspolizei en de SD, aan Reichsleiter Martin Bormann van 17 november 1941. Ook Heydrich beklaagt zich over Metternich – die “Belgische” initiatieven in verband met het Lam Gods zou steunen, maar die Konrad belet naar Pau te reizen om het retabel in ogenschouw te nemen – en eist dat er iets ondernomen wordt: ‘Auch dieser Fall bestätigt dass Graf Metternich in keiner Weise die deutschen Belange in Paris zureichend vertritt. – Ook in deze aangelegenheid blijkt weer dat Graaf Metternich de Duitse belangen in Parijs in geen enkel opzicht voldoende behartigt.’ Wie weet wie deze chef van Sicherheitspolizei en de SD Heydrich wás, kan eigenlijk niet anders dan Metternich – en Koehn, die in al deze aangelegenheden Metternichs rechterhand was – tot het verzet te rekenen.

 

Martin Konrad was een gepromoveerde kunsthistoricus met speciale belangstelling voor Nederlands-Nederduitse toestanden. Hij werkte voor de oorlog onder andere in het Rijksmuseum en in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam, met Cornelis Hofstede de Groot. Aanbevolen was hij daar kennelijk door Von Bode – bij kunsthistorici nu nog een grote naam.

Maar hij scharrelde  in 1940 en 1941 dus rond in België, hoofdzakelijk in verband met het Lam Gods. Al lang daarvoor was hij overtuigd van het legende-karakter van de zg. Hubert van Eyck. Hij kwam op het idee, de in Sint-Baafs achtergebleven kaders van het naar Pau weggebrachte retabel te gaan bekijken. In De Vlag het tijdschrift van de Deutsch-Vlaemische Arbeitsgemeinschaft publiceerde hij in augustus 1941 (nr. IV, 4 August/Augustus 1941) een stuk waarin hij daar op in gaat – bij mijn weten de enige keer dat hij daarover zal schrijven:

 

 

(C.c.A.e.d.)

 

 

 

 

 

 

Steekkaart: Max Winders.

(1) 16 december 2018. CC.

Een correspondent liet weten dat Henry Koehn en Max Winders elkaar voor de eerste keer ontmoet hebben in de kathedraal van Antwerpen. Ik herinner me vaag zoiets uit Koehns dagboeken, maar ik heb het nu niet nagekeken. Er bestaat wel een indrukwekkende serie foto’s over een gemeenschappelijk bezoek aan de kathedraal en – meen ik – ook aan Sint-Paulus. Ik zal die foto’s ter gelegenheid van Kerstmis en Nieuwjaar publiceren.

Over de spectaculaire opgang van Winders na de oorlog heb ik iets in het Archief van de Rechtvaardige Rechters – als het erop aankomt dé bron van kennis – ja van wijsheid!

In 1967 was Winders een van de hoogste waardigheidsbekleders in de Orde van Malta. Hij was volgens een ‘Annuaire’ van dat jaar namelijk een van de drie ‘conseillers’ in het ‘Conseil National de la Lieutenance de Belgique’. Bovendien was hij een van de vijf ‘Chevaliers de Grand-Croix’ die deze ‘orde’ toen rijk was. De andere vier waren:

  • Koning Leopold III.
  • Prins Karel, graaf van Vlaanderen.
  • Kardinaal Suenens.
  • Graaf Thierry van Limburg Stirum.

Andere protagonisten – zoals Frans van Cauwelaert – waren veeleer lid van de minder aristocratische ‘Orde van het Heilig Graf’.

(2)  25 december 2018. CC.

In de schriftstukken die ons ter beschikking staan noemt Max Winders Oberleutnant Koehn steevast ‘Commandant’:

Op deze enveloppe heeft Winders eigenhandig Koehns adres geschreven; in andere gevallen is dat met de schrijfmachine geschreven. Een andere eigenaardigheid is, dat hij zijn brieven verzegelde met lak. Op zijn zegel staat een bijenkorf, een stuk zuil met kapiteel en nog andere dingen. Duidelijk te lezen is de naam Winders.

(3)  31 december 2018

Max Winders voor de door de Kunstschutz opgebouwde bescherming van de barokke gebeeldhouwde biechtstoelen in de Sint-Pauluskerk in Antwerpen. De biechtstoelen staan achter de wand waar Winders voor staat. Foto Henry Koehn, 12 maart 1941. Koehn merkt op dat de biechtstoelen toegankelijk moesten blijven, zodat de zonden van de Antwerpenaars niet onvergeven moesten blijven. Andere op deze dag genomen foto’s binnenkort bij ‘Koehn als fotograaf’.

(4) 5 januari 2019

Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van Winders wijdde het weekblad Panorama op 25 juni 1982 een dubbele pagina aan hem. Een foto van Max en zijn echtgenote, ‘staatsiefoto’ genaamd, laat het echtpaar zien in een soort petit Versailles waar gelukkig een kleinburgerlijke  noot wordt ingebracht door de Opus Dei-vorsten Fabiola en Baudouin – ik ben het vergeten, maar er was toch iets met Baudouin en de moord op Patrice Lumumba- hoe zat dat in elkaar? Van welke Saksen-Coburg-Eisenachs er dus een foto prijkt aan de voeten van mevrouw Winders.

Geen wonder, ze kenden elkaar natuurlijk van op de fuifjes van de Orde van Malta.

Winders was volgens de vlijtige beoefenaar van de Huichelarijse nepliterauur Marnix Gijsen een ‘fantast’. Maar het is waar dat hij sommige dingen wat aandikte. Zo schrijft de journaliste Maryse van Hee, auteur van het Panorama-stuk en blijkbaar gebriefd door het echtpaar:

‘Ook in de Tweede Wereldoorlog maakte hij (d.i. Max Winders; CC) zich uitermate nuttig door onze kunstschatten uit de handen van de Duitsers te houden. Niet minder dan zeven vrachtwagens, volgeladen met schilderijen en beelden van grote meesters, gingen aldus aan de neus van de bezetters voorbij, dank zij de gewiekste trucjes van Max Winders. Met medewerking van kardinaal Van Roey, de aartsbisschop van Mechelen, slaagde de nu 100-jarige erin de meest waardevolle voorwerpen in Zuid-Frankrijk te verstoppen.’

Ik stip hier alleen maar aan dat hij niet de grote held was, dat was Koehn. De zeven vrachtwagens waren er twee – een paar aanhangwagens van personenauto’s niet meegerekend. ‘Onze kunstschatten’ waren de schilderijen van het museum voor Schone Kunsten van Gent. Maar het Lam Gods was intussen wél in de handen van de Duitsers, d.w.z. de SS, gevallen. Door de operatie Pau van Koehn en zijn medestanders werd de rest van wat er in het kasteel van Pau was ondergebracht naar de eigenaar, het museum van Gent, teruggebracht. Wie er het fijne wil van weten komt in de toekomst aan zijn trekken op deze webstek en ook in de publicaties van het Paradigma.

Tenslotte die kardinaal… Ook Van Roey was tijdens de bezetting ietwat voorbarig geweest bij de aanname dat de katholieke maatschappij al bestond (toen hij  de koning met Liliane Baels trouwde zonder dat er een officieel, burgerlijk huwelijk had plaatsgevonden – een hoogst symbolische inbreuk op de ‘Belgische’ wet). Maar met het verstoppen van kunst in Zuid-Frankrijk had hij niets te maken gehad. De hele operatie Pau was opgezet door Duitsers, door de hoogst geplaatste vertegenwoordigers van het bezettingsregime incluis, die de SS een vlieg wilden afvangen. Uit politieke overwegingen moest er een min of meer salonfähige vertegenwoordiger van ‘België’ bij aanwezig zijn: Winders. Die voor de gelegenheid zelfs een pistool meekreeg. Wapendracht – iets waarop (voor normale burgers) de doodstraf stond.

De hele geciteerde passus is een exempel voor hoe propaganda werkt.

Het was wel handig voor Winders dat Koehn na de oorlog tot top-nazi werd uitgeroepen.

De intussen overleden oude man van wie ik dit knipsel kreeg was een geïnteresseerde en kritische waarnemer van het reilen zeilen in roemruchte Tartufistan. Hij vertelde dat i.v.m. Winders na de oorlog het verhaal de ronde deed dat die, Winders dus, ‘onze kerkklokken’ gered had – voor inbeslagname als grondstof voor de oorlogsindustrie. Ook in deze aangelegenheid was het in werkelijkheid Koehn die de hoofdrol had gespeeld.

Max Winders en zijn vrouw voor een portret van Max zelf.

Steekkaart ‘Recht’ 2.2.1. De Herstellers.

 

Coralie Coloratuur. 21 december 2018.

 

2.2.1.

Het anderhalve decennium tussen het einde van de eerste wereldoorlog en de diefstal van de Rechtvaardige Rechters betekende een ‘wachten en zich voorbereiden op de komst van het gerecht’ , beweerde Karl Jaspers in Die Geistige Situation der Zeit [1]. Wat bedoelde hij met komst van het gerecht en waarom schijnt iedereen het in die tijd ook buiten Tartufistan over recht en justitie te willen hebben? Alvorens ik de specifiek Belgische context onder de loep neem bekijken we de internationale dimensie van het fenomeen – die ik hier alleen maar kan signaleren.

Jaspers’ boek verscheen in de vroege zomer van 1932 als symbool- en onheilsszwanger duizendste deel van de ‘Sammlung Göschen’, een prestigieuze serie die ontwikkelingen in de wetenschappelijke wereld wou reflecteren. Het is nog maar een goed half jaar vóór de nazi’s aan de macht zullen komen en de geestelijke situatie van de tijd die de Heidelbergse filosoof analyseert is niet rooskleurig. Hij beschrijft een cultureel verval – het vierde deel van het boek draagt als titel: Verfall und Möglichkeit des Geistes. Toch probeert hij de lezer een hart onder de riem te steken en te wijzen op mogelijk hoopgevende factoren.

Na de eerste wereldoorlog heerste er in heel Europa een klimaat van afkeer van wat er tot dan toe geweest was. Het moorden op industriële schaal, de slachting met de middelen van een hoog ontwikkelde techniek door toedoen van juist de grote cultuurnaties, leidde tot twijfels aan de voortreffelijkheid van die cultuur. Het verschijnsel dadaïsme vertolkt beter dan wat ook die scepsis en tenslotte die verwerping: dada in plaats van Goethe en Schiller, het gelal van een kind in plaats van een cultuur die niet in staat was geweest de slachting te verhinderen.

 

In 1919, kort na de oorlog, begint het cultuurpessimistische – uit het oogpunt van het Europese ‘Avondland’ tenminste – hoofdwerk van Henry Koehns vriend Oswald Spengler te verschijnen: Untergang des Abendlandes. Het minste wat je van dat boek kunt zeggen is dat het insloeg als een bom. Het werd een wereldbestseller – hoewel misschien meer verkocht dan gelezen.

Het onbehagen van de jaren ’20 – een belangrijk cultuurfilosofisch essay van Sigmund Freud heet: Das Unbehagen in der Kultur. Het verscheen in 1930 en verwijt de wereld van voor de oorlog een overmaat aan rationalisme, waardoor meer emotionele waarden te zeer in de verdrukking zouden zijn geraakt. (Een tendens waarvoor Goethe trouwens al gewaarschuwd had.) Maar het als dusdanig ‘aangevoelde’ bankroet van de ‘burgerlijke’ cultuur en filosofie heeft er misschien toe bijgedragen dat iets nieuws, iets ánders een kans kan krijgen. Minder de geest van de oorlog, meer die van de liefde; van de twee grote strevingen in de menselijke psyche moet Eros meer gewicht krijgen. Minder Thanatos en meer Eros, dat moet het antwoord zijn, zo luidt de boodschap van Freud.

Maar te midden van de negativiteit, van de afwijzing van het destructieve dat tot de oorlog geleid zou hebben, heerst er alleszins grote onzekerheid over hoe het nu verder moet – hoewel het bewustzijn verspreid schijnt te zijn dat er iets op til is, dat het erop aan gaat komen. ‘Het bewustzijn van het tijdperk als beslissing werd maximaal opgedreven’, zegt Japers.[2]

Het boek van Freud is vanzelfsprekend verkrijgbaar, dat van Jaspers kan gemakkelijk in antiquariaten worden gevonden via het ZVAB (Zentrales Verzeichnis Antiquarischer Bücher).

Waar er meer vragen dan antwoorden zijn, zijn er natuurlijk ook vrijwilligers die graag bereid zijn om antwoorden te presenteren.

Over de door Jaspers verwachte ‘komst van het gerecht’ dagdroomde ook Joseph Désiré Mercier, ‘le grand Juste’, bij meerdere gelegenheden. Maar voor we tot Tartufistan komen wil ik nog melding maken van een Renouveau Catholique dat omstreeks 1930 gesignaleerd werd in Frankrijk en Duitsland – in Duitsland werd het beschouwd als afkomstig ‘uit Frankrijk en België’.[3] Een van de toonaangevende figuren en ‘coryfee van het katholieke staatsrecht’ was daar Carl Schmitt, de ‘kroonjurist van het Derde Rijk’ – zoals de ondertitel luidt van het monumentale standaardwerk over hem van Andreas Koenen. Koenen poneert dat dat renouveau – Schmitt sprak graag trots over een ‘katholische Verschärfung’ – in de allereerste plaats (en vanzelfsprekend) een netwerk van relaties was.[4]

Ik kan op dit moment niet uitmaken waaruit die invloed vanuit België precies bestond; vermoedelijk heeft het neothomisme en het Institut Supérieur een rol gespeeld.

Wie zeker een rol gespeeld heeft in dat – of veeleer wel aan de rand van dat – netwerk, was Victor Leemans – zware collaborateur, secretaris-generaal (= minister) voor economische zaken onder de bezetter; er tijdens de repressie met de schrik afgekomen, daarna katholiek senator en tenslotte nog voorzitter van het Europees parlement met de massieve steun van CDU-CSU. Leemans verspreidde wel gedachtengoed van o.m. Schmitt in België (cfr. Steekkaart Recht 2.3 e.v.), maar hij was natuurlijk geen echte intellectueel à la Schmitt, eerder iets op het niveau van de Standaard.

Belangrijker was Piet Thomissen, een historische figuur, vorser, publicist en verzamelaar in verband met Schmitt. Hij legde het fundament voor de hele Schmitt-wetenschap. Ik geloof dat Tartufistan dat lang niet heeft willen weten. Na de oorlog hebben ze lang zo hard mogelijk moeten doen alsof ze met al die collaborateurs niets te maken hadden gehad. Ik weet overigens niet of Thomissen een collaborateur was. Hij kan waarschijnlijk wel tot de konservative Revolution worden gerekend. In ieder geval heeft hij zich met zijn werk onsterfelijk weten te maken.

________________________________________________

  1. Karl Jaspers: Die geistige Situation der Zeit. Leipzig 1932. P. 7.
  2. T.a.p.
  3. Andreas Koenen: Der Fall Carl Schmitt. Sein Aufstieg zum „Kronjuristen des dritten Reiches“. Darmstadt 1995. P. 33.
  4. Koenen, o.c. p. 18 & 32.

Steekkaart: Recht 2.1.

 

Steekkaart RECHT 2.1.

Coralie Coloratuur. 17 december 2018.

Bij het recontextualiseren van de affaire van de Rechtvaardige Rechters komen we er niet onder uit om ons tot op zekere hoogte te verdiepen in rechtsfilosofie. Nemen we een wetsartikel dat strafbaar stelt dat vrouwen ‘s nachts op een bezemsteel wegvliegen om op een berg gemeenschap te gaan hebben met de duivel in de gedaante van een bok. Zulke wetsartikelen, of gelijkaardige, hebben bestaan. Er zijn ook mensen die zouden willen dat de mohammedaanse scharia bij ons wordt ingevoerd – zoals anderen een (nog) grotere conformiteit van de wet met de katholieke moraal wensen – bijvoorbeeld in verband met euthanasie, abortus, homohuwelijk etc. Maar bestaat er überhaupt een ‘goddelijk recht’, of bestaan er rechtsprincipes die tot de menselijke natuur behoren, die de meeste mensen aangeboren zijn? Kortom, bij de meeste rechtsvragen komen er ook kwesties van algemeen filosofische aard om de hoek kijken. Hoe D.U.A., de schrijver van de afpersingsbrieven in de Rechtvaardige Rechters-affaire van bij het begin zulke rechtsfilosofische vragen oproept hebben we te berde gebracht in: https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2018/01/23/detectivebord-steekkaart-recht-1-algemeen/

en https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2018/02/18/detectivebord-steekkaart-ontgaan-1/

en https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2018/02/07/detectivebord-steekkaart-ontgaan-2/.

Na de eerste wereldoorlog is het land van Van Eyck en Bruegel het strijdtoneel geworden van een verbitterde strijd tussen een middeleeuwse rechtsopvatting zoals die werd voorgestaan door Thomas van Aquino, en een wereldse, die juist in die naoorlogse jaren nieuwe impulsen krijgt. Voor het eerst sinds de val van Antwerpen gaan er kritische stemmen op die niet meer volledig genegeerd kunnen worden. En die bovendien – althans op het intellectuele terrein – een voorlopig einde maken aan de feodaliteit. Paul van Ostaijen en zijn entourage dagen de Thomas-fractie uit. Na de dood van de dichter neemt de jonge Gerard Walschap de fakkel over en thematiseert uitdrukkelijk de tegenstelling tussen het neothomisme en de filosofie.

Sinds de Franse Revolutie speelde de katholieke kerk nauwelijks nog een rol in de hogere cultuur. Bijna honderd jaar lang zijn banvloeken en gejammer het enige antwoord dat het obscurantisme op de verlichting weet te verzinnen – de verlichting, waarvan enkele grote principes zich langzaam doorzetten in de belangrijkste landen, zonder dat daarvoor nog toestemming wordt gevraagd aan Rome. Het was paus Leo XIII (1878-1903) die inzag dat verketteren niet meer zou helpen en die het geweer van schouder verandert: vanaf de jaren 1890 wil hij zich met de republikeinse, laïcistische, maatschappij arrangeren. Deze operatie wordt betekend met het Franse woord ‘ralliement’, wat we in dit geval best met ‘arrangement’ kunnen vertalen. Lucas Mariën vergeleek dat arrangement met de wolf in het sprookje, die krijt vreet om zijn stem voor de zeven geitjes oma-achtiger te laten klinken. Ik beperk me hier tot het verwijzen daarnaar in zijn ‘Tractaat van het Alsof’ (cfr. Alle lust wil eeuwigheid. Het Paradigma 2017). De versoepeling naar buiten, naar de wereld toe ging gepaard met een verstrakking binnen het instituut. Er werd een campagne opgezet tegen de grootste vijand: de moderne, kritische filosofie. Aan universiteiten en hogescholen waar de kerk invloed had werden zuiveringen doorgevoerd. Professoren die ervan verdacht werden niet recht in de leer te staan werden ontslagen. Het regende publicatieverboden – meer over dit alles in: Pierre Thibault. Savoir et Pouvoir. Philosophie thomiste et politique cléricale au XIXe siècle. Québec 1972.

Tegelijk werd in Leuven het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte opgericht, dat het centrum moest worden vanwaar de totale ommekeer in de filosofie zou uitgaan, dat de ruggelingse utopie van het ‘herstel’ in het werk zou stellen: ‘Promouvoir la philosophie médiévale contre le rationalisme.’[1] Het Institut Supérieur zou de motor zijn om de klok terug te draaien tot vóór de verlichting en zelfs tot vóór de reformatie. Leuven zou het bastion en het bruggenhoofd worden van een nieuwe contrareformatie. De middeleeuwen tegen de moderne wereld. ‘Herstel’ is een sleutelwoord in die tijd. De opvolger van Leo XIII, Pius X koos als wapenspreuk ‘Instaurare omnia in Christo’ – alles herstellen in Christus. Deze Pius X werd door Willem Frederik Hermans genoemd de ‘voorzeker (…) meest reactionaire twintigste-eeuwse paus, grondlegger van het tegen het modernisme gerichte integralisme’ (Hermans VW 13, 134). Maar of hij echt de ergste geweest is?

De eerste wereldoorlog is een cesuur. Voor minstens vier jaar valt alles stil. Een symbool hiervoor zou je de bouwgeschiedenis van de basiliek van Koekelberg kunnen noemen. Van dat ‘nationale heiligdom van België’ (initiatiefnemer is volkerenmoordenaar Leopold II) werden de fundamenten gelegd in 1905-1909, en er werd gebouwd naar een neogotisch plan van Pierre Langerock. Het schoot niet goed op, er was voortdurend geldgebrek. Dan komt de oorlog, en daarna is dat neogotische plan obsoleet geworden, ‘verouderd’. Er worden nieuwe plannen gemaakt, ze beginnen opnieuw te bouwen in een stijl die ze, minder verouderd, geloof ik, neo-byzantijns noemen.

De jaren die aan de diefstal van de Rechtvaardige Rechters voorafgaan worden gekenmerkt door een massieve campagne om het neothomisme door te zetten. Ik heb elders al eens Jozef Muls geciteerd – die een soort katholieke parade-intellectueel was, die ze dus presentabel vonden. Tijdens deTweede Wereldoorlog was hij kabinetschef met een kantoor in hetzelfde gebouw als waarin Henry Koehn en de Kunstschutz zaten. Muls schreef dus over die jaren ‘20: ‘Wie niet dichtte, dweepte met de thomistische wijsbegeerte. Ik die aan de voeten van den vader van het neo-thomisme, Kardinaal Mercier, had neergezeten en er mijn wijsbegeerte had opgedaan (…), zou er nooit aan gedacht hebben dat er damesconferenties moesten worden ingericht om Sint-Thomas te verklaren.’[2]

Kardinaal Mercier is in de eerste decennia van het bestaan van het Hoger… laten we maar bij Institut Supérieur etc. blijven, want dat ding was volledig Frans, eventueel nog Latijns – Nederlands kwam er niet in voor, het volstond al dat de Vlaamse belastingbetaler het mocht financieren. Mercier dus, le Grand Juste, op wiens persoon en rechtsopvatting we ingaan in Steekkaart ‘Recht’ 2.2.

De uitvinding en het doorboksen van een eigenlijk al eeuwen achterhaalde filosofie is een van de saillante kapittels uit de occulte geschiedenis van het sympathieke landje dat we hier immers beter willen leren kennen. Maar er kwam dus een reactie, voor het eerst sinds 1585 een echte, en het probleem van het recht/ius en de orde van de godin Dikè werd uitdrukkelijk ter sprake gebracht. Deze reactie behandelen we op de Steekkaart ‘Recht’ 2.3.

 

C.c.A.e.d.

 

________________________________________

  1. Pierre Thibault: Savoir et Pouvoir. Philosophie thomiste et politique cléricale au XIXe siècle. Québec 1972. P. 44.
  2. Jozef Muls: Werk. Diest (Pro Arte) 1942, p. 107.
error: Kopij bescherming !!