Eigen apoftegmata Posts

Apoftegma 5. Wim en Freddy.

 

10 maart 2019. Lucas Mariën

 

Apoftegma: Wim en Freddy.

In verband met de curieuze vriendschap van Willem Frederik Hermans met Freddy de Vree – Freddy doet voortdurend alsof hij kan meepraten over dingen die Hermans interesseren.

Hermans vond uitspraken met een algemeen karakter meestal zinledig en hij keurde bijgevolg een groot deel van de filosofie af. Freddy voelt aan in welke richting dat gaat. In een gesprek waarin hij wil laten zien aan wiens kant hij staat vermeldt hij Heideggers uitspraak ‘Das Nichts nichtet’ – het niets nietst zeer afkeurend als summum van zinledige filosofische onzin.

Hij bedenkt daarbij niet het volgende: ‘Heideggers “nichtendes Nichts” ist das als Nichts vernichtete Nichts.’ Anders gezegd: ‘Heideggers nietsende niets is het als niets vernietste niets.’ Zo ziet Ludger Lütkehaus dat, die niet alleen de schrijver is van een imponerend en zeer dik boek over het niets (Lütkehaus: Nichts. Leipzig 2010. Het citaat op p. 673). Lütkehaus, bij uitstek een Schopenhauer-specialist, heeft ook een interessant boek geschreven over zijn katholieke kinderjaren: Kindheitsvergiftung, Aschaffenburg 2012. De enige katholieken die cultureel iets van betekenis tot stand brengen zijn voormalige katholieken.

De vorige zin is een apoftegma. Maakt hij deze hele bedenking, die – erewoord – alleen maar een beschouwing wilde zijn, toch tot een apoftegma – of – als we tot nu toe aan het gevaar ontkomen waren – doet dat wellicht pas deze laatste, onderhavige zin?

In zijn gesprek met Hermans heeft Freddy over het hoofd gezien dat het juist het als niets vernietste niets is, dat van belang is. Of moet ik vertalen: het als niets vernietigde niets?

Apoftegmata 3

 

 

Henry van de Velde. Bauhaus-universiteit, Weimar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_______________________

Armand Baanbreker (distichon)

Gloednieuwe dingen introduceer ik, in de heilige versmaat:
Popmuziek, voetbal en Humo – en ook jarretelles. En Stientje.

 

***

 

Epigram

Naakt had zich Stientje te kijk gezet in het noodlijdende tijdschrift
Aarzelend wel, maar het schandaal, meende zij, was niet zo groot.
Want een geweldige haarbos had alles onzichtbaar gemaakt
En aan de blikken onttrokken – de gretig wellustige – wat
Aanstoot kon geven. En niets was er in feite te zien.

Ook werd het tijdschrift, het noodlijdende, er niet door gered.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Epigram (2)

Of Stientje een vrouw was, vroeg een werkgroep zich af – competent en onkreukbaar.
Wees in een andere richting niet die mannelijk-zware beharing?
“Van de beharing hangt het niet af,” schreef Stientje en sprak op de beeldbuis:
Was niet een heilige eertijds door een mirakel bewaard voor geweld?
God gaf haar een baard, de verkrachter verloor daarop zijn interesse.

Toen vroeg de werkgroep of ook aan haar dan een mirakel geschied was?

 

***

 

 

Digitale en andere Apofthegmata (2)

 

Henry van de Velde. Trap Bauhaus Weimar. Foto L.M. 1995.

 

 

Novela.

Juni 2018. Lucas Mariën.

‘Zou je dat niet eh… meer buiten beschouwing kunnen laten… eh,’ fluisterde pater Staf door het traliewerk, ’ik bedoel het gebruik van de deegroller, Stientje. Een vrouw is gewoonlijk fysiek zwakker dan een man, maar ze is sterker door de gevoelens die ze in mannen weet te wekken.’ En zachter, enigszins aarzelend, voegde hij eraan toe: ‘Heb je dat al eens geprobeerd?’

‘De deegroller is de enige taal die hij verstaat,’ snauwde Stientje bijna, maar ze kon zich nog net inhouden. De beste kringen kwamen bij deze gedistingeerde jezuïet om raad en vergiffenis te ontvangen, en tot nu toe had ze zich tegenover hem altijd weten te beheersen. Alleen haar tranen, die kon ze op dit ogenblik niet langer terugdringen.

‘En de gevoelens die je in hem wekt,’ suste de pater kalmerend, met blokfluitstem, ‘misschien zou je die… kunnen versterken.’

‘Hij verstaat zoiets niet.’

Het eikenhouten traliewerk van de biechtstoel maakte het voor de pater onmogelijk om haar een zakdoekje toe te steken, maar hij was zo delicaat het deurtje aan de voorkant open te maken, een stap naar buiten te zetten en haar van buitenaf een heel pakje aan te reiken, zakdoekjes van de Aldi, tussen het paarse gordijn en het hout van de stijl door.

Als hij weer in de biechtstoel zat en de indruk had dat Stientje wat gekalmeerd was, vroeg pater Staf – één en al geduld en zachtmoedigheid:

‘Zou het niet denkbaar zijn… Vrouwen streven in zulke omstandigheden soms wel naar… Een zekere verhoogde lieftalligheid.’

‘Wat bedoel je?’ snauwde Stientje nu echt.

‘Ik heb net iets gelezen… Over de renaissance in Italië. Ik moet zo’n ontwikkelde vrouw als jij bent niet vertellen dat de hele moderne ellende en geloofsafval daar begonnen zijn. Maar ik las dus een boek met ‘novelas’ van Franco Sacchetti. Hij leefde van 1335 tot 1400. Ik heb een biechteling wiens zondenberg zo verschrikkelijk hoog is… Maar hij interesseert zich voor digitale literatuur, voor literaire vormen… apofthegmata en zo… En om hem bij te kunnen staan lees ik dat van Sacchetti. En die heeft een novela geschreven, De kunst van de vrouwen.’

‘En?’

In zijn lange ervaring van biechtvader had de pater nooit zoveel korzeligheid gehoord in een zo klein woord.

‘Wel! Het is niet alleen dat die vrouwen… niet de hele tijd snauwen en kijven! Maar ze schminken zich ook. Een gezicht mag te bleek of te geel zijn – met poeder en pommade weten ze het er te doen uitzien als een roos.’

En hij tuurde door de tralies alsof hij Stientjes toekomstige roosachtigheid al hoopte te zien verschijnen.

 

 

Stientje intussen – wond zich nog meer op. Dacht die aristocratische zwartrok soms dat ze het nodig had zich te versieren? Dat ze thuis in een slonzige bonte nylonpeignoir rondliep, met krulspelden en zonder jarretelles?

‘Als een gezicht niet goed geproportioneerd is en te grote fletse ogen heeft,’ floot zoetgevooisd de pater, die zelf min of meer in vervoering raakte, ‘… welnu… door de kunst der vrouwen, de kunst die Sacchetti bedoelt, wordt dat rechtgetrokken en zien die ogen eruit als vurige valkenogen; een scheve neus – de kunst der vrouwen maakt die recht; vertoont het gezicht de onderkaak van een ezel – meteen wordt dat gecorrigeerd. Ze verbeteren zo nodig de borst en de heupen en slagen erin om zónder beitel dat te bereiken wat Polukleitos en Praxiteles zélf niet tot stand zouden hebben gebracht.’

Hij tuurde nu door het traliewerkje om te zien welke indruk zijn woorden op Stientje maakten en schrok niet weinig, zich ijlings terugtrekkend tot in de verste hoek van de biechtstoel.

‘Ik bedoel maar dat… ook een scharminkel… Het verhaal van Saccetti breekt hier trouwens af… de veertiende eeuw – nog voor de uitvinding van de boekdrukkunst… Het einde van het manuscript is zoek geraakt…’

Zo moet ook het einde van dit apofthegma in het duister blijven.

 

 

***

Nog eens uit de Liefdesgesprekken van Stientje en Armand. April 2018. Lucas Mariën.

 

‘… en ja, beste vrienden, dus! Meebrengen: fles wijn en goed humeur.’

Stientje, impulsief, klikte de verzenden-toets aan terwijl ze zich afvroeg: waarvoor leef ik eigenlijk? Trouwens, kon iemand in haar positie zo studentikoos vragen om een fles wijn mee te brengen. Jeugdsentiment? Was het eigenlijk wel verstandig geweest, om in deze stemming een party te organiseren? Maar Coralie Coloratuur van de uitgeverij Het Paradigma scheen niet geneigd te zijn haar, Stientjes, boek ‘Steeds Obscuurder’ uit te geven.

Er betond een roman van Zola, Het paradijs voor de vrouw, over een winkelier met een atelier waarin paraplu’s gemaakt werden. Er komt een warenhuis dat de kleine middenstander de das omdoet. Door het internet dreigde ‘in onze epoche’ de schrijnende ondergang van de literaire wereld waarin zij het zo ver gebracht had. In haar boek had ze de paraplu’s alleen moeten vervangen door romans, de hele traditionele literaire wereld ging om zeep. Het was zelfs zo dat je niet meer meetelde als je ‘gewoon’ romans schreef en die bij een uitgeverij publiceerde. Nee, het moest ‘baanbrekend’ zijn en de bestaande literatuur heette intussen post-literatuur!

Wat had ze al moeten uitstaan omwille van haar uitzonderlijke schoonheid. Zo’n schoonheid is beslist niet alleen een voordeel voor een vrouw. Ze trekt wel de aandacht, maar tegelijk wekt ze bij veel mensen een vorm van agressie. Ze vergelijken en voelen zich te kort gedaan of verzetten er zich tegen dat ze onder de invloed ervan komen.

En wat had ze moeten uitstaan omwille van haar buitengewoon verstand. Grote intellecten waren zelden geliefd.

Soms twijfelde ze zelfs…

Hield Armand echt van haar?

Stientje vroeg zich dat al dagen lang in alle ernst af, door de schuld van Coralie.

Zou Armand ook nog van haar houden als ze Julia heette? Of als ze zo lelijk was als de dochter van professor Daas? Of hield hij alleen van haar omwille van haar talent? Of zelfs – ze kreeg haast een kleur – in verband met… die jarretelles?
‘Ik geloof dat ik het niet zou overleven, als ik jou zou verliezen, Armand,’ sprak ze en nam hem nu bij de hand.

‘Ik ook niet.’

‘Jij ook niet? Bedoel je…’

‘Ik zou het ook niet overleven.’

‘Wat? Dat je dood was?’

‘Dat ook niet. Maar ik bedoelde eigenlijk…’

‘Wat dan?’

‘Als ik jou zou verliezen.’

Stientje slaakte een zucht van ontroering en stormde nog resoluter de wenteltrap op.

‘Hoe kunnen we daarover zekerheid verkrijgen?’

‘Je WIL toch weten dat ik zoveel van je hou dat ik niet zonder je zou kunnen…’

‘Hoe kan dat bewezen worden?’

Zo waren ze onder het houden van de interessantste liefdesgesprekken boven op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te A. gekomen.

‘Een sprong van hierboven, die zouden we zeker niet overleven. Die zou het grootste bewijs van onze liefde zijn. Kijk mij nog een laatste keer diep in de ogen, je weet dat ik je helemaal toebehoor, Armand. Bewijs het! We springen!’

Hand in hand stonden ze bij de stenen balustrade.

‘Jij eerst,’ moedigde Armand haar aan.

‘Nee, jij eerst.’

‘Ik zou liever nog een beetje wachten.’

Hij liet ook haar hand al los.

‘Ik denk er nu aan dat ik nog een belangrijke telefoon verwacht. Met de redactie…’

‘Pff – de redactie.’

‘In verband met een interview. Ga al maar, ik kom je later naspringen. Samen sterven is trouwens niet nodig, aangezien – zoals ik net al zei… Ik zou het verlies immers niet overleven!’

Hij gaf haar gauw een zoen op haar wang en stormde met twee treden tegelijk de trap af.

Een interview had absolute voorrang, dat vond Stientje ook, zeker als Armand zou kunnen verkrijgen dat die redactie het interview met háár maakte in plaats van met hem. Maar dat andere…

 

Hoe kon ze ooit zekerheid verkrijgen?

 

***

Volgens een betrouwbaar onderzoek van de universiteit van N.N. zouden negentig procent van de mensen met een IQ van boven de 150 hun stem uitbrengen voor de politieke vleugel van het Paradigma onder leiding van Eurykleia Coloratuur.
Dit hebben de partijvoorzitters van domlinks – we zullen hun namen niet noemen – pas vernomen als ze samenkomen voor het feestje ter gelegenheid van de naamdag van de lichtroze voorzitter, de feestdag van de Heilige John. Op deze voorzitter is Eurykleia bijzonder gebelgd omdat hij een bewonderaar is van de Opus Dei-‘democratie’ in Spanje.
‘Als nu ook nog de super-intelligente kiezers weglopen,’ klaagt de groene voorzitter, ‘dan blijft er binnenkort niemand meer over om nog voor ons te stemmen. Moeten we niet beginnen zeggen dat dat allemaal fascisten zijn?’
‘Ik blijf optimist, Wouter, en vol vertrouwen in de arbeidersklasse en de toekomst. Maar inderdaad, als dat zo doorgaat, dan halen die binnenkort dus 150 procent van de stemmen!’
‘Nee beste vriend, zo erg is het niet. Ze halen immers niet alles, niet honderd, maar slechts negentig procent.’
‘Slechts 135 procent dus. Gelukkig maar.’
‘Hoezo gelukkig? Dat is nog altijd meer dan de absolute meerderheid.’
‘Hoeveel was die ook alweer? Maar maak je maar geen zorgen. Als er echt niemand meer voor ons stemt, dan organiseren we een betoging.’
‘Wij beiden?’
‘En een fijne staking.’

 

***

Als sommige elementen in de afpersingsbrieven van DUA de indruk wekken dat hij een farceur is, als het hele drama geregeld het karakter van een farce schijnt aan te nemen, dan dringt de vraag zich op naar de bijbehorende tragedie.

Georg Friedrich Wilhelm Hegel geeft als mening te kennen dat gebeurtenissen van wereldhistorische draagwijdte zich niet zelden als het ware twee keer afspelen. Karl Marx voegt daar aan toe dat het dan de ene keer als tragedie is dat ze zich voordoen, de andere als farce.

Als de afpersingskwestie in de affaire van de RECHTVAARDIGE RECHTERS de farce was, wat was dan de tragedie?

 

***

 

Over het scheppingsproces van een kunstwerk is er weinig echt bekend. Johannes Brahms stelt zich het ontstaan van de chaconne uit de partita in d voor viool alleen van Bach als volgt voor: ‘Op één enkel systeem, voor een klein instrument, schrijft die man een hele wereld vol van de diepste gedachten en de geweldigste emoties. Als ik me zou voorstellen dat ik dat stuk zou hebben kunnen maken, hebben kunnen ontvangen, dan weet ik zeker dat de overgrote opwinding en ontsteltenis me krankzinnig zouden hebben gemaakt.’ (Niet gedateerde brief aan Clara Schumann, juni 1877.)

Hierbij valt op te merken dat sommige kunstenaars al blijken van waanzin vertonen zonder dat ze vergelijkbare inspiraties hebben beleefd.

 

***

 

Er bestaat ternauwernood een milieu waarbinnen er harder geroddeld en gelasterd wordt als in het wereldje van de literatuur-simulatie in Huichelarije. Deze bezigheden schijnen typisch te zijn voor hofhoudingen van eunuchen.

 

***

A: Hoé niets is Frank Hellemaalniets?

B: Hellemaal. De naam zegt het zelf.

A: Kan er dan nog iets nietser zijn dan Frank?

B: Hellemaalniets.

A: Ts-ts-ts die Frank. En dan ook nog scribent bij een weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen doet denken.

 

***

 

 

Januari 2018. Lucas Mariën.

 

De voormalige verloofde van Coralie Coloratuur die de Huichelarijse krantenberichten voor ons overloopt, signaleerde dat er nieuws was over Roger van Gheluwe, de voormalige bisschop van Brugge. Wij waren net iets aan het schrijven over het begrip justitie in de context van de diefstal van de Rechtvaardige Rechters in 1934 en over de pogingen in die tijd om de definitiemacht over dat begrip te verwerven.

De pedofiele voormalige bisschop van Brugge had plusminus zestigduizend pornografische bestanden op zijn laptop staan – eerder plus. Tot opluchting van het gerecht, nemen we aan, was dat nochtans geen kinderporno, maar een grote verzameling ‘gewone’ porno. Als het kinderporno geweest was, dan had de rechtbank zich met die laptop moeten bezighouden. Bij gewone porno konden ze hem als irrelevant terzijde schuiven.

De advocate van de slachtoffers beweert dat een deel van het materiaal overduidelijk wél kinderporno is. In mei ’17 eiste ze bijkomend onderzoek, maar de ‘experts van het parket’ zijn er intussen nog steeds niet uit. Denkt die advocate soms dat dat allemaal zo gemakkelijk is? Wie moet al die baarden plakken aan die baardeloze kinnen? Wie moet de platte borsten van kleine meisjes tot weelderige boezems doen zwellen? Zestigduizend bestanden fotoshoppen! – Minder werk zal trouwens de vergroting van de vagina’s hebben opgeleverd. Daarvoor konden ze de foto’s van de autopsie van Julie en Melissa gebruiken. De vagina’s van beide kinderen waren kort voor hun dood monsterlijk opengerekt en misbruikt op een tijdstip dat Dutroux in de gevangenis zat. Dat is beschreven door Gerolf Annemans – ik heb er al naar verwezen:

Hoe ontstaat een apofthegma? Niemand weet het, het IS er plotseling. Het Apofthegma over het Latijn dat ik hieronder publiceer, ik weet niet waar het vandaan komt. Als initiator van een literatuurproject dat zich voor justitie interesseert – en voor juist de afwezigheid daarvan – voel ik me verplicht het op dit moment in het licht te geven, al moet ik een zekere neiging tot autocensuur daartoe overwinnen.

Ten eerste is het waar ik vandaan kom een van de grootste verboden, geestelijken aan de kaak te stellen. De censuurplakkaten van keizer Karel V. leggen daar bijvoorbeeld de nadruk op en in de steeds hernieuwde versies ervan wordt het steevast herhaald. De versie van 26 januari 1560 bijvoorbeeld, verbiedt

‘camerspelen, baladen, liedekens, commedien, batementen en refereynen […] daarinne gemenght zijn eenige questien, propositien oft materies beroerende onse religie oft geestelijcke luyden’ (Ramakers, Conformisten etc. cfr. bibliografie. P. 177.)

Pieter Schudematte – ik geef maar één voorbeeld – was een schrijver die in 1547 op de grote markt in Antwerpen onthoofd werd voor een ballade waarin hij de hypocrisie van de minderbroeders op de korrel had genomen (Ramakers, 176). Bij hem dus meteen ook het motief van de huichelarij, het merg van het katholicisme. Pas Walschap heeft ze tot hét monumentale thema van de onderdrukte sector van de Nederlandse literatuur gemaakt – maar er werd al lang vóór hem over geschreven.

De vervolging van mensen als Schuddematte is opgegaan in het collectief onbewuste. In onze breinen roken nog de brandstapels en stinkt het bloed van de gefolterde dichters. De censorschaar in het hoofd, de organisch geworden censuur die zich op deze breedtegraad als zuurdesem verspreid heeft in het genetisch materiaal, samen met verkapte, verholen vormen van reële censuur van buitenaf – het is dit censuurcomplex dat het ontstaan van een echte literatuur in Huichelarije belemmert.

Als een geval als dat van pedo-bisschop Van Gheluwe bekend wordt, dan zijn ze allemaal oprecht verwonderd: wie had zoiets ooit durven denken? Van een bisschop! De collectieve huichelarij heeft geen snaren genoeg op haar spel, geen opengevallen bek die gapend genoeg is, om haar oprechte verbazing tot uitdrukking te brengen. De huichelaar die op de televisie mag komen doen alsof het schandaal iets volkomen onverwacht is, belastert de literatuur, belastert de martelaren als Schuddematte, Poelgier, Onghena, De Heere en, ja, ook nog Gerard Walschap, de Adelaar van Londerzeel, wiens vervolging op een hoogtepunt was op het ogenblik dat de Rechtvaardige Rechters gestolen werden.

Al wie wel eens een boek gelezen heeft en een zekere graad van ontwikkeling bereikt weet dit en is niet verwonderd.

Het is een constante in de literatuur, van Schuddematte tot Walschap en daar voorbij. Ook andere feilen: simonie, aflaathandel, vraatzucht, inhaligheid – werden bekritiseerd, maar seksuele uitspattingen toch het meest. Literair gesproken zijn die productiever, door het contrast tussen de gepretendeerde heiligheid en de realiteit.

Juist het aspect hypocrisie is literaire winst en leidt tot genoeglijke bladzijden. Het is esthetisch niet te versmaden. Bisschoppen als Van Gheluwe en experts in het herkennen van kinderporno leveren waardevolle onvrijwillige bijdragen.

Deze stand van zaken is de belangrijkste reden waarom de literatuur in de zestiende eeuw uitgeroeid werd. Ondanks die drie of vier grote namen heeft ze zich sindsdien nooit kunnen herstellen. De eerste hindernis die iedere schrijver moet overwinnen is die autocensuur. Hij moet de beperkingen doorbreken die buiten de literaire vorm liggen. Dat geldt natuurlijk ook voor verboden die de jongste decennia door de politiek zijn afgekondigd. Dingen die je niet mag schrijven omdat ze politiek niet opportuun zijn. Maar literatuur is een terrein waarop geen enkele overheid iets te vertellen heeft. Ik heb hierover geschreven in het Traktaat van het Alsof. Literatuur mag alles zolang ze de wetten van de tekstgrammatica respecteert, de enige die ze erkent.

De ballade die aan Pieter Schuddematte het leven heeft gekost bestaat vanzelfsprekend niet meer. Uit de schaarse gegevens die niet versmacht zijn in de folterkelders van de christelijke justitie en die toch nog aan het licht zijn gekomen, springt de driestheid in het oog waarmee dichters als hij de waarheid zegden, ondanks het feit dat dat levensgevaarlijk was. Ze hebben kennelijk geen angst, of hebben die overwonnen. De bravoureuze doodsverachting waarmee Poelgier reageert als hij hoort dat ze hem willen onthoofden: waar moet ik dan mijn hoed op zetten? Een hele rederijkerskamer die de tekst van een in beslag genomen toneelstuk gaat terug-eisen bij de overheid. Met grandeur trotseren ze de inquisitie. Een held is iemand die doet wat hij het juiste vindt in de wetenschap dat de afloop voor hemzelf fataal zal zijn. Verschillende rederijkers geven de indruk dat ze hun buik zo vol hadden van het moeten huichelen dat het hun niet meer kon schelen wat er met hen gebeurde. Liever dood dan zo te moeten leven. Maar de mens schijnt ook niet te kunnen leven onder een bestendige terreur en doodsangst zonder dat er een zekere gewenning optreedt, en verachting.

Het komt erop aan deze heroën op een ecologisch-klassieke manier weer tot leven te wekken. We kunnen hun werk niet meer doen oprijzen uit de as, maar de geest ervan. We kunnen restitutie proberen te doen van alles wat door beulszwaarden en brandstapels ongeschreven is gebleven. Van alle met bloed doordrenkte, in bloed gesmoorde literaire mogelijkheden.

Ten tweede: literatuur is niet wat daar in Huichelarije voor doorgaat. Is niet: ingebed, impotent, onbeduidend geneuzel. De vroomste lispelaar, de sukkelachtigste sok en de kwijlendste droppelaar schijnen er te verwachten dat de kunst voor hún plezier bestaat. En zijn verontwaardigd als erop gewezen wordt dat er geen kunst bestaat van een zo verachtelijk niveau dat deze zompig soppende soutanes er iets aan hebben. In werkelijkheid is literatuur juist wat ze niét graag hebben, deze schimmelig dempige lange onderbroeken van de hypocrisie. Zij zijn stof, materiaal. Voor de rest hebben ze met kunst niets te maken.

Literatuur is als de godin van het recht, Dike, die bij Zeus de ongerechtigheden van de mensen aanklaagt en straf vordert. Bovendien, zo staat geschreven ‘registreert ze hun fouten op Zeus’ tafelen’.

Een ‘schrijver zoals het hoort’ heet het bij Lucianus, is een Δικαιος συγγραφεύς, een schrijver die in overeenstemming is met Dike, die Dike toegewijd is. Het is de eigenlijke les van de Rechtvaardige Rechters.

 


Apofthegma over de Latijnse les.


Kunt gij zeggen wat ik hier nu vast heb, Frank? fluisterde pater Staf met honingzoete stem. Toch wist Frank het niet. Zijn mama had hem verboden over die dingen te praten en zelfs na te denken.

‘Wat ik tussen mijn twee vingers heb?’ teemde de pater zo vriendelijk dat Frank, zelfs al betwijfelde hij of er mensen bestonden die van hem konden houden, nooit of te nimmer zou kunnen twijfelen aan de liefde van de pater.

Maar Frank kende nog altijd niet het antwoord op de vraag van de pater.

‘Wel dan Frank,’ sprak de pater vol ijver voor Franks vorming, ‘dat is nu uw roede, Frank. Zeg het mij na, Frank…’

Gehoorzaam lispelde Frank: ‘Dat is nu uw roede, Frank.’

‘Nee, Frank, niet mijn… gij moet dat mutatis mutandis veranderen. Zeg dus niet: uw maar mijn… MIJN roede!’

‘Uw roede,’ zei Frank, maar pater Staf liet daarom zijn piemel nog steeds niet los, zozeer overweldigde hem het plotselinge inzicht dat Frank de uitdrukking mutatis mutandis niet begrepen had, en hij hem ook nog Latijnse les zou moeten geven.

 

 

Digitale en andere apoftegmata (1) staat hier: https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/10/05/digitale-en-andere-apoftegmata/

 

 

Digitale en andere apoftegmata (1).

‘Satire op het volk’ – Over de rol van literatuur als de maatschappij zelf al satire is. (LM 15-10-17.)

 

Al zijn prothesen compenseerden een verlies, overwoog Frank. Zijn hoorapparaat ondersteunde zijn afnemende hoor- en zijn bril zijn gezichtsvermogen. Zoals zijn kunstgebit zijn vergane bijtcapaciteit restaureerde. Alleen zijn penisverlenging verving niet iets wat er geweest was, die was zuiver winst – en zijn computer in de plaats van een natuurlijk brein. (LM 11-5-2010 20:26:33)

 

Niet dat Armand een souteneur was, hij dwong Stientje niet tot prostitutie. In dit geval was het eerder omgekeerd. Zij was zijn souteneuse. (CC 2017)

 

***

 

Is  dit of bevat het een apoftegma?

 

juni 2017. Lucas Mariën

 

 

1

Niet zo lang geleden was er een volksvertegenwoordiger die vragen stelde in het parlement. Dat is zo vanzelfsprekend, zullen onze buitenlandse lezers zeggen, dat het geen vermelding verdient en dat een schrijver van betekenis er geen tekst mee kan beginnen. Daarin hebben ze geen ongelijk, maar is het in het buitenland soms de gewoonte dat de vagina van vermoorde kleine meisjes in eerste zinnen worden geëvoceerd? En als er daarenboven iets op volgt dat de lezer naar de keel grijpt –

Die volksvertegenwoordiger stelde bovendien échte vragen, zich opdringende, noodzakelijke vragen in verband met de verdwenen, misbruikte en vermoorde kinderen. Dat die man die vragen stelde vonden ze erger dan de misdaden tegen kinderen zelf, gepleegd door leden van het Tartufistaans establishment – hooggeplaatsten, die je zoiets toch niet kwalijk kunt nemen. Er is hier sprake van een laat-feodale mentaliteit, buitenlandse lezers, van het recht van de eerste nacht, katholieke tempelprostitutie, misbruik van kleine kinderen – begint het te dagen?

In een land waar de Rechtvaardige Rechters gestolen konden worden – en geheeld met medeplichtigheid van de overheid; in een land dat door de (samen met Charles de Coster) belangrijkste schrijver die het heeft voortgebracht wordt voorgesteld als het hoofdkwartier van de huichelarij, mogen zulke vragen niet worden gesteld. In dat land heerst de veralgemening van de katholieke regel ‘si non caste, caute – als je niet kuis kunt zijn, zorg dan tenminste dat het niet bekend wordt’. Of zoals Oskar Panizza een uitspraak van de kerkleraar Damiani weergeeft: ‘Wat in het geheim gebeurt, is niet gebeurd. Zonde is het alleen maar als er kindergeschrei uit voortkomt.’

Of als er vragen over gesteld worden in het parlement.

2

Laurent Louis heette de volksvertegenwoordiger die al dat lastige opzien veroorzaakte. Er is later nog een showproces tegen hem gevoerd, maar daar moet ik afhaken, ik heb het niet gevolgd. Aantekening dat een literatuurproject dat in het land van de Rechtvaardige Rechters gerechtigheid ingang wil doen vinden daar eens op moet terugkomen… passons pour le moment.

Andere volksvertegenwoordigers stelden geen vragen. Ze demonstreerden dat ze de van hen verwachte juiste ingesteldheid bezaten en dat ze alleen maar vragen wilden stellen bij wijze van vragen-stellen. In een land waar er alleen maar een alsof-literatuur bestaat – om het met een modieus woord te zeggen: een fake-literatuur – daar stellen parlementsleden alleen maar alsof-vragen.

In de Stalintijd was het in de Sovjet-Unie niet uitzonderlijk dat er voor vadertje Stalin twintig minuten of langer geapplaudisseerd werd: niemand durfde als eerste op te houden. De apparatsjiks moesten doorgaan met in de handen te klappen, tot een of andere volkscommissaris met een hartkwaal er het bijltje bij neerlegde en de geest gaf. Pas dan durfden de anderen te stoppen. Zo ongeveer verging het ook de Tartufistaanse volksvertegenwoordigers. Bang voor hun carrière, ofwel omdat ze er een wilden maken, of gewoon omdat ze gechanteerd konden worden – deden ze allemaal alsof ze geweldig verontwaardigd waren over die pertinente vragen van Laurent Louis. Als die het woord kreeg in het parlement, verlieten ze en bloc de zaal, zo afgronddiep, zo tsunami-achtig, zo titanisch was hun morele verontwaardiging. Luisteren, vragen stellen, debatteren, bekritiseren, daar dient het parlement eigenlijk voor, zeker als het om zulke sinds eeuwen onderdrukte kwesties gaat – maar dan zou dat geen alsof-parlement meer zijn. Baudelaire wijst trouwens al op kindermisbruik als Tartufistaanse hobby, en diens werk wordt iedere dag bestudeerd in duizend universiteiten in de hele wereld. Alleen in Huichelarije – daar denken ze dat alle andere naties hun evenzeer bewonderen als zij zichzelf bewonderen. Van Baudelaire hebben ze ook nog nooit gehoord. Ze zijn ‘een volk van bange eigenaars dat, als je het een trap tegen zich op de kloten geeft, klaagt van pijn aan de amandelen’. (Jef Geeraerts in: De heilige kruisvaart. Brussel/Amsterdam (Manteau) 1978. P. 109.)

3

Echte journalisten bestaan er niet in Tartufistan, alleen hoernalisten. Die trokken van hun kant bij de vragen van Laurent Louis hun neus zo ver op, dat hun schedelhuid werd opgestuwd op het hoogste punt en dan achteraan van hun stomme kop afgleed en naar beneden hing als het gerimpeld vel van aasgieren.

Ook de hoernalisten demonstreerden dat ze aan de goede kant stonden en geen echte vragen stelden. Dat gold vanzelfsprekend ook voor de domlinkse hoernalisten van het domlinkse ‘De Morgen’. Meedoen met de hetze, weldenkend en fatsoenlijk totterdood. Te dom om nog enige voeling te hebben met de emancipatorische oorsprong van links, met ideeën überhaupt – alleen nog partij- en kliekjeslinks –

4

Er waren nochtans al volksvertegenwoordigers zonder grote carrièreperspectieven geweest die probeerden niet te medeplichtig te zijn. Gerolf Annemans heette een van hen – ik weet niet of het er echt meer dan één waren. Annemans was lid van de parlementaire onderzoekscommissie in de Dutroux-affaire, jurist, en in deze aangelegenheid een van de best geïnformeerde mensen. En hij schreef een boek over zijn inzichten en ervaringen in en met deze commissie. Hij behoort tot een partij die niet salonfähig is. Ik volg de Tartufistaanse politiek niet, maar hij is, geloof ik, communist. In ieder geval geen mainstream, niet ingebed.

Hij schrijft in dat boek buitengewoon genuanceerd, afgewogen, voorzichtig – hoewel hij echte vragen stelt en ook antwoorden geeft. Maar op iedere pagina zie je de heer Annemans denken: als ik buitengewoon genuanceerd, afgewogen, voorzichtig schrijf, en de dingen zonder passie en zo zakelijk mogelijk formuleer, dan zullen ze me wel au sérieux nemen, dan word ik eh… salonfähig. Het is wel duidelijk dat de heer Annemans geen ervaring heeft met de publicistiek in dat land.

Fout dus, meneer Annemans, die lichtzinnige hoop! In Huichelarije moet je eerst al salonfähig zijn, voor je iets van belang kunt zeggen. Geaccepteerd worden, erkenning krijgen, doe je nooit omdat je iets te vertellen hebt of iets presteert – dan zou het geen feodaal systeem meer zijn. Coralie Coloratuur bereidt een steekkaart voor, voor op haar detectivebord na de vakantie. Het trefwoord is ‘bevoegd’ en ze wil de historische semantiek van dat begrip ter sprake brengen – dat een rol speelt in drie van de afpersingsbrieven van DUA, in de zaak van de Rechtvaardige Rechters. Wie ‘bevoegd’ is, is niet afhankelijk van het waarheidsgehalte of de betekenis van een uitspraak, maar van waar ze vandaan komt. Het gaat over sturing van de waarheid, framing, huishouding van meningen, management van publieke verontwaardiging etc. Leest vlijtig onze website, heer Annemans, en gij zult al deze technieken en procedé’s leren kennen! En verander bij gelegenheid ook maar eens van partij, want met die communisten, dat is een dwaalspoor.

5

Een van de dingen die volksvertegenwoordiger Laurent Louis het meest kwalijk werden genomen, was dat hij foto’s gepubliceerd had van de lijkjes van de twee kleine meisjes Julie en Melissa. Gerolf Annemans had er al op gewezen dat die twee een nevralgieke punt vormen in de affaire Dutroux. Zij werden namelijk verkracht en vermoord terwijl Dutroux een rotsvast alibi had: hij zat namelijk in de gevangenis toen dat gebeurde. Annemans schrijft:

‘De autopsie van Julie niet en ook niet die van Melissa, geen van beiden heeft ooit kunnen bevestigen dat het door ontbering was dat de meisjes omkwamen (wat namelijk de officiële doodsoorzaak was; LM). De doodsoorzaak zouden ook hun verwondingen kunnen zijn. Melissa zou vlak voor haar dood extreem verkracht zijn. Vlak voor haar dood. En extreem. Want haar spieren hebben niet meer de tijd gehad om een vaginale verwijding te herstellen van twaalf centimeter…’ (Gerolf Annemans: Dutroux. Teveel om te geloven. Brussel [Egmont] 2004. P. 38.)

Maar toen Louis dus over die autopsie begon, toen was er geen een die zich afvroeg: hebben we daar niet al eens iets over gehoord, was er daar niet ooit eens… bij Annemans of zo? Heeft die niet eens iets gezegd dat we intussen gelukkig vergeten zijn.

Nee, Annemans’ vragen waren al lang toegedekt, onderdrukt, omstandig vergeten, wijdlopig verzwegen, niet existent. Eigenlijk moet iedereen altijd van nul af aan beginnen in dat door Baudelaire zo beroemd geworden land. Alleen de onderdrukkers van de waarheid, de mompelaars, de conciërges van de edele verontwaardiging, de zompig soppende soutanes – die kunnen altijd voortbouwen op vroegere onderdrukking.

6

De simulatie die zich in Tartufistan voordoet als literatuur, heet hoernalituur. Ze is even corrupt als al het andere daar. Er zijn in de voorbije twee eeuwen, sinds het ontstaan van ‘België’, vijf, zes uitschieters geweest, echte schrijvers, maar niet genoeg om van een literatuur te kunnen spreken.

Ik vroeg me af of ik de foto’s van die kindervagina’s kon opnemen in de Nederlandse literatuur, digitaal of niet. Of bijvoorbeeld de tronie van Wilfried Martens, de door twee X-getuigen bij verkrachtingsfuifjes gesignaleerde christendemocraat – ook dat riskeert Annemans: hij twijfelt aan de officiële verklaring van globale ongeloofwaardigheid van althans één X-getuige.

Is ook dat geen opgave voor de literatuur – ik beweer niet dat het er een is – namelijk die niet alleen door criminelen misbruikte maar later door een hele maatschappij nog eens ten overvloede genegeerde, belasterde en nóg eens tot slachtoffer gemaakte kinderen te rehabiliteren? Te rehabiliteren en – zo mogelijk – te troosten?

Wat ik wél beweer is dat zo’n figuren als Martens – zijn begrafenis is met veel tamtam rechtstreeks door de televisie uitgezonden – onsterfelijk moet worden gemaakt met de middelen die de literatuur daarvoor ter beschikking heeft.

Zo’n katholieke smoel, verkrampt, verwrongen, kromgetrokken van het huichelen, scheefsmoelig van het liegen, dat bakhuis in het midden dus, en dat omramen met die twee vaginaatjes. Maar hoe rijk de mogelijkheden van de kleine vormen van het digitale apoftegma ook zijn…

Toegepast op Tartufistan: je kunt de beerput in een klein flesje doen; dan kunnen we dat naar de zon houden om de kleur te bewonderen en wat erin rondzwemt te bekijken. En de gedachte van Spinoza dat god overal en in alles is te corrigeren in de zin van: hij is nergens. Maar volstaat dat om recht te doen aan de slachtoffers?

De ontoereikendheid van het apoftegma in dit geval –

Het kleine staal betekent niet dat de beerput an sich buiten beschouwing moet blijven. Soms zijn er grootsere middelen nodig om de Erinyen, de wraakgodinnen – ze zijn oeroud en vergeetachtig geworden – aan te porren om misdadigers in de onderwereld op te jagen en voor zich uit te drijven – brullend van vertwijfelijng – want afzichtelijk en angstaanjagend is hun voorkomen. En Alecto, de middelste van de drie onheilspellende zusters, heeft een naam die betekent: die nooit ophoudt.

 

*****

 

Netwerken

[mei & juni 2017]

 

Toen was alles nog goed.

 

Haar grootmoeder hield van haar – maar die was gestorven, – en Lou Vastenavond, maar dat was eigenlijk meer een stalker, en haar biechtvader hield van haar, en professor Hugo Daas – maar die wou haar invloed gebruiken om Frans Zelfspeler als dichter door te drukken en…

Jesus loves you!

En – natuurlijk – Jezus hield van haar, hoe kon ze dat vergeten! En dan was er oom Godfried indertijd, maar dat was een viezerik. En Pim Odeur, maar die was meer een chauffeur en een bodyguard. Haar yogaleraar Swami Vivekananda en nog iets.

Te veel om op te noemen.

En de kat hield van haar en natuurlijk Armand, haar man.

‘Armand, waar is mijn haarnetje? Heb je dat soms ook weer ‘uitgeleend’?’

De herinnering aan de gebeurtenissen die haar vaste overtuiging aan het wankelen hadden gebracht, getrouwd te zijn met de verstandigste man ter wereld, bracht Stientjes contenance weer in gevaar. Het geluksgevoel dat haar vroeger soms echt overweldigde als ze naakt voor de spiegel stond, liet nu op zich wachten. Temeer omdat Armand in de badkamerdeur verscheen:

‘Waarvoor heb je je haarnetje nodig? Ik dacht dat je aan het oefenen was voor je naaktfoto’s?’

‘Ssssst… Dat mag je zelfs binnenskamers niet uitspreken!’ Ze greep onwillekeurig naar een handdoek om zich voor zijn ogen te bedekken. ‘Dat project is zo geheim. Maar het is de enige mogelijkheid om je tijdschrift van de ondergang te redden. En je moet u tegen me zeggen.’

Ze had geprobeerd hem bij te brengen haar niet langer te tutoyeren, maar dat speelde hij, zuiver grammaticaal al, niet klaar. Nu eens zei hij jij, dan weer u, dan weer gij.

‘In ieder geval weet ik niets van je haarnetje. Is dat dan zo belangrijk?’

‘Alles wat net is, is belangrijk. Het web, netten, netwerken… Het internet is belangrijk, onthou dat goed, Armand. Het zijn de netwerken, die de wereld sturen. Netten die de verbinding tussen de individuen uitmaken, maar die ook alles samenhouden. Netten, waarin je met andere woorden gevangen zit. Maar die je ook kunt gebruiken om met nog meer mensen, van nog andere netten, in contact te komen. Ze zijn zelfs belangrijker als wat je als dichter schrijft.’

‘Kun je je netkousen dan niet gebruiken?’

Soms was hij echt creatief, haar Armand, ja een zekere geniale trek… daar was ze toch voor gevallen!

 

Ze draaide hem woedend de rug toe en liet de handdoek weer zakken en bekeek zich in de spiegel.

Andere supermodels hadden machtige mannen. Carla Bruni was met Sarkozy getrouwd. En Melania – hoe heette die ook weer – met Trump. Was het teveel gevraagd van de wereld, dat die zou begrijpen waarom zij eigenlijk een liefdeshuwelijk met Armand Honing was aangegaan?

(Lucas Mariën.)

*****

 

 

Piraat, de kat van Het Paradigma. “Als Odin, de eenogige god, ten strijde trok, leek hij afschrikwekkend in de ogen van zijn vijanden. Dat kwam doordat hij de kunst verstond om op velerlei wijze van uiterlijk en gedaante te veranderen, al naar het hem zinde.” Proza Edda, Gylfaginning, 8.

 

 

***

 

[juni 2016; Lucas Mariën]

In haar verhaal over de relatie van Henri Koehn met Leo Frobenius [zie: Koehns Kamer ii, juni 2016 ] gebruikt Coralie Coloratuur een anekdote niét die door haar onthullend karakter wel bruikbaar zou zijn in een digitale literatuurtheorie.

De afrikanoloog Frobenius arriveert met zijn expeditie bij een Tartufistaanse missionaris in Kongo. Hij vertelt die dat ze op zoek zijn naar getuigenissen van de mondelinge literatuur van de zwarten. De missionaris deelt hem mee dat het volk waaronder hij leeft ‘geen eigenlijke volksverhalen bezit’. Nee, zoiets kennen ze hier niet.

Na enkele weken op het terrein komt Frobenius terug met een oogst ‘die alle verwachtigen overtrof’. Hiermee geconfronteerd zegt de missionaris: ‘Dat ze zo veel hebben! Dat hebben die kerels u gewoonweg voorgelogen.’ (Streck, Frobenius, p. 61 e.v.; de volledige bibliografische referentie bij C. Coloratuur, Koehns Kamer ii.)

Dat is dus precies het omgekeerde van de toestand in Vl. waar ze proberen iets wat niet bestaat, namelijk literatuur, door simulaties voor te wenden, m.a.w. voor te liegen. Zoals de waard is, zo kent hij zijn gasten.

 

 

*****

 Een doorslaggevend argument.

25 november 2016. Lucas Mariën

 

‘Dat was geen prostitutie met Armand,’ riep Pim Odeur. Hij sprong zelfs overeind met een wilde blik van vertwijfeling. ‘Ze ging immers niet met hem naar bed! Ze was met hem getrouwd, ja, maar ze ging toch niet met hem naar bed! Hoe vaak moet ik dat nu nog zeggen!’

Al jaren vocht hij voor de goede naam van Stientje, wat erop neerkwam dat hij zich uitsloofde om haar met enigszins terugwerkende kracht de status van maagd te verlenen. Maar de geruchten staken steeds weer de kop op. En zelfs in de hoogste regionen van de literaire wereld bleef zijn roepen ongehoord. Zoals ook nu!

 

Het was Frans Zelfspeler, die zijn spitse kin tussen duim en wijsvinger vatte en zich afvroeg:

‘Maar waar haalt Armand dan die pikante verhalen over die jarretelles vandaan?’

‘Fictie!’ riep Pim, ‘zuivere fictie! Dichterlijke verbeelding! Het zal trouwens niet meer voorkomen. Stientje heeft hem verboden nog over zijn… fantasieën in de krant te schrijven.’

Hij keek rond om te zien welke indruk zijn woorden maakten en voegde er vol optimisme nog aan toe:

‘Het was een morganatisch huwelijk, dat van Stientje en Armand, een “huwelijk met de linkerhand”. Dat kwam vroeger voor als adellijke heren trouwden met vrouwen van lagere stand. Het was geen volwaardig huwelijk. Welnu, ons steeds revolutionair-feministische Stientje heeft hier weer eens de vastgeroeste rollenpatronen doorbroken. Zou ze anders getrouwd zijn met een man die zo ver beneden haar staat? Neen, immers… maar uit feministisch idealisme heeft ze het deze keer wél gedaan. Maar dat was dan ook alles. Een morganatisch huwelijk met omgekeerde voortekenen dus. Géén bed.’

‘Maar Frank Nimmendal heeft zelf gehoord dat ze zich door hem liet tutoyeren,’ antwoordde Angiolina Delicaet koeltjes. ‘Natuurlijk heb ik dat niet geloofd, maar Frank was bereid er een eed op te doen – en ik mocht het aan niemand doorvertellen.’

Angiolina was een veelbelovende jonge dichteres, van wie niemand begrijpt waarom we er na dit gesprek nooit meer van gehoord hebben. Want Angiolina voegde er nog aan toe:

‘Ze heeft dan misschien niet bij hem geslapen, maar hij heeft haar zeker en vast getutoyeerd.’

 

Zo kwam er een einde aan Angiolina’s opgang, nog voor die begonnen was.

 

Ook de onvergelijkelijke viertalige dichtbundel ‘Niet Niemendal’ van Frank Nimmedal maakte nu geen kans meer. Frank had in die bundel namelijk naast gedichten in het Schoonvlaams ook Duitse, Engelse en Franse ontboezemingen opgenomen, om aldus zijn uitdrukkingsmogelijkheden aanzienlijk uit te breiden, maar het spreekt vanzelf dat dat niet meer baatte. En dat Frank het nooit verder kon brengen dan tot recensent van een weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen deed denken en waarvan buiten de achterlijkste gebieden van de EU niemand ooit gehoord had. 

 

*****

Maar Lucas toch!

Je zet daar iets dat ik – zonder er bij na te denken – geschreven heb neer als ‘geadopteerd apoftegma’, terwijl ik niet wil dat dat als maatstaf van mijn vaardigheid doorgaat: daarvoor is het niet goed genoeg. Maar neem dan dít, een digitaal apoftegma – wanneer verschijnt trouwens eindelijk jouw theoretisch  essay over apoftegmata?

Je had het goed gezien dat ik in Frankfurt ben.

Het witte gebouw, het huidige ‘Huis van de Literatuur’, is de voormalige stadsbibliotheek. Architect was een ‘stadsbouwmeester’ Hess, einde achttiende eeuw. Het ligt vlakbij de plaats waar Arthur Schopenhauer woonde. Die ging er bijna dagelijks naartoe om de nieuwste voortbrengselen van de literatuur te bekijken – nu krijg je alles wat van belang is in digitale media zoals Het Paradigma. Kranten keek hij er touwens ook in, in de eerste plaats de Londense Times.

Maar wie heeft nu de kans gezien om achter dit heilige gebouw een ‘hospitaal van de Heilige Geest’ neer te zetten?

(Als dit geen digitaal apoftegma is?)

 

Frankfurt aM, voormalige stadsbibliotheek, nu ‘Huis van de Literatuur’. Daarachter het ‘hospitaal van de Heilige Geest’. 

 

*****

Marc Reynebeau ligt op de stoep. Ik loop voorbij. Hij roept: ‘Ik háát je.’

Nadat ik er hem op gewezen heb dat het ongewenst is, door hem te worden getutoyeerd, dank ik hem toch voor de waarschuwing,

Erger zou het geweest zijn, als ik in hem was getrapt. (LM)

 

*****

Maart 2017. Coralie Coloratuur.

Ik lees geen Huichelarijse kranten, maar via het internet is me pas toch iets onder ogen gekomen – in de gemeenteraad van een grote stad zocht een politicus zijn tegenstrevers te kleineren door hun ‘het verstand van een garnaal’ toe te schrijven.
Onder de verschillende soorten apoftegmata behoort het nu volgende tot de soort van het raadsel – Lucas Mariën heeft het een hele tijd geleden eens bedacht. Het gaat zo:
Vraag: Wat is het verschil tussen Herman de Coninck en een garnaal?
Antwoord: Een garnaal heeft het verstand van een garnaal.
Het zou minder riskant zijn geweest als de genoemde politicus tegen zijn vijanden had gezegd dat ze slechts het verstand van Herman de Coninck hadden. In Huichelarije is dat trouwens allerminst een hinderpaal om het tot ‘dichter’ te kunnen brengen. Maar stel dat die tegenstrevers verpletterend geantwoord hadden: en jij dan, Herman de Coninck!
De politicus vond het overigens ook nodig de uitspraak van Nietzsche zonder bronvermelding te citeren, ‘Was mich nicht umbringt, macht mich stärker’. Maar hij citeerde die in het Engels. Daardoor mist hij in de ogen van beschaafde lieden het gewenste effect. Ten eerste is dat in het Engels toch nooit helemaal evenwaardig. En ten tweede ontmaskert de man zichzelf als iemand die wil stralen met cultuur die hij eigenlijk niet bezit, want het gaat hier echt om een verschrikkelijk beroemde uitspraak. Hij wekt de indruk van tweedehandsheid, van de bron niet precies te kennen – laat staan het origineel te hebben gelezen
En het maar uit een weekblad te hebben gehaald, of zelfs een krant.
Dat herinnert aan de voorzitter van de partij van die politicus, Bart de Wever – ik weet niet waarvoor hij staat, heb dus ook niets tegen hem. Maar een jaar of drie geleden liet zijn partij eens weten dat hun voorzitter een voordracht gehouden had aan de universiteit van Heidelberg. In werkelijkheid had hij gesproken voor een studentenvereniging – zo een met petten en bierpotten, iets dat ontstaan is in de bevrijdingsstrijd tegen Napoleon, maar dat intussen ook aan Duitse universiteiten toch tamelijk marginaal is. Dat trouwens ook in de heimat van de heer De Wever nog een paar even weinig baanbrekende afleggers heeft. Zijn optreden stelde dus minder voor dan waarvoor ze het wilden laten doorgaan.
Mijn romantische ziel… Als ik in Heidelberg ben, ga ik nooit spreken voor zulke folkloristische genootschappen. Liever – en dat is vooral het geval sinds mij door het einde van mijn verloving zoveel optredende kussen ontgaan – ga ik bij de burcht op zoek naar de bosschage waar Goethe Marianne von Willemer gekust heeft.
Daar mijmer ik dan.

CcAed

‘Was mich nicht umbringt…’ staat in de ‘Götzendämmerung’ (KSA 6, 60). Het komt (met lichte varianten) ook elders in het werk van Nietzsche voor. (O.a. KSA 6, 261.)

 

 

error: Kopij bescherming !!