De boodschap van Goedertier Posts

Steekkaart: Recht 2.2.2.: De Herstellers

 

Coralie Coloratuur. maart 2018.

correcties: 19 juni 2019.

 

De Hollandse bisschop Van Weddingen, door Rome geconsulteerd in verband met de oprichting van een Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven, gaf te kennen dat België volgens hem ’était le dernier pays de l’Europe pour la philosophie sérieuse’[1], dus dat België voor de serieuze filosofie het allerlaatste land van Europa was.

Dit citeer ik naar Lucas Mariëns ‘Traktaat van het alsof’ (in Alle lust wil eeuwigheid, 2017), waarnaar ik ook verwijs voor die hele geschiedenis. Ik beperk me hier tot een paar hoofdlijnen om de achtergrond van de diefstal van de Rechtvaardige Rechters in herinnering te roepen. Het begrip Rechtvaardige Rechters is na de Eerste Wereldoorlog een politiek symbool geworden. Het ging erom de rechtsfilosofie een nieuwe wending te geven, terug naar wat er aan de verlichting en zelfs aan de reformatie voorafging. Geen democratie meer, maar wahahare democratie. Hierover gaat Steekkaart https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2018/12/17/steekkaart-recht-2-1/.

***

Het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte in Leuven zou het centrum worden van een renouveau van het thomisme, de middeleeuwse, niet kritische en de naam filosofie niet verdienende scholastiek van Thomas van Aquino. In een encykliek Aeterni Patris van 1879 bezweert de paus al in de inleiding een ‘herstel van de gezonde wijsbegeerte’, waarmee hij het thomisme bedoelt. Hij plaatst deze ‘gezonde’ tegenover de ‘valse’ moderne filosofie, die ‘de oorsprong is van private en sociale kwalen’. Kant en Hegel zijn op dat ogenblik al lang dood en behoren tot het ideële erfgoed van de mensheid. Marx heeft het versteende denken over kapitaal en arbeid voorgoed opengebroken. Friedrich Nietzsche is aan zijn zegetocht begonnen.

***

De framing: de ware, gezonde dit en dat… Het herstel – dat een heersende toestand van ziekte impliceert. ‘Het herstel der sociale orde’ luidt de titel van het ‘Volledig Verslag der XXste Vlaamsche sociale week’, gehouden in Brussel in 1933, enkele maanden voor de diefstal van de panelen van Jan van Eyck. De heersende toestand is er zelfs een van barbarij in heel Europa, meent de in die tijd beroemde domincanerpater Laurentius Julius Callewaert: ‘…Europa dat in barensnood is van nieuwe tijden, dat in geestelijken zin beleeft de volksverhuizing van de barbaarsheid naar de nieuwe kultuur.’[2]

De opvolger van Leo XIII, Pius X, neemt het herstellen op in zijn wapenspreuk: Instaurare omnia in Christo – alles herstellen in Christus. De pausen pikken aan bij de middeleeuwen-cultus van de romantici en construeren mee een romantisch, irreëel en sentimenteel beeld van deze voor de allermeeste mensen – maar ook voor de kunst en het denken – duistere periode.

***

De jonge Arsène Goedertier werd bij gelegenheid uitgescholden voor ‘salondemocraat’. Er bestond namelijk niet alleen een wahahare, maar ook een ‘valse’ democratie. Welke van beide in een bepaalde context bedoeld werd, werd niet altijd uitdrukkelijk vermeld – het is de opgave van de historische semantiek om hier klaarheid te scheppen. In ieder geval: doublespeak; bewuste, vaak bedoelde spraakverwarring was aan de orde van de dag. Men kon zich voordoen als democraat, maar iets heel anders bedoelen dan wat de algemene taal daaronder verstond.

***

De Rechtvaardige Rechters werden gestolen aan de vooravond van de afkondiging van een nieuwe, klerikaalfacistische grondwet in Oostenrijk die de neothomistische maatschappijopvatting weerspiegelde. De juichkreten waren niet uit de lucht, ook – en vooral – niet in de Vlaamse ‘pers’. Waarom hadden wij dat ook niet?

Ook Spanje, Portugal en Slovakije kregen – tot op zekere hoogte tot in onze dagen – klerikaalfascistische regimes. Katholiek Europa had een programma aan de omzetting waarvan ondergronds, maar ook openlijk, gewerkt werd.

De strategie bestond erin van de randen naar het centrum toe te werken en in gespreide slagorde op te treden, en ordre dispersée.

***

In stilte gaat dat natuurlijk nog steeds door. Opus Dei is alleen maar het meest bekende van de organisaties, prelaturen, broederschappen, charismatische bewegingen… die ondergronds woelen om de democratie af te schaffen. Dat alles speelt zich af in een soort van halve openbaarheid, iets dat verwant is met Goethes openbaar geheim: de meeste mensen hebben niets in de gaten, maar de ingewijden of wie de moeite wil doen om zich in de zaken te verdiepen, om bijvoorbeeld Thomas van Aquino erop na te lezen, die kan te weten komen van waar de wind waait.

De verlichte, liberale democratie wordt bestreden – in de media en het onderwijs.

Onrechtvaardige wetten moeten niet worden gehoorzaamd, mogen zelfs niet worden gehoorzaamd als ze in strijd zijn ‘met een goddelijk goed’, zegt Thomas. (Summa Theologiae, Ia-IIae.) Een voorbeeld van een onrechtvaardig rechtsprincipe is bijvoorbeeld de godsdienstvrijheid. Die geeft immers aan de ‘dwaling’ dezelfde rechten als aan de ‘waarheid’. Idem dito natuurlijk de grote vrijheden van de wereld die het ancien regime (hier en daar, tot op zekere hoogte) van zich af heeft geschud: vrijheid van meningsuiting, van vereniging, persvrijheid…

De moderne liberale rechtsopvatting van een zo groot mogelijke persoonlijke vrijheid, waarbij de overheid alleen tussenkomt als het algemeen belang op het spel staat – dat is niet compatibel met Thomas’ opvatting van een rechtvaardige (katholieke) orde.

De wereldlijke macht moet onderworpen zijn aan de geestelijke macht – met de beeldspraak van Thomas: zoals het lichaam onderworpen is aan de ziel. De paus is het hoogste gezag, boven alle wereldlijke macht en het belangrijkste begrip uit de verlichte rechtsopvatting, de scheiding van de machten, is volgens de neothomistische staatsleer uit den boze.

***

Spannend is wat er dezer dagen in Polen gebeurt. Daar hebben ze op weg naar die stralende nieuwe middeleeuwen de scheiding van de machten gewoon afgeschaft, de justitie opnieuw onder controle van kerk en politiek geplaatst: de heropleving van de Rechtvaardige Rechters, de Justi Judices van het thomisme. Niemand wijst erop dat die Poolse restauratie katholiek is, dat dat consequent is, dat dat de toepassing is van het (voor katholieken eigenlijk verplichte) thomisme. De media behandelen het als eenmalig, door een nu eenmaal door meerderheden, politieke constellaties tot stand gekomen bestel, wat immers democratisch is! Ze wijzen niet of nauwelijks op het systeem erin, op het programma van een katholieke restauratie.

Er wordt wel wat geprutteld in de EU, maar niet echt, niet menens. Het zijn protesten voor de galerij, er wordt niet doortastend ingegrepen volgens de grondprincipes die in de EU eigenlijk heersen.

Nog geen jaar geleden, op 4 juli 2018, hield de Poolse minister-president Mateusz Morawiecki een toespraak in het Europese parlement. Hij begon met te zeggen dat de ‘democratie’ gesterkt moet worden. Dat horen de mensen graag, en de spreker geeft zichzelf impliciet een diploma van mensenvriend.

In een adem beschuldigde Morawiecki er dan de EU van ‘boosaardige dreigementen’ in de richting van Polen te uiten, naar aanleiding van die restauratieve ingreep, maar zijn land zou niet wijken, integendeel. In plaats daarvan was het zijn droom, aldus Morawiecki, ‘de EU te transformeren, ze te re-christianiseren’ (https://de.rt.com/1k0v). M.a.w. van de hele EU een Polen te maken.

Een ander pilootproject is Spanje, waar ze het fascisme met een paar kosmetische ingrepen salonfähig hebben gemaakt. De recente processen tegen Catalanen, het misbruik van justitie voor politieke doeleinden, de rechtsverkrachting allerwegen – om maar te zwijgen over het brutale geweld in gevangenissen en verhoorkamers van de Guardia Civil.

***

Het renouveau catholique na de Eerste Wereldoorlog.

Het is de paus, Leo XIII., die ’recommençait […] à se mêler des choses de ce monde en légiferant sur elles’[3]die zich opnieuw met de gang van zaken in de wereld begon te bemoeien en de wet te stellen. De paus heeft bijgevolg mensen nodig aan wie hij macht kan delegeren, Justi Judices van de wereldlijke orde, die hij volgens het thomistische principe van de Potestas Indirecta en de theorie van de twee zwaarden kan aanstellen om de wereld te besturen overeenkomstig het kerkelijk recht. De kerk heeft de jurisdictie over de wereldse autoriteiten. Haar politieke ambities werden in de Goedertier-tijd überhaupt minder omfloerst uitgesproken, het ralliement was nog niet zo ver doorgedrongen. Voorbeelden van die mentaliteit zijn niet moeilijk te vinden. Een professor Charles Journet van de nieuw gestichte universiteit van Fribourg in Zwitserland schrijft een boek over de ’Juridiction de l’Église sur la Cité’[4], dus de rechtsmacht van de kerk over de maatschappij. Door toedoen van Mercier is Frans van Cauwelaert een tijdje professor geweest in Fribourg – Van Cauwelaert die zelf aan Merciers Institut gestudeerd had als een van de jonge toekomstige politici die daar werden klaargestoomd.

De opleving van het theocratische gedachtengoed na de oorlog wordt geïllustreerd door het werk van Jacques Maritain. Na diens boek ‘Primauté du Spirituel’, zo schrijft professor Journet, ‘en expliquant la juridiction de l’Église du Christ sur la Cité, c’est-à-dire le cas où se réalise concrètement […] la primauté du spirituel’[5] begrijpt iedereen welke kant het uit moet. Het wereldlijk recht is ondergeschikt aan het canonieke. En Journet citeert Thomas:

‘Jus autem divinum, quod est ex gratia, non tollit jus humanum quod est ex naturali ratione.’[6]het goddelijke recht echter, dat voortkomt uit de genade, erkent het menselijke recht niet dat voortkomt uit de natuurlijke rede.

Al deze meningen werden gepropageerd door het tijdschrift

Revue catholique de droit, uitgegeven door het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte. Dat ‘wou de recente ontwikkelingen in de rechtswetenschappen voor een ruimer publiek toegankelijk maken vanuit de overtuiging dat katholieken daarin een bijzondere opdracht hadden (cursivering van mij; LM). (…) Ze beschikten namelijk over ‘des vérités stables’ en hadden zich van bij de aanvang opgeworpen als ‘les défenseurs de toute justice’. ‘[7]

***

Rechter over België.

Een zekere Picavet, Professor aan de École des hautes Études in Parijs publiceerde over het neothomisme in de Revue Philosophique van Leuven en wordt door kardinaal Mercier als volgt geciteerd[8]: ’Les catholiques, unis par le thomisme, qu’ils complètent avec une ample information scientifique, sont devenus les maîtres de la Belgique.’ – De katholieken, eendrachtig door het thomisme dat ze completeren met een brede wetenschappelijke vorming, zijn de heersers over België geworden.

Niet zonder een zekere ironische ijdelheid voegt de kardinaal daar aan toe dat de Franse professor de toestand wel als ’un peu bien au tragique’[9] ziet.

Bij Mercier wordt justice een strijdkreet, vooral na het begin van de Eerste Wereldoorlog. Onvermoeibaar herhaalt hij dat de Duitse aanval op België een rechtsbreuk is en een direct gevolg van de Duitse filosofie. En dat het recht hersteld worden moet, vanzelfsprekend in de zin van de wahahare filosofie. Vooral in de Verenigde Staten wordt Mercier populair op een manier die misschien vergelijkbaar is met de Dalai Lama op bepaalde momenten. Na de oorlog maakt hij een triomfantelijke reis langs Amerikaanse universiteiten die met elkaar wedijveren om hem tot eredoctor te mogen promoveren. Er verschijnen boeken over hem, hij werd opgenomen onder de ‘Reuzen’[10] en zijn geschriften werden in Amerika gepubliceerd[11]. Het hoogtepunt van zijn invloed bereikte Mercier onder paus Benedictus XV (1914-1922), die na de oorlog een ‘Nieuwe Wereldorde’ wilde oprichten en die zich onder andere bezighield met de oprichting van een volkerenbond op basis van het canoniek recht (Encykliek „Pacem Dei“, 23 mei 1920).

***

Het neothomisme van Leo XIII is een poging om de anti-revolutionaire, retrograde, reactionaire stroming een ‘filosofisch’ fundament te geven en ze te systematiseren.

Kardinal Mercier noemde het gevecht tegen de filosofie van Kant, ce doux philosophe (sic)[12], zijn levensinhoud:

‘Le grand pervertisseur des idées du dix-neuvième siècle, est le philosophe allemand, Emmanuel (sic) Kant. J’en fus toujours si profondément convaincu, pour ma part, que je consacrai à le combattre tout ce que je pus trouver d’énergie et d’influence au cours de ma carrière professorale.’[13] De grote perverteerder van de ideeën van de negentiende eeuw is de Duitse filosoof Emmanuel (sic) Kant. Daar was ik altijd al zo diep van overtuigd dat ik alles wat ik kon opbrengen aan energie en aan invloed in de loop van mijn professorale carrière eraan heb besteed om hem te bestrijden.

’L’ Allemagne régnait mais le Cardinal était là, juge de l’ Allemagne’, schreef Georges Goyau in een hagiografie na de oorlog.[14] De kardinaal als rechter over Duitsland.

***

In een tijd waarin iedere publicatie gecontroleerd werd en waarin zelfs priesters niets in het licht mochten geven zonder imprimatur, is de opname van een tekst van Charles Maurras, uitgerekend in het officiële gedenkboek „Mémorial Jubilaire du Cardinal Mercier“ van 1924 – onder leiding van een baron de Waha-Baillonville[15] – niet minder dan een demonstratie. En het was Maurras die Mercier ‘le Grand Juste’ noemde.

Deze lieden beheersten het discours tussen 1918 en de diefstal van de panelen in 1934 – en nog later. Opvallend was de afwezigheid van een tegenstem, van een alternatieve opinie van enig niveau. Over de volledige achterlijkheid van de vrijzinnigen die niet in staat waren en zijn om andere ideeën in circulatie te brengen, zal ik het een andere keer hebben. De Thomistische categorieën zijn in ieder geval doorgesijpeld in het denken (sic) van de hele maatschappij.

***

Er werden brieven van Mercier gepubliceerd.

Een voorbeeld uit een schrijven van hem aan Generalgouverneur von Bissing uit de bezettingstijd: ‘Il y a une barrière, Monsieur le Gouverneur Général, où s’arrête la force militaire et derrière laquelle s’abrite inviolablement le droit.’

De diepere oorzaak van de oorlog lag volgens dit discours besloten in ‘de tegenstelling tussen de christelijk-geestelijke cultuur en de heidens-materiële barbarij, gevoed door het verderfelijke rationalisme’[16]. Dat poneerde Maria Elisa Belpaire, die voor de komst van Stientje Hemmerechts de meest pittoresk representant van het katholieke Vlaanderen was. ‘De wereldoorlog,’ schrijft ze, ‘was een keerpunt in de geschiedenis van de kerk. In bloed en tranen heeft de mensheid gezaaid, maar rijk is de oogst die onder het oog van de engelen in de eeuwige schuren wordt binnengereden. Justitia et Pax oscillatae sunt.’[17] Het nieuwe evenwicht tussen rechtvaardigheid en vrede was volgens Belpaire trouwens al bereikt in het Italië van Mussolini, waar ze in 1922 deelnam aan een internationaal congres voor katholieke vrouwen en deze tekst schreef over de in Italië eindelijk bereikte ‘ware’ democratie. Het algemene Unbehagen in der Kultur werd veelal geïnterpreteerd als een nieuw begin voor de ‘katholieke maatschappij’.

***

De overwonnen filosofie.

De Duitse nederlaag werd voorgesteld als de nederlaag van de kritische filosofie.[18] Die had een ‘moreel Verdun’[19] geleden, wat neerkwam op een godsoordeel tegen het ‘kantianisme’. Niets stond nu nog de overwinning van de neoscholastiek en de katholieke universiteit van Leuven in de weg. Het verdrag van Versailles was de uitdrukking van een door Mercier luidkeels geëiste ‘wrekende gerechtigheid’[20] – de kardinaal was zonder twijfel een van de haviken op de achtergrond van dat verdrag, waarvan de funeste kortzichtigheid alras zou blijken. Hij was wraakzuchtig, onverzoenlijk, vol haat en racistisch.

***

Een tastbaar gevolg van Versailles was natuurlijk dat de zijpanelen van het Lam Gods terug naar België kwamen. Die symboliseerden de Duitse nederlaag en Merciers grote triomf: de nederlaag van de slechte filosofie. Het Lam Gods kreeg een betekenis als een ‘nationaal’ heiligdom. Vooral het paneel van de Rechtvaardige Rechters was een hoogtepunt voor de zozeer door Juges, Grand Justes, en wahahare dingen bezeten geobsedeerden. De diefstal van vooral dát paneel, dat van de Rechtvaardige Rechters, was dan ook een steek recht in het hart van de zompige wereld van soppende soutanes en plodderige pijen.

Tenslotte: een filosofie zonder Kant, konden ze zich daarbij eigenlijk iets voorstellen? Toch alleen maar als ze zich bij ‘filosofie’ helemaal niets konden voorstellen.

 

———————————————————————–

 

  1. J-P. Hendrickx, J. Pirotte und L. Courtois: Le cardinal Mercier, un Prélat d’Avant-Garde. P. 101.
  2. Callewaert: En Vlaanderen voor Christus, p. 125.
  3. Goyau, Le Cardinal Mercier. Paris 1918. P. 30.
  4. Parijs 1931.
  5. C. Journet : La Juridiction de l’Église sur la Cité, Paris 1931. P. 18 e.v.
  6. Motto van het boek van Journet.
  7. Nieuwsbrief van het Katholiek Documentatiecentrum (Kadoc) Leuven, 01/02 2004. P. 16.
  8. Mercier : Le Christianisme dans la vie moderne. P. 76.
  9. T.a.p.
  10. Julian B. Arnold: Giants in Dressing Gowns. Chicago 1942. (daar figureert Mercier naast Darwin, Conan Doyle, T.E. Lawrence, Stanley…)
  11. Mercier, His Eminence D.J. Cardinal: Cardinal Mercier’s own Story. New York [George H. Doran Co.] 1920.
  12. Georges Goyau: Mercier. p. 97.
  13. J. D. Mercier: Voix de la Guerre. Georges Thone, éditeur, Liège 1937. p. 146.
  14. Geciteerd in (Mercier:) Voix de la Guerre. p. 11.
  15. Gepubliceerd in Antwerpen, 1924.
  16. Geciteerd door Schrooten, t.a.p. p. 58.
  17. Maria E. Belpaire: Reukwerk. Antwerpen 1931. p. 198.
  18. Bv. Georges Goyau: Le Cardinal Mercier. Paris 1918. Daarin hs. VIII: „Un vaincu de la guerre: le kantisme“.
  19. O. c., p. 9.
  20. O. c., p. 93.

 

Steekkaart Dr. Martin Konrad

 

Coralie Coloratuur. 22 februari 2019.

 

Lang vóór de Kunstschutz en met name ook alvorens Henry Koehn zich echt met de gestolen Rechtvaardige Rechters bezig begon te houden, was de SS al op zoek. Schermutselingen tussen Kunstschutz en SS waren aan de orde van de dag. Dat uitte zich bijvoorbeeld bij de keuze van de sprekers voor de officiële plechtigheden die naar aanleiding van de grote Van Eyck-herdenking in 1941 werden georganiseerd. (Toen nog) Kunstschutz-chef Metternich was de SS vóór en haalde zijn assistent aan de universiteit Bonn naar Brussel voor het belangrijkste referaat. De kandidaat van de SS die op die manier gepasseerd werd heette Martin Konrad en stuurde woedend-bedroefde schriftstukken naar zijn chef, Reichsführer-SS Heinrich Himmler.

Dat er toch een Van Eyck-interpretatie in echt nationaalsocialistische zin werd gedebiteerd was dus niet de officiële Duitse bijdrage, maar de Vlaamse, van spreker Wies Moens.

Dat Konrad echt de ‘Beauftragte des Reichsführers’ was, blijkt uit een schrijven van Reinhard Heydrich, chef van Sicherheitspolizei en de SD, aan Reichsleiter Martin Bormann van 17 november 1941. Ook Heydrich beklaagt zich over Metternich – die “Belgische” initiatieven in verband met het Lam Gods zou steunen, maar die Konrad belet naar Pau te reizen om het retabel in ogenschouw te nemen – en eist dat er iets ondernomen wordt: ‘Auch dieser Fall bestätigt dass Graf Metternich in keiner Weise die deutschen Belange in Paris zureichend vertritt. – Ook in deze aangelegenheid blijkt weer dat Graaf Metternich de Duitse belangen in Parijs in geen enkel opzicht voldoende behartigt.’ Wie weet wie deze chef van Sicherheitspolizei en de SD Heydrich wás, kan eigenlijk niet anders dan Metternich – en Koehn, die in al deze aangelegenheden Metternichs rechterhand was – tot het verzet te rekenen.

 

Martin Konrad was een gepromoveerde kunsthistoricus met speciale belangstelling voor Nederlands-Nederduitse toestanden. Hij werkte voor de oorlog onder andere in het Rijksmuseum en in het Rijksprentenkabinet in Amsterdam, met Cornelis Hofstede de Groot. Aanbevolen was hij daar kennelijk door Von Bode – bij kunsthistorici nu nog een grote naam.

Maar hij scharrelde  in 1940 en 1941 dus rond in België, hoofdzakelijk in verband met het Lam Gods. Al lang daarvoor was hij overtuigd van het legende-karakter van de zg. Hubert van Eyck. Hij kwam op het idee, de in Sint-Baafs achtergebleven kaders van het naar Pau weggebrachte retabel te gaan bekijken. In De Vlag het tijdschrift van de Deutsch-Vlaemische Arbeitsgemeinschaft publiceerde hij in augustus 1941 (nr. IV, 4 August/Augustus 1941) een stuk waarin hij daar op in gaat – bij mijn weten de enige keer dat hij daarover zal schrijven:

 

 

(C.c.A.e.d.)

 

 

 

 

 

 

Aan een buitenlandse professor 2

Geachte Professor.

Ik moet vooruitlopen op mijn normale publicatiestrategie om u nu al te kunnen wijzen op een nagenoeg onbekende bron in verband met het kwatrijn op de kaders van het Lam Gods. De eerste kunsthistoricus na Waagen die die grondiger bekeken heeft, was mijns inziens Dr. Martin Konrad, die in 1940 en begin ’41 de lege kaders in Sint-Baafs in ogenschouw heeft genomen. Ik zal weldra een ‘Steekkaart Dr. Martin Konrad’ op deze webstek plaatsen.

Er bestaan heel wat ‘nagenoeg onbekende’ bronnen, u heeft er zelf op gewezen.

MfG

CC

(C.c.A.e.d.)

Koehn als fotograaf (12.2): Antwerpen 2

H. Koehn: Bijna voltooide bunker in de kathedraal op 16 maart.

 

Coralie Coloratuur. 4 februari 2019.

Herziening Lucas Mariën, 14 februari 2019.

 

Bij de eerste gelegenheid, na Koehns eigenlijke kennismaking met Antwerpen, trekt hij opnieuw naar die stad, een heel weekend.

In het eerste deel van deze bijdrage hebben we al vastgesteld dat zijn zoektocht naar de Rechtvaardige Rechters pas nu echt begint. Koehn was wel al met de Gentse bisschop Coppieters gaan praten, maar daarbij ging het er vooral om vast te stellen waar het Lam Gods zich bevond. Of hij, Koehn, het moest gaan zoeken zoals hij de Van Dyck van Dendermonde opgespoord had. In het museum van Antwerpen nu, in de gesprekken met conservator Arthur Cornette en met Max Winders (die daar voor het eerst opduikt), komt restaurator Jef Vanderveken ter sprake. Koehn noteert diens adres en telefoonnummer. Dat is op woensdag 12 maart 1941; het weekend van 15 en 16 maart is hij dus weer in de Antwerpen. Dan volgt er een week Brussel met de gewone routine bij de Kunstschutz. Maar dan, bij de eerste gelegenheid (?), op maandag 24 maart, trekt hij in Brussel naar het justitiepaleis: ‘Im Justizpalast die Gerichtsakten eingesehen (von Gent) über den Diebstahl des Bildes der Gerechten Richter u. des Johannes vom Flügelaltar der Brüder van Eyck.’ Onderstrepingen zoals hier weergegeven. De naam Van Eyck meermaals, dik onderstreept. Hij zal de mythe van de ‘gebroeders Van Eyck’ snel opgeven.

Wie heeft hem verteld dat die documenten zich in Brussel bevinden – en was dat eigenlijk wel normaal? Het was toch een Gents onderzoek?

2

Op donderdag 13 en vrijdag 14 maart 1941 in Brussel: Büroarbeit noteert Koehn. In de namiddag van de dertiende bezoekt hij in de Galerie de la Toison d’Or een tentoonstelling van Carl Rabus ‘uit München’ en van de Vlaming wiens naam nog niet ontcijferd is.

Rabus wordt kennelijk voorgesteld als schilder die ‘Vlaamse motieven’ heeft verwerkt. Koehns oordeel over hem is niet onvriendelijk: Rabus heeft, meent hij, een eigen handschrift, een ‘gute eigene Auffassung’. Maar zijn motieven ‘lassen das eigentliche Flandern und Brabant so gut wie garnicht erkennen’. Het ‘eigenlijke Vlaanderen en Brabant’ – Koehn heeft niet expliciet geformuleerd wat hij daaronder verstond.

Rabus was een exilant die in België terechtgekomen was op de vlucht voor het nazi-systeem. In mei ‘40, een paar weken voor het begin van de oorlog wordt hij door het glorierijke Tartufistaanse regime opgepakt, samen met andere Duitse bannelingen, maar ook met vooraanstaande Vlamingen als de bejaarde August Borms en Joris van Severen – welke laatste in het kader van deze operatie vermoord werd. Maar Rabus weet te ontsnappen, reist terug naar België, waar intussen de Duitsers voor wie hij uit Duitsland gevlucht is de baas geworden zijn. Korte tijd later krijgt hij een tentoonstelling in Brussel.

Wie Rabus naslaat vindt meteen dat deze schilder door de nazi’s vervolgd werd. Hij zou ‘entartete Kunst’ hebben geproduceerd. Al in 1936 was hij naar België gevlucht. Maar hij wordt dus nog na de bezetting in Brussel niet alleen met rust gelaten, maar zelfs geëxposeerd.

H. Koehn: Luftschutzmaßnahmen, Carolus Borromeus.

Het is een van die eigenaardigheden van dat regime. Hadden de nazi’s dan toch niet alles onder controle –of nóg niet? In een film als ‘Mephisto’ van Istvan Szabo, waarin er zonder twijfel naar gestreefd is om de historie te respecteren, krijg je de indruk dat zelfs de minste acteur aan een theater een dossier heeft waarin ‘jeugdzonden’ opgetekend staan. Of de man in kwestie in de jaren twintig meegewerkt heeft aan communistische projecten als arbeiderstheater e.d. Zulke dossiers bestonden ongetwijfeld, maar zulke mensen werden onder het nazisme soms ook lange tijd met rust gelaten als het niet belangrijk genoeg was. Als ze zich aanpasten misschien voorgoed.

Was Rabus als schilder te onbeduidend om er zich zorgen over te maken? Maar het was wel eigen aan het totalitaire regime dat zelfs de kleinste afwijkingen soms wel degelijk aanleiding gaven tot represailles. Hoe moeten we dat begrijpen?

Op het eerste gezicht zijn er voor de tolerantie tegenover Rabus twee verklaringen mogelijk:

1 Het vanuit een strenge nazi-observantie min of meer dissidente militaire bestuur zou het optreden van zo’n ongewenst element door de vingers hebben kunnen zien, het misschien zelfs subversief hebben kunnen aanmoedigen. De radicalisering van het bestuur in België onder impuls van de partij en de SS begint voorjaar 1941 nog maar pas op dreef te komen.

2 Propagandaminister Goebbels was allesbehalve dom en er niet op uit dat het regime helemáál voor provinciaal, barbaars… zou doorgaan. En dat het alleen maar in staat was tot die achterlijke plakkaatkunst die de Große deutsche Kunstausstellung van 1936 karakteriseerde. Goebbels liet (in bepaalde periodes) (tot op zekere hoogte) dingen toe die er niet zo meteen nazi uitzagen. Er is al sprake van inbedding, d.w.z. van het gecontroleerd voor de kar spannen van andersdenkenden die eigenlijk opponeerden of zelfs in de contramine waren. Zo gebeurde het dat er concerten werden gegeven waar ook werken van componisten op het programma stonden die officieel entartet waren. Een probleem was dat er te weinig zuivere nazi-werken bestonden – een verklaring voor het fulminante succes van Vlaamse schrijvers in het Reich.

In het werk van Carl Rabus kunnen er motieven worden aangewezen (cfr. Google-afbeeldingen) die Brabants of ‘Belgisch’ zijn.

Wat was dan het ‘echt Vlaamse’ dat Koehn bij hem miste? Dat zal grotendeels die völkische onkunst zijn die het regime propageerde.

We moeten ons tevreden stellen met enkele aanduidingen.

Koehn bewaart een mapje (nu in het Archief Rechtvaardige Rechters) gewijd aan Dirk Baksteen, met reproducties van grafisch werk van deze wakkere illustrator van de Ziel der Kempen. ‘Het beste aan Baksteen is zijn naam,’ zegt mijn chef Lucas Mariën, ‘waarmee je ruiten kunt ingooien in het welig huis der Huichelarese kunstsimulatie.’ Vlaanderen ‘was het paradijs van de volksch/völkische kunstideologie, de culturele revolutie van de neoscholastiek op kunstgebied, het enige land ter wereld waarvan de nazi’s de ‘kunst’ quasi volledig konden overnemen, wat ze ook gedaan hebben: Bakstenen, Smitsen, Eugenen Yoors, Moortgaten… konden zich doordat ze in het Reich zo in de smaak vielen voor enige tijd de evenknie voelen van Van Gogh en Picasso. En waar die nazi’s allemaal blij mee waren: de tot in het belachelijke vervalste Tijl Uilenspiegel in gips met gele verf erop om het op gesculpteerd eikenhout te laten lijken – en Nele daarbij, het hart van Vlaanderen, als trut, en met twee vlechten in dezelfde kleur hoewel die niet van eikenhout maar blond waren. En Emiel Hullebroeck kweelde ‘de gilde viert, de gilde juicht’ – aldus het middeleeuwse gildewezen propagerend, het model voor de sociale organisatie van de klerikaalfascistische staat.

Totaler dan in Duitsland zelf –in Duitsland waren er dissidenten; in Huichelarije nauwelijks – behalve Walschap, en die heeft het geweten. Het volksche, dat was de officiële doctrine terzake literatuur en kunst van de katholieken, strakker geformuleerd in het Noorden door Bruning, Knuvelder… maar nergens zo diep beleefd als in de Vlaamse gouwen die tenslotte ononderbroken van de Middeleeuwen hadden kunnen genieten tot in 1940 en later. Boeren die ploegend over de akker schreden en vloekten met miljaar miljaar en potverdekke en bij Knuvelder wellicht blikskaters riepen naar hun paard, in plaats van de naam van het opperwezen zelf ijdellijk in de mond te nemen, zo ‘overtuigd katholiek’ waren ze en ze verwekten nog minsten zeventien kinderen ook, zonder ooit maar met kapotjes te zitten doen of voor het zingen de kerk uitgaan – ons volk is een braaf volk, is goddank – uitroepteken – nog katholiek en met rotte kiezen van het ouwels vreten. Als er een pater dominicaan kwam preken en zijn sermoen begon met een driemaal in crescendo en op telkens hogere toonhoogte geroepen: ‘Onkuis!’ werd het doodstil in de kerk. De zogende moeders – die van de Große deutsche Kunstausstellung dan; in Vl. vanwege de kuisheid minder expliciet voorgesteld – die al die zeventien bengels gehoorzaam hadden gebaard, kregen een kleur als een oven, keken naar de neuzen van hun zondagse klompen voor zover dat mogelijk was vanwege blijde verwachting van nummer achttien. In ieder geval durfden ze de dominicaan niet aan te zien, niet alleen uit schrik voor de hel, maar ook om geen enkele gedachte aan het andere, als was het maar een pater, te laten opkomen. En sneuvelende soldaten waren er hier ook – in ‘De Soldaat Johan’ van De Pillecyn – die lange tijd secretaris en vertrouweling van de neoscholastische politicus Van Cauwelaert was – al weet ik niet meer zeker of die soldaat ook gesneuveld is – misschien is hij met de zegen van de paus en de kardinalen caudillo geworden, zoals generaal Franco, om de wa-ha-hare maatschappij in de praktijk te brengen.

H. Koehn: Bunker voor opslag schilderijen in de kathedraal, hier op 12 maart 1941. Met Max Winders.

 

3

Op zaterdag 15 maart 1941 neemt Koehn opnieuw de trein naar Antwerpen, deze keer wil hij er een heel weekend van maken. Hij neemt zelfs een kamer in het hotel ‘Excelsior’, aan het centraal station en de onderneming ziet eruit als een privé uitje.

’s Avonds gaat hij naar de opera in de flämische Oper. Ze geven Quinten Massys van Émile Wambach. Koehn vindt de opvoering middelmatig, alleen het orkest is volgens hem goed. Over het werk zelf, de compositie, spreekt hij zich niet uit.

De volgende dag, zondag 16 maart, doet hij de tour van het centrum nog eens over zonder Winders. Hij maakt nieuwe foto’s van de Luftschutzmaßnahmen in de kathedraal. De bunker voor schilderijen die hij woensdag met Winders erbij gefotografeerd heeft, is intussen zo goed als voltooid. Tegen de middag zakt hij weer af naar de stationsbuurt en brengt een bezoek aan de zoo. Middagmaal in het Hôtel du Commerce. Het eten is ‘gut’.

Tenslotte gaat hij naar de plechtige verlening van de Rembrandtprijs aan Raf Verhulst. Die prijs is een onderscheiding die door de universiteit van Koehns vaderstad Hamburg – hij heeft daar nog een blauwe maandag college gelopen – wordt toegekend aan cultureel verdienstelijke Nederlanders. Het jaar daarop zal Felix Timmermans hem krijgen. Raf Verhulst, schrijft Walschap in een brief, dat is een knoeier. Maar Timmermans gunt hij de prijs en die feliciteert hij ook privé. Maar hij wil niet naar de uitreiking gaan en wil er ook verder volstrekt niets mee te maken hebben.

Bij de plechtigheid die Koehn bijwoont worden toespraken gehouden door de gewone verdachten: Verhulst zelf, Borms, Verschaeve. Koehns eindbalans, dagboek III, 158.

Aus den Reden ging hervor, daß nicht nur Verschaeve als Priester sondern auch Borms und Verhulst (der z. Zt. ein Buch ‘Jesus’ schreibt) dem Katholizismus verhaftet sind. Damit fällt deren Freiheitskampf in Flandern in sich zusammen.’ / Uit de toespraken bleek dat niet alleen Verschaeve als priester maar ook Borms en Verhulst (die aan een boek ‘Jesus’ werkt) vastzitten aan het katholicisme. Zo stort hun vrijheidsstrijd voor Vlaanderen als een kaartenhuis in elkaar.

 

Koehns ‘dagboek’. De geciteerde passage is de onderste alinea op deze bladzijde.

 

Niet Verhulst, maar Verschaeve werkte overigens aan een boek ‘Jezus’.

 

Coralie Coloratuur

(C.c.A.e.d.)

Als tipgever niet onbedrijvig

 

29 januari 2019

 

Omdat ik weet dat er mensen zijn die nog steeds op zoek zijn naar het paneel van de Rechtvaardige Rechters wil ik hier een paar tips geven. Excuses voor de wachttijd: vitale delen van ons archief zitten in een kluis in het buitenland. Uit tijdnood zie ik ervan af de citaten te vertalen en als enige bron geef ik op dit ogenblik dat Archief Rechtvaardige Rechters aan. Als het nodig is kunnen we daar verder op ingaan maar, zoals gezegd: uit tijdnood etc.

Het ziet er naar uit dat de kerk de sleutel tot het terugvinden van de Rechters sinds lang in handen heeft. Dat geloofde Henry Koehn tenslotte ook, heeft zijn dochter me meer dan eens verteld, maar misschien was hij nog niet zo ver in 1941. In ieder geval: in 1941 was dat verhaal wel al in omloop en Koehn was daarvan op de hoogte. Koehns hoogste chef, Franz graaf Metternich, bereidt op dat moment een reis naar Pau voor, om het Lam Gods te gaan inspecteren. De Kunstschutz probeert zo weinig mogelijk eigenmachtig op te treden en vraagt voor die inspectiereis de toestemming van de ‘Belgen’. De secretaris generaal van het ministerie, Jozef Muls, zit in hetzelfde gebouw als de Kunstschutz in de Wetstraat 16, de huidige ambtswoning van de eerste minister. Koehn haalt even een papier af bij Muls en stuurt dat naar Parijs, naar Metternich. Daar voegt hij twee brieven bij om Metternich in zekere zin te briefen – brieven die bij het Archief Rechtvaardige Rechters doorgaan voor inofficieel, d.w.z. persoonlijke stukken – uit de doorslagen die Koehn maakte en die in ons bezit zijn is dat niet met volledige zekerheid uit te maken.

Uit de eerste brief, van 22 juli 1941, het volgende citaat:

“Gerüchten zufolge soll im Jahre 1935 auf geheime Weise auch die Tafel der ‘Gerechten Richter’ wieder aufgefunden worden sein. Meinen bisher hier angestellten Untersuchungen nach scheint das nicht der Fall zu sein, und ich glaube daher auch nicht, dass sich diese Tafel in Pau befindet, d.h. dass sie heimlich, vielleicht in zerstörtem Zustand mit verpackt worden ist. Wichtig wäre es jedenfalls, dies genau festzustellen.”

Deze brief wordt meteen verzonden. Maar Koehn zoekt nog bevestiging. De ochtend daarop praat hij erover met Max Winders. In de namiddag gaat er een nieuwe (inofficiële?) brief naar Metternich waarin o.a. het volgende te lezen staat: “Es ist nun noch ‘gemunkelt’ worden, dass die Original-Tafel, wie ich gestern bereits schrieb, in mehr oder weniger zerstörtem Zustand zurückgefunden sei, und dass Vanderveken diese restauriert habe. Ich halte das jedoch nicht für glaubwürdig. Es wäre immerhin wertvoll, die Kopie genau dahin überprüfen zu wollen.”

Met Vanderveken zal Koehn pas later spreken. Opvallend ook hier weer… die taal. ‘Munkeln’ betekent niet hetzelfde als ‘monkelen’. Het woord staat tussen aanhalingstekens, alsof Koehn nog eens het taaleigen van Winders weergeeft. Maar wat betekent dat dan? Wat verstond Koehn eronder en wat heeft Winders echt gezegd? Meer uitleg hierover bij Marc Reynebeau, een van de grote lichten op De Standaard-niveau.

Tenslotte nog een passus uit een ‘Memo’ van de kunsthistoricus Martin Konrad aan SS-Führer Heinrich Himmler, nadat Martin een paar weken voor Himmler in Vlaanderen op onderzoek uit is geweest. Konrad heeft alleen maar een schrijfmachine met een Frans toetsenbord kunnen vinden; ik geef letterlijk weer:

“Vielleicht waere es das beste Mittel, wenn das Schweigegebot der Kirche (markering van mij; LM) nicht aufgehoben wird, deutscherseits zu erklaeren, dass erst dann die Belgien gehoerenden Altarteile wieder herausgegeben werden, wenn Klarheit seitens der Kirche (id.) in dieser Affaere kommt, bzw. der gestohlene Fluegel wieder da ist.’ (Memo 14/8/1941.)

Konrad was een SS-er die het kennelijk zelfs voor andere SS-ers vaak te bont maakte door zijn fanatisme. Dat betekent niet dat zijn al zijn uitspraken a priori en kritiekloos terzijde kunnen worden geschoven. Tenslotte had hij er belang bij door de geadresseerde, Himmler, niet voor een fantast en een onbetrouwbare medewerker te worden gehouden.

error: Kopij bescherming !!