Apoftegmata Posts

Apoftegma 5. Wim en Freddy.

 

10 maart 2019. Lucas Mariën

 

Apoftegma: Wim en Freddy.

In verband met de curieuze vriendschap van Willem Frederik Hermans met Freddy de Vree – Freddy doet voortdurend alsof hij kan meepraten over dingen die Hermans interesseren.

Hermans vond uitspraken met een algemeen karakter meestal zinledig en hij keurde bijgevolg een groot deel van de filosofie af. Freddy voelt aan in welke richting dat gaat. In een gesprek waarin hij wil laten zien aan wiens kant hij staat vermeldt hij Heideggers uitspraak ‘Das Nichts nichtet’ – het niets nietst zeer afkeurend als summum van zinledige filosofische onzin.

Hij bedenkt daarbij niet het volgende: ‘Heideggers “nichtendes Nichts” ist das als Nichts vernichtete Nichts.’ Anders gezegd: ‘Heideggers nietsende niets is het als niets vernietste niets.’ Zo ziet Ludger Lütkehaus dat, die niet alleen de schrijver is van een imponerend en zeer dik boek over het niets (Lütkehaus: Nichts. Leipzig 2010. Het citaat op p. 673). Lütkehaus, bij uitstek een Schopenhauer-specialist, heeft ook een interessant boek geschreven over zijn katholieke kinderjaren: Kindheitsvergiftung, Aschaffenburg 2012. De enige katholieken die cultureel iets van betekenis tot stand brengen zijn voormalige katholieken.

De vorige zin is een apoftegma. Maakt hij deze hele bedenking, die – erewoord – alleen maar een beschouwing wilde zijn, toch tot een apoftegma – of – als we tot nu toe aan het gevaar ontkomen waren – doet dat wellicht pas deze laatste, onderhavige zin?

In zijn gesprek met Hermans heeft Freddy over het hoofd gezien dat het juist het als niets vernietste niets is, dat van belang is. Of moet ik vertalen: het als niets vernietigde niets?

Geadopteerde apoftegmata.

 

 

‘Als Kolonialmacht hatte Belgien dafür gesorgt, dass der Anteil der Einheimischen mit Studienabschluß – mit Ausnahme von Theologen – nahezu bei Null lag.’

Raj Spielmann: https://www.heise.de/tp/features/AIDS-als-koloniales-Überbleibsel.

 

***

als de dolfijnen zouden grazen

op het land en

de golven aanzwellen tot oevers en

tot bergen – wat kon je nog

als wonderen verwachten dan

Archilochos (+- 680 – 645 voor Chr.)

 

***

 

‘In het begin vindt censuur totaal ‘vrijwillig’ plaats, en als vanzelf. Als men over de mediale infrastructuur kan beschikken om de gewenste consensus-mening voor te geven, sluiten de zelfstandige (freelance; LM) culturele elites zich uit eigen beweging aan; iedere andere houding zou neerkomen op economische zelfmoord.’ (uit: Raymond Unger: Die Wiedergutmacher. Das Nachkriegstrauma und die Flüchtlingsdebatte. Geciteerd naar Jürgen Fritz: https://juergenfritz.com/2018/12/08/buecher-des-jahres-2018/)

 

***

Asger Jorn aan Guggenheim 1964.

 

***

Uit een interview van Jan C. Behmann en Mladen Gladić met Peter Handke. Der Freitag, Ausgabe 34/september 2018

 

Hebt u iets dat niet gepubliceerd worden mag?
Nee, nee, ik ben een levend geheim, ik heb geen geheimen. Het leven is onvatbaar heerlijk en onvatbaar tragisch.

Terug naar mevrouw Westermann [een recensente; LM]…
Hoe kan die het zich veroorloven zulke gezwets over mij te verkopen.

Frau Westermann spreekt voor de modale lezer – als dat nu niet te laatdunkend gezegd is.
Een modale lezer is geen lezer. Dat is misschien nog laatdunkender. Een lezer is een lezer. Zoals Gertrude Stein zegde: een roos is een roos is een roos. De literatuur heeft haar waardigheid verloren. Dat is waar. Niet voor mij. Ik sta op de waardigheid van wat ik doe.

 

Het hele interview staat hier: https://www.freitag.de/autoren/der-freitag/ich-habe-keine-schublade

 

***

‘Voor de verstandige zijn zijn vijanden nuttiger dan voor de domme zijn vrienden.’

Baltasar Graciàn, Handorakel 84; naar de vertaling van Arthur Schopenhauer.

 

***

Vrede is niet alles, maar zonder vrede is alles niets.

Willy Brandt.

***

 

Sint-Pieter riep:

Jedweden der sich im Leben

Mit Philosophie hat abgegeben

Zumalen mit der gottlos deutschen

Ich soll ihn schimpflich von hinnen peitschen.

Heinrich Heine, Romancero 262.

***

Mag dit in de geadopteerde apoftegmata? (vraagt Eurykleia).

Over Antwerpen:
‘Ici on ne lit pas, on calcule. Seuls les flamingants lisent. Ils sont vingt.’

Jan van Rijswijck. Gecit. door
Hendrik Elias, Gesch. Vl. Gedachte, 4, 440.

 

***

Jan Onghena (Cfr. Apoftegmata; Kinderziekte. Op deze stek, november 2016.)

Jan Onghena was een Gentse rederijker wiens werk volledig verloren is. Hij was aangeklaagd omwille van zijn ketterse ideeën en hij kreeg de doodstraf. ‘Na het aanhoren van het vonnis zegt Jan Onghena dat hij niet ziek is maar nu toch wel vreest aan deze ziekte te zullen sterven.’[1] Dit apoftegma is alles wat er van zijn werk is overgebleven.

[1]  Ramakers: Nonconformisten, p. 29. (Cfr. bibliografie.)

 

***

Willem Poelgier (Cfr. Apoftegmata; Kinderziekte. Op deze stek: november 2016.)

Een andere door de katholieken vermoorde schrijver uit de zestiende eeuw was Willem Poelgier. Ook van hem is er alleen een bonmot overgeleverd: ‘Toen hij voor het gerecht bedreigd werd met onthoofding, reageerde hij verontwaardigd met de vraag waar hij dan in het vervolg zijn hoed zou moeten laten.’ (Ramakers, p. 29.)

 

***

Arnold Geulinckx, zoals hij door Nietzsche geciteerd wordt (KSA, 9/518):

‘Ubi nihil vales

Ibi nihil velis.’

‘Daar waar je niets vermag, kun je beter ook niets willen; als je niet in staat bent iets met succes te ondernemen, dan kun je er beter ook niet aan beginnen.’

 

***

Een filosoof die ter redactie wel geapreccieerd wordt is de Oostenrijker Fritz Mauthner, de vader van de taalfilosofie. Dit is een uitspraak van hem:

“Die meisten Menschen leiden an dieser geistigen Schwäche, zu glauben, weil ein Wort da sei, muss es auch das Wort für etwas sein; weil ein Wort da sei, muss dem Worte etwas Wirkliches entsprechen.”

‘De meeste mensen lijden aan deze intellectuele zwakheid, dat ze geloven dat, omdat een woord bestaat, dat ook een woord voor iets moet zijn; omdat het woord bestaat, moet er ook iets dat werkelijk is mee overeenkomen.’

 

Maar hoe superieur drukt Goethe dezelfde gedachte uit in de Faust (v. 2565 e.v.):

‘Gewöhnlich glaubt der Mensch, wenn er nur Worte hört,

Es müsse sich dabei doch auch was denken lassen.’

 

In de Faustvertaling van Adama van Scheltema:

‘Gewoonlijk meent de mensch, als hij maar woorden hoort,

Dat daarbij toch ook wat moet wezen om te denken.’

 

***

De mens is zijn eigen doel. (Wilhelm von Humboldt)

 

***

‘Wij kunnen de machthebbers en hun trawanten niet dwingen de waarheid te accepteren, maar we kunnen ze dwingen steeds schaamtelozer te liegen.’ Gudrun Ensslin.

(Hier geplaatst door Coralie Coloratuur, op 31 mei 2017.)

***

 

 

Apoftegmata 4. Nog eens literaire invloed.

 

Lucas Mariën. 13 februari 2019

Aanknopend bij de Bloomiaanse, post-moderne, Amerikaanse angst voor invloed in de kunst.
Dat hij ‘niet oorspronkelijk’ zou zijn geweest, dat was het belangrijkste bezwaar tegen Paul van Ostaijen toen die nog leefde – het belangrijkste uitgesproken bezwaar dan wel, want de eigenlijke bezwaren die ze tegen hem hadden werden niet uitgesproken: niet katholiek genoeg, niet integreerbaar in de feodale machtsarchitectuur, ordeverstoorder voor het Zwarte Paradigma. In de publicistiek over Van Ostaijen kunnen nog sporen van dat verwijt worden aangetroffen tot in recente tijden. Dat komt ten dele ook door de afwezigheid van ethisch-esthetische principes. Als bekend wordt dat Max Frisch zich heeft laten inspannen in het Congress for Cultural Freedom van de CIA dan staat heel Zwitserland op z’n kop en vragen de Helvetiërs zich af of Frisch nog wel kan meetellen als schrijver. Iemand als Hugo Claus intussen, die kon decennia lang de grootste bocht afscheiden en openlijk corrupt zijn – en in Huichelarije vindt iedereen dat normaal. Ik zal daar hier niet verder op ingaan, maar er zijn in dat land geen criteria, geen literaire principes waaraan schrijvers gemeten worden – behalve de rol die ze spelen in het ingebedde bedrijf van post-literatuur. Is ‘oorspronkelijkheid’ goed of slecht? Ze hebben geen idee en praten maar na, vooral als ze tot de ‘linkse’ – d.w.z. niet katholieke – vleugel van het establishment behoren, want dan zijn ze nog dommer dan de katholieken zelf.
Het is een beginsel van de ecologische klassiek dat alles wat we moeten weten, te vinden is in de literaire traditie. Als voorbeeld een fabel over… invloed. Van Gotthold Ephraim Lessing (Fabels 2.1. Dl. 1/150.)

 

 

Het bronzen beeld.

Het bronzen beeld van een voortreffelijke kunstenaar smolt door de hitte van een woedende brand tot een vormeloze klomp. Deze klomp viel een andere kunstenaar in handen en die maakte er met al zijn vaardigheid een nieuw beeld van, van het eerste verschillend in wat het voorstelde, maar eraan gelijk qua goede smaak en schoonheid.

De nijd zag dit en knarsetandde. En vond er als schrale troost het volgende op: ‘Die brave man zou dit heel passabele stuk ook niet hebben kunnen voortbrengen, als hij daarbij niet had kunnen teruggrijpen op de materie van het oude beeld.’

Lessings fabel is niet alleen een leerstuk over invloed, hij is tegelijk een voorbeeld van een sterk apoftegma.

3

Een vriendelijke lezer heeft opgemerkt dat er in onze webstek al eens teksten als apoftegmata zijn binnengesijpeld die dat in strikte zin niet zijn. Bijvoorbeeld iets uit een interview met Peter Handke, interessant weliswaar – maar dat volstaat niet om literatuur te wezen.

Een zin als wie laatst lacht, best lacht kan krachtig geformuleerd zijn en een behartenswaardig inzicht bevatten – literatuur is het daarom nog niet. Van Dales definitie van apoftegma als ‘zedespreuk’ schiet tekort.

Vrede is niet alles, maar zonder vrede is alles niets is dan weer wel een apoftegma. Wat is het verschil tussen een frase en een aforisme of tussen een frase en een banaliteit? Een maxime als rust roest kun je voor waar en waardevol houden en wordt gekenmerkt door een extreme gebaldheid. Dat stafrijm bovendien, het feit dat in de twee woorden alleen de klinkers verschillen – strakker kan de vorm niet zijn. Maar is het een apoftegma?

Er bestaan veel belangrijke teksten die geen literatuur zijn: de Apologie van Willem van Oranje – ook de Biëncorf van Marnix van Sint-Aldegonde trouwens – het boek over en met de X-dossiers van Bulté, De Coninck en van Heeswyck, de Verhandeling op d’ onacht der moederlijke taal van Jan Baptist Verlooy, Salut en Merci van Walschap…

Maar als belangrijkste eigenschap van het apoftegma hadden we aangevoerd dat het, hoe kort het ook is, als literatuur herkenbaar moet zijn.

Over het begrip zelf bestaat er ook geen eensgezindheid in naslagwerken – Van Dale wordt kennelijk beïnvloed door de christelijke opvatting dat de vrome frase alleen al alles in de schaduw stelt en iedere kunst overbodig maakt. Maar wij blijven bij onze vroegere definitie van het apoftegmata als de kortste als literatuur herkenbare teksten: ‘Apoftegma is een verzamelnaam voor dergelijke mini-literaire uitingen: aforismen, fabels, epigrammen, bonmots, raadsels, kalenderverhalen, moppen…’ Dat was het uitgangspunt voor onze literaire atoomtheorie: uit de kleinste deeltjes leren wat de literaire materie zelf is. Er staat iets op stapel dat in de maand maart zal verschijnen en waarin we dit onderzoek voortzetten

Intussen blijven er dus die behartenswaardige, interessante teksten die geen literatuur zijn, en we willen een inflatie van het apoftegma-begrip niet in de hand werken. Daarom voeren we een rubriek Bedenkingen op deze website in om dit euvel in de toekomst te verhelpen. Iets wat ons onder ogen komt, te binnen schiet, dat ons het meedelen waard lijkt en geen literatuur is, komt vanaf nu daarin. Met dank aan de lezer die ons op de wantoestand opmerkzaam maakte.

Maar eerst willen we eens kijken of we van een anekdote in sommige gevallen misschien een apoftegma kunnen maken.

We nemen een belangwekkend, relevant, redelijk goed geschreven fragment uit een brief van Gust Gils aan Freddy de Vree van 1 juni 1963.

4

Gils was een dichter die ook veel korte, apoftegma-achtige prozastukken geschreven heeft. Hij behoorde tot het onderdrukte deel van de Nederlandse literatuur, en daarin tot de meest onderdrukten omdat hij meer kón. Wellicht ook omdat hij zich niet liet corrumperen – zoals uit het fragment zal blijken.

Een tijd lang was hij bevriend met Willem Frederik Hermans.

De heer en mevrouw Hermans (pak met das, hoge hakken, plooirok) komende uit Haren (Groningen) en per sportwagen te Brasschaat/Heide verschijnend, namen bijvoorbeeld deel aan tuinfeesten bij Gils, waar dassen en plooirokken veeleer zeldzaam waren en waar het meer een huishouden van Jan Steen leek. Ook hippies en chaoten waren hier thuis, naar verluidt – maar ik wil niet meedoen aan die manier van voorstellen van Hermans als stijve Hollander en Gils als ongewassen heikeuter. Het is eigen aan de katholieke maatschappij dat ze niet alleen geen literaire principes heeft, maar ook geen morele. Ze leeft van catechismus in plaats van ethiek – het is frase, nooit aforisme. Maar niet zeldzaam zijn de ‘andersdenkenden’ die in de grond de katholieksten van allemaal zijn, met even weinig of nog minder idee van vriendschap of ethiek in het algemeen als van literatuur. Als er sprake is van Gils en Hermans beginnen ze steevast over die maatpakken, en dat er bij Gils nog Brasschaats heidezand in de sla zat, die de Hermansen dan moesten opeten.

Voor Hermans speelden dergelijke bijkomstigheden geen rol. Aangenomen worden kan, dat Gils in dat opzicht op zijn niveau stond.

Hun vriendschap zal gesteund hebben op een idem velle atque idem nolle, een alleszins partiële overeenstemming in ideeën, bijvoorbeeld beider interesse voor het surrealisme. Daarenboven zal Hermans de integriteit van Gils hebben gewaardeerd. En dus ook enkele teksten. Gils is een van de zeer zeldzame tijdgenoten over wie Hermans ooit iets positiefs heeft geschreven.

Hij was een schrijver van een soms ziener-achtige inspiratie, had invallen die iemand de adem afsnijden als het onverwacht binnenkomen van een heel mooie vrouw in een kamer. Die momenten zijn nochtans zeldzaam en de dwang om boeken te produceren was kennelijk groot, zodat hij te veel boeken gemaakt heeft met te weinig inspiratie. Ook hield hij zich met nog te veel andere dingen bezig. Kortom, Hermans zal tamelijk snel hebben begrepen dat het bij die enkele flitsen zou blijven. De echte grote schrijver Gils, dat zou er niet van komen. Hermans’ interesse voor hem taande.

Tenslotte was Gils ook niet selectief genoeg in zijn omgang. Er heerste in Brasschaat een bestendig gevaar om zich te encannailleren, er Hugo Claus tegen het lijf te lopen en dat soort dingen.

En nog iets dat Hermans niet bevallen zal hebben: Gils schreef de op dat moment modieuze ‘anti-autoritaire’, ‘demokratiese’ spelling zonder hoofdletters e.d. – wij geven die hier vanzelfsprekend weer zoals ze in de brief staat. Maar ‘ostrasisme’ is dus ‘ostracisme’, in de hier toepasselijke tweede betekenis bij Van Dale ‘het streng weren van iets of iemand’.

De schrijver begint over zichzelf in de derde persoon:

‘Gils moest verleden dinsdag voor TV komen: rubriek ‘vergeet niet te lezen’. te interviewen door Huub Laampeau. tot daar toe: humor van situasie te appresiëren. ik heb geweigerd om andere redenen: de laatste jaren is men me bij 4 gelegenheden [= publikasies] totaal willekeurig voorbijgegaan, terwijl de grootste sukkels, obskuranten, pastoors en parochianen regelmatig bij elke tipografiese scheet op het scherm kwamen. ik heb zelf nooit moeite gedaan, maar vind niettemin dat men mij nu eerst een woordje uitleg over dat ostrasisme verschuldigd is. dat woordje kan er niet af: Van Herrewegen [geniale dichter in zijn vrije tijd –want zich tot staatsprijs hebbend opgewerkt] kan alles maar “betreuren”. soit. ja, ik heb ongelijk, ieder zegt het. maar zelfs voor 1000 fr. speelt geen kolleksie boerenlullen met mijn voortplantingsapparatuur.’

Het gaat over een situatie die iedere bewoner van die illustere contreien eigenlijk kent – Walschaps wat iedereen weet maar niemand schrijft. Wie Hubert van Herreweghen was begrijpt de lezer uit de context: chef van Vergeet niet te lezen, literaire simulant, katholieke nulliteit.

5

Maar in tegenstelling tot Lessings fabel ontbreekt er aan ons brieffragment iets om literatuur te zijn! Het fragment is niet als dusdanig bedoeld, okay, toch is de gereveleerde stand van zaken hoogst relevant – waarom dan geen literatuur?

Lessings fabel heeft niet alleen die afgeronde vorm, die status van fabel – dit wil zeggen van echte literaire tekst. De anekdote wordt bij hem tenslotte op een ander plan getild – wordt inzicht in een algemene regel. Lessing geeft er een draai aan waardoor de lezer een verhelderend moment beleeft – dat was volgens hem ook een noodzakelijke eigenschap van de kunst: ze moest inzicht bevorderen.

De verblinde nijd die niet in staat is het verschil tussen vorm en inhoud te zien – of die dat moedwillig weigert – die de materie uitroept tot de eigenlijke drager van betekenis en die de gever van de betekenis verlaagt tot profiteur van juist dat wat hij achter zich laat.

Wat is het verschil tussen een frase en een aforisme? Die ‘zedenspreuk’ van Van Dale, dat is trouwens ook een fixatie op alleen maar de inhoud, de materie. Dat is Hegel, romantiek.

We zetten eerst een titel boven ons fragmen: ‘Ostracisme’. Onze eigen conclusie plakken we er aan het einde gewoon aan. Ze luidt:

‘De belangrijkheid van een schrijver kan in Huichelarije worden afgemeten aan het aantal sukkels dat ze moeten mobiliseren om hem te overstemmen; zijn adelbrieven bestaan uit het betreuren door de Huberten van Herreweghens en uit de honoraria die hij niet heeft willen incasseren.’

Hebben we het probleem hiermee opgelost? Aan de lezer om erover te oordelen.

Gils was niet te koop en alleen al daardoor opmerkelijk. Het stond bij voorbaat vast dat hij geen carrière zou maken. Hij kan als voorbeeld gelden, als ethisch fenomeen, maar dat maakt het voor de gelovers alleen maar erger. Het moet te allen prijze voorkomen worden dat er iets ontstaat als in Zwitserland, een ethisch harnas, een bewustzijn van goed en kwaad, ook in de kunst – kortom een geweten. De schaapjes hebben dat niet nodig, het volstaat dat die zich door hun herders laten leiden.

Om tenslotte nog even terug te komen op dat bezwaar tegen Van Ostaijen, dat ‘niet oorspronkelijk’ zijn. Dat was misschien ook verklaarbaar doordat het ondergaan van invloed impliceerde dat de schrijver in kwestie ‘slechte boeken’ las. Alles wat het lezen waard was, was immers verboden lectuur. Een schrijver die de leerschool van de literatuur doorlopen had, was per se des duivels.

6

Een raadsel om dit apoftegma af te ronden.

Wat is:

Frase, geen aforisme

Gewetenloos, van vrome praatjes vol.

Geen ethiek, maar catechismus.

Geen literatuur, alleen gezwets.

 

 

 

Apoftegmata 3

 

 

Henry van de Velde. Bauhaus-universiteit, Weimar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

_______________________

Armand Baanbreker (distichon)

Gloednieuwe dingen introduceer ik, in de heilige versmaat:
Popmuziek, voetbal en Humo – en ook jarretelles. En Stientje.

 

***

 

Epigram

Naakt had zich Stientje te kijk gezet in het noodlijdende tijdschrift
Aarzelend wel, maar het schandaal, meende zij, was niet zo groot.
Want een geweldige haarbos had alles onzichtbaar gemaakt
En aan de blikken onttrokken – de gretig wellustige – wat
Aanstoot kon geven. En niets was er in feite te zien.

Ook werd het tijdschrift, het noodlijdende, er niet door gered.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Epigram (2)

Of Stientje een vrouw was, vroeg een werkgroep zich af – competent en onkreukbaar.
Wees in een andere richting niet die mannelijk-zware beharing?
“Van de beharing hangt het niet af,” schreef Stientje en sprak op de beeldbuis:
Was niet een heilige eertijds door een mirakel bewaard voor geweld?
God gaf haar een baard, de verkrachter verloor daarop zijn interesse.

Toen vroeg de werkgroep of ook aan haar dan een mirakel geschied was?

 

***

 

 

Digitale en andere Apofthegmata (2)

 

Henry van de Velde. Trap Bauhaus Weimar. Foto L.M. 1995.

 

 

Novela.

Juni 2018. Lucas Mariën.

‘Zou je dat niet eh… meer buiten beschouwing kunnen laten… eh,’ fluisterde pater Staf door het traliewerk, ’ik bedoel het gebruik van de deegroller, Stientje. Een vrouw is gewoonlijk fysiek zwakker dan een man, maar ze is sterker door de gevoelens die ze in mannen weet te wekken.’ En zachter, enigszins aarzelend, voegde hij eraan toe: ‘Heb je dat al eens geprobeerd?’

‘De deegroller is de enige taal die hij verstaat,’ snauwde Stientje bijna, maar ze kon zich nog net inhouden. De beste kringen kwamen bij deze gedistingeerde jezuïet om raad en vergiffenis te ontvangen, en tot nu toe had ze zich tegenover hem altijd weten te beheersen. Alleen haar tranen, die kon ze op dit ogenblik niet langer terugdringen.

‘En de gevoelens die je in hem wekt,’ suste de pater kalmerend, met blokfluitstem, ‘misschien zou je die… kunnen versterken.’

‘Hij verstaat zoiets niet.’

Het eikenhouten traliewerk van de biechtstoel maakte het voor de pater onmogelijk om haar een zakdoekje toe te steken, maar hij was zo delicaat het deurtje aan de voorkant open te maken, een stap naar buiten te zetten en haar van buitenaf een heel pakje aan te reiken, zakdoekjes van de Aldi, tussen het paarse gordijn en het hout van de stijl door.

Als hij weer in de biechtstoel zat en de indruk had dat Stientje wat gekalmeerd was, vroeg pater Staf – één en al geduld en zachtmoedigheid:

‘Zou het niet denkbaar zijn… Vrouwen streven in zulke omstandigheden soms wel naar… Een zekere verhoogde lieftalligheid.’

‘Wat bedoel je?’ snauwde Stientje nu echt.

‘Ik heb net iets gelezen… Over de renaissance in Italië. Ik moet zo’n ontwikkelde vrouw als jij bent niet vertellen dat de hele moderne ellende en geloofsafval daar begonnen zijn. Maar ik las dus een boek met ‘novelas’ van Franco Sacchetti. Hij leefde van 1335 tot 1400. Ik heb een biechteling wiens zondenberg zo verschrikkelijk hoog is… Maar hij interesseert zich voor digitale literatuur, voor literaire vormen… apofthegmata en zo… En om hem bij te kunnen staan lees ik dat van Sacchetti. En die heeft een novela geschreven, De kunst van de vrouwen.’

‘En?’

In zijn lange ervaring van biechtvader had de pater nooit zoveel korzeligheid gehoord in een zo klein woord.

‘Wel! Het is niet alleen dat die vrouwen… niet de hele tijd snauwen en kijven! Maar ze schminken zich ook. Een gezicht mag te bleek of te geel zijn – met poeder en pommade weten ze het er te doen uitzien als een roos.’

En hij tuurde door de tralies alsof hij Stientjes toekomstige roosachtigheid al hoopte te zien verschijnen.

 

 

Stientje intussen – wond zich nog meer op. Dacht die aristocratische zwartrok soms dat ze het nodig had zich te versieren? Dat ze thuis in een slonzige bonte nylonpeignoir rondliep, met krulspelden en zonder jarretelles?

‘Als een gezicht niet goed geproportioneerd is en te grote fletse ogen heeft,’ floot zoetgevooisd de pater, die zelf min of meer in vervoering raakte, ‘… welnu… door de kunst der vrouwen, de kunst die Sacchetti bedoelt, wordt dat rechtgetrokken en zien die ogen eruit als vurige valkenogen; een scheve neus – de kunst der vrouwen maakt die recht; vertoont het gezicht de onderkaak van een ezel – meteen wordt dat gecorrigeerd. Ze verbeteren zo nodig de borst en de heupen en slagen erin om zónder beitel dat te bereiken wat Polukleitos en Praxiteles zélf niet tot stand zouden hebben gebracht.’

Hij tuurde nu door het traliewerkje om te zien welke indruk zijn woorden op Stientje maakten en schrok niet weinig, zich ijlings terugtrekkend tot in de verste hoek van de biechtstoel.

‘Ik bedoel maar dat… ook een scharminkel… Het verhaal van Saccetti breekt hier trouwens af… de veertiende eeuw – nog voor de uitvinding van de boekdrukkunst… Het einde van het manuscript is zoek geraakt…’

Zo moet ook het einde van dit apofthegma in het duister blijven.

 

 

***

Nog eens uit de Liefdesgesprekken van Stientje en Armand. April 2018. Lucas Mariën.

 

‘… en ja, beste vrienden, dus! Meebrengen: fles wijn en goed humeur.’

Stientje, impulsief, klikte de verzenden-toets aan terwijl ze zich afvroeg: waarvoor leef ik eigenlijk? Trouwens, kon iemand in haar positie zo studentikoos vragen om een fles wijn mee te brengen. Jeugdsentiment? Was het eigenlijk wel verstandig geweest, om in deze stemming een party te organiseren? Maar Coralie Coloratuur van de uitgeverij Het Paradigma scheen niet geneigd te zijn haar, Stientjes, boek ‘Steeds Obscuurder’ uit te geven.

Er betond een roman van Zola, Het paradijs voor de vrouw, over een winkelier met een atelier waarin paraplu’s gemaakt werden. Er komt een warenhuis dat de kleine middenstander de das omdoet. Door het internet dreigde ‘in onze epoche’ de schrijnende ondergang van de literaire wereld waarin zij het zo ver gebracht had. In haar boek had ze de paraplu’s alleen moeten vervangen door romans, de hele traditionele literaire wereld ging om zeep. Het was zelfs zo dat je niet meer meetelde als je ‘gewoon’ romans schreef en die bij een uitgeverij publiceerde. Nee, het moest ‘baanbrekend’ zijn en de bestaande literatuur heette intussen post-literatuur!

Wat had ze al moeten uitstaan omwille van haar uitzonderlijke schoonheid. Zo’n schoonheid is beslist niet alleen een voordeel voor een vrouw. Ze trekt wel de aandacht, maar tegelijk wekt ze bij veel mensen een vorm van agressie. Ze vergelijken en voelen zich te kort gedaan of verzetten er zich tegen dat ze onder de invloed ervan komen.

En wat had ze moeten uitstaan omwille van haar buitengewoon verstand. Grote intellecten waren zelden geliefd.

Soms twijfelde ze zelfs…

Hield Armand echt van haar?

Stientje vroeg zich dat al dagen lang in alle ernst af, door de schuld van Coralie.

Zou Armand ook nog van haar houden als ze Julia heette? Of als ze zo lelijk was als de dochter van professor Daas? Of hield hij alleen van haar omwille van haar talent? Of zelfs – ze kreeg haast een kleur – in verband met… die jarretelles?
‘Ik geloof dat ik het niet zou overleven, als ik jou zou verliezen, Armand,’ sprak ze en nam hem nu bij de hand.

‘Ik ook niet.’

‘Jij ook niet? Bedoel je…’

‘Ik zou het ook niet overleven.’

‘Wat? Dat je dood was?’

‘Dat ook niet. Maar ik bedoelde eigenlijk…’

‘Wat dan?’

‘Als ik jou zou verliezen.’

Stientje slaakte een zucht van ontroering en stormde nog resoluter de wenteltrap op.

‘Hoe kunnen we daarover zekerheid verkrijgen?’

‘Je WIL toch weten dat ik zoveel van je hou dat ik niet zonder je zou kunnen…’

‘Hoe kan dat bewezen worden?’

Zo waren ze onder het houden van de interessantste liefdesgesprekken boven op de toren van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te A. gekomen.

‘Een sprong van hierboven, die zouden we zeker niet overleven. Die zou het grootste bewijs van onze liefde zijn. Kijk mij nog een laatste keer diep in de ogen, je weet dat ik je helemaal toebehoor, Armand. Bewijs het! We springen!’

Hand in hand stonden ze bij de stenen balustrade.

‘Jij eerst,’ moedigde Armand haar aan.

‘Nee, jij eerst.’

‘Ik zou liever nog een beetje wachten.’

Hij liet ook haar hand al los.

‘Ik denk er nu aan dat ik nog een belangrijke telefoon verwacht. Met de redactie…’

‘Pff – de redactie.’

‘In verband met een interview. Ga al maar, ik kom je later naspringen. Samen sterven is trouwens niet nodig, aangezien – zoals ik net al zei… Ik zou het verlies immers niet overleven!’

Hij gaf haar gauw een zoen op haar wang en stormde met twee treden tegelijk de trap af.

Een interview had absolute voorrang, dat vond Stientje ook, zeker als Armand zou kunnen verkrijgen dat die redactie het interview met háár maakte in plaats van met hem. Maar dat andere…

 

Hoe kon ze ooit zekerheid verkrijgen?

 

***

Volgens een betrouwbaar onderzoek van de universiteit van N.N. zouden negentig procent van de mensen met een IQ van boven de 150 hun stem uitbrengen voor de politieke vleugel van het Paradigma onder leiding van Eurykleia Coloratuur.
Dit hebben de partijvoorzitters van domlinks – we zullen hun namen niet noemen – pas vernomen als ze samenkomen voor het feestje ter gelegenheid van de naamdag van de lichtroze voorzitter, de feestdag van de Heilige John. Op deze voorzitter is Eurykleia bijzonder gebelgd omdat hij een bewonderaar is van de Opus Dei-‘democratie’ in Spanje.
‘Als nu ook nog de super-intelligente kiezers weglopen,’ klaagt de groene voorzitter, ‘dan blijft er binnenkort niemand meer over om nog voor ons te stemmen. Moeten we niet beginnen zeggen dat dat allemaal fascisten zijn?’
‘Ik blijf optimist, Wouter, en vol vertrouwen in de arbeidersklasse en de toekomst. Maar inderdaad, als dat zo doorgaat, dan halen die binnenkort dus 150 procent van de stemmen!’
‘Nee beste vriend, zo erg is het niet. Ze halen immers niet alles, niet honderd, maar slechts negentig procent.’
‘Slechts 135 procent dus. Gelukkig maar.’
‘Hoezo gelukkig? Dat is nog altijd meer dan de absolute meerderheid.’
‘Hoeveel was die ook alweer? Maar maak je maar geen zorgen. Als er echt niemand meer voor ons stemt, dan organiseren we een betoging.’
‘Wij beiden?’
‘En een fijne staking.’

 

***

Als sommige elementen in de afpersingsbrieven van DUA de indruk wekken dat hij een farceur is, als het hele drama geregeld het karakter van een farce schijnt aan te nemen, dan dringt de vraag zich op naar de bijbehorende tragedie.

Georg Friedrich Wilhelm Hegel geeft als mening te kennen dat gebeurtenissen van wereldhistorische draagwijdte zich niet zelden als het ware twee keer afspelen. Karl Marx voegt daar aan toe dat het dan de ene keer als tragedie is dat ze zich voordoen, de andere als farce.

Als de afpersingskwestie in de affaire van de RECHTVAARDIGE RECHTERS de farce was, wat was dan de tragedie?

 

***

 

Over het scheppingsproces van een kunstwerk is er weinig echt bekend. Johannes Brahms stelt zich het ontstaan van de chaconne uit de partita in d voor viool alleen van Bach als volgt voor: ‘Op één enkel systeem, voor een klein instrument, schrijft die man een hele wereld vol van de diepste gedachten en de geweldigste emoties. Als ik me zou voorstellen dat ik dat stuk zou hebben kunnen maken, hebben kunnen ontvangen, dan weet ik zeker dat de overgrote opwinding en ontsteltenis me krankzinnig zouden hebben gemaakt.’ (Niet gedateerde brief aan Clara Schumann, juni 1877.)

Hierbij valt op te merken dat sommige kunstenaars al blijken van waanzin vertonen zonder dat ze vergelijkbare inspiraties hebben beleefd.

 

***

 

Er bestaat ternauwernood een milieu waarbinnen er harder geroddeld en gelasterd wordt als in het wereldje van de literatuur-simulatie in Huichelarije. Deze bezigheden schijnen typisch te zijn voor hofhoudingen van eunuchen.

 

***

A: Hoé niets is Frank Hellemaalniets?

B: Hellemaal. De naam zegt het zelf.

A: Kan er dan nog iets nietser zijn dan Frank?

B: Hellemaalniets.

A: Ts-ts-ts die Frank. En dan ook nog scribent bij een weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen doet denken.

 

***

 

 

Januari 2018. Lucas Mariën.

 

De voormalige verloofde van Coralie Coloratuur die de Huichelarijse krantenberichten voor ons overloopt, signaleerde dat er nieuws was over Roger van Gheluwe, de voormalige bisschop van Brugge. Wij waren net iets aan het schrijven over het begrip justitie in de context van de diefstal van de Rechtvaardige Rechters in 1934 en over de pogingen in die tijd om de definitiemacht over dat begrip te verwerven.

De pedofiele voormalige bisschop van Brugge had plusminus zestigduizend pornografische bestanden op zijn laptop staan – eerder plus. Tot opluchting van het gerecht, nemen we aan, was dat nochtans geen kinderporno, maar een grote verzameling ‘gewone’ porno. Als het kinderporno geweest was, dan had de rechtbank zich met die laptop moeten bezighouden. Bij gewone porno konden ze hem als irrelevant terzijde schuiven.

De advocate van de slachtoffers beweert dat een deel van het materiaal overduidelijk wél kinderporno is. In mei ’17 eiste ze bijkomend onderzoek, maar de ‘experts van het parket’ zijn er intussen nog steeds niet uit. Denkt die advocate soms dat dat allemaal zo gemakkelijk is? Wie moet al die baarden plakken aan die baardeloze kinnen? Wie moet de platte borsten van kleine meisjes tot weelderige boezems doen zwellen? Zestigduizend bestanden fotoshoppen! – Minder werk zal trouwens de vergroting van de vagina’s hebben opgeleverd. Daarvoor konden ze de foto’s van de autopsie van Julie en Melissa gebruiken. De vagina’s van beide kinderen waren kort voor hun dood monsterlijk opengerekt en misbruikt op een tijdstip dat Dutroux in de gevangenis zat. Dat is beschreven door Gerolf Annemans – ik heb er al naar verwezen:

Hoe ontstaat een apofthegma? Niemand weet het, het IS er plotseling. Het Apofthegma over het Latijn dat ik hieronder publiceer, ik weet niet waar het vandaan komt. Als initiator van een literatuurproject dat zich voor justitie interesseert – en voor juist de afwezigheid daarvan – voel ik me verplicht het op dit moment in het licht te geven, al moet ik een zekere neiging tot autocensuur daartoe overwinnen.

Ten eerste is het waar ik vandaan kom een van de grootste verboden, geestelijken aan de kaak te stellen. De censuurplakkaten van keizer Karel V. leggen daar bijvoorbeeld de nadruk op en in de steeds hernieuwde versies ervan wordt het steevast herhaald. De versie van 26 januari 1560 bijvoorbeeld, verbiedt

‘camerspelen, baladen, liedekens, commedien, batementen en refereynen […] daarinne gemenght zijn eenige questien, propositien oft materies beroerende onse religie oft geestelijcke luyden’ (Ramakers, Conformisten etc. cfr. bibliografie. P. 177.)

Pieter Schudematte – ik geef maar één voorbeeld – was een schrijver die in 1547 op de grote markt in Antwerpen onthoofd werd voor een ballade waarin hij de hypocrisie van de minderbroeders op de korrel had genomen (Ramakers, 176). Bij hem dus meteen ook het motief van de huichelarij, het merg van het katholicisme. Pas Walschap heeft ze tot hét monumentale thema van de onderdrukte sector van de Nederlandse literatuur gemaakt – maar er werd al lang vóór hem over geschreven.

De vervolging van mensen als Schuddematte is opgegaan in het collectief onbewuste. In onze breinen roken nog de brandstapels en stinkt het bloed van de gefolterde dichters. De censorschaar in het hoofd, de organisch geworden censuur die zich op deze breedtegraad als zuurdesem verspreid heeft in het genetisch materiaal, samen met verkapte, verholen vormen van reële censuur van buitenaf – het is dit censuurcomplex dat het ontstaan van een echte literatuur in Huichelarije belemmert.

Als een geval als dat van pedo-bisschop Van Gheluwe bekend wordt, dan zijn ze allemaal oprecht verwonderd: wie had zoiets ooit durven denken? Van een bisschop! De collectieve huichelarij heeft geen snaren genoeg op haar spel, geen opengevallen bek die gapend genoeg is, om haar oprechte verbazing tot uitdrukking te brengen. De huichelaar die op de televisie mag komen doen alsof het schandaal iets volkomen onverwacht is, belastert de literatuur, belastert de martelaren als Schuddematte, Poelgier, Onghena, De Heere en, ja, ook nog Gerard Walschap, de Adelaar van Londerzeel, wiens vervolging op een hoogtepunt was op het ogenblik dat de Rechtvaardige Rechters gestolen werden.

Al wie wel eens een boek gelezen heeft en een zekere graad van ontwikkeling bereikt weet dit en is niet verwonderd.

Het is een constante in de literatuur, van Schuddematte tot Walschap en daar voorbij. Ook andere feilen: simonie, aflaathandel, vraatzucht, inhaligheid – werden bekritiseerd, maar seksuele uitspattingen toch het meest. Literair gesproken zijn die productiever, door het contrast tussen de gepretendeerde heiligheid en de realiteit.

Juist het aspect hypocrisie is literaire winst en leidt tot genoeglijke bladzijden. Het is esthetisch niet te versmaden. Bisschoppen als Van Gheluwe en experts in het herkennen van kinderporno leveren waardevolle onvrijwillige bijdragen.

Deze stand van zaken is de belangrijkste reden waarom de literatuur in de zestiende eeuw uitgeroeid werd. Ondanks die drie of vier grote namen heeft ze zich sindsdien nooit kunnen herstellen. De eerste hindernis die iedere schrijver moet overwinnen is die autocensuur. Hij moet de beperkingen doorbreken die buiten de literaire vorm liggen. Dat geldt natuurlijk ook voor verboden die de jongste decennia door de politiek zijn afgekondigd. Dingen die je niet mag schrijven omdat ze politiek niet opportuun zijn. Maar literatuur is een terrein waarop geen enkele overheid iets te vertellen heeft. Ik heb hierover geschreven in het Traktaat van het Alsof. Literatuur mag alles zolang ze de wetten van de tekstgrammatica respecteert, de enige die ze erkent.

De ballade die aan Pieter Schuddematte het leven heeft gekost bestaat vanzelfsprekend niet meer. Uit de schaarse gegevens die niet versmacht zijn in de folterkelders van de christelijke justitie en die toch nog aan het licht zijn gekomen, springt de driestheid in het oog waarmee dichters als hij de waarheid zegden, ondanks het feit dat dat levensgevaarlijk was. Ze hebben kennelijk geen angst, of hebben die overwonnen. De bravoureuze doodsverachting waarmee Poelgier reageert als hij hoort dat ze hem willen onthoofden: waar moet ik dan mijn hoed op zetten? Een hele rederijkerskamer die de tekst van een in beslag genomen toneelstuk gaat terug-eisen bij de overheid. Met grandeur trotseren ze de inquisitie. Een held is iemand die doet wat hij het juiste vindt in de wetenschap dat de afloop voor hemzelf fataal zal zijn. Verschillende rederijkers geven de indruk dat ze hun buik zo vol hadden van het moeten huichelen dat het hun niet meer kon schelen wat er met hen gebeurde. Liever dood dan zo te moeten leven. Maar de mens schijnt ook niet te kunnen leven onder een bestendige terreur en doodsangst zonder dat er een zekere gewenning optreedt, en verachting.

Het komt erop aan deze heroën op een ecologisch-klassieke manier weer tot leven te wekken. We kunnen hun werk niet meer doen oprijzen uit de as, maar de geest ervan. We kunnen restitutie proberen te doen van alles wat door beulszwaarden en brandstapels ongeschreven is gebleven. Van alle met bloed doordrenkte, in bloed gesmoorde literaire mogelijkheden.

Ten tweede: literatuur is niet wat daar in Huichelarije voor doorgaat. Is niet: ingebed, impotent, onbeduidend geneuzel. De vroomste lispelaar, de sukkelachtigste sok en de kwijlendste droppelaar schijnen er te verwachten dat de kunst voor hún plezier bestaat. En zijn verontwaardigd als erop gewezen wordt dat er geen kunst bestaat van een zo verachtelijk niveau dat deze zompig soppende soutanes er iets aan hebben. In werkelijkheid is literatuur juist wat ze niét graag hebben, deze schimmelig dempige lange onderbroeken van de hypocrisie. Zij zijn stof, materiaal. Voor de rest hebben ze met kunst niets te maken.

Literatuur is als de godin van het recht, Dike, die bij Zeus de ongerechtigheden van de mensen aanklaagt en straf vordert. Bovendien, zo staat geschreven ‘registreert ze hun fouten op Zeus’ tafelen’.

Een ‘schrijver zoals het hoort’ heet het bij Lucianus, is een Δικαιος συγγραφεύς, een schrijver die in overeenstemming is met Dike, die Dike toegewijd is. Het is de eigenlijke les van de Rechtvaardige Rechters.

 


Apofthegma over de Latijnse les.


Kunt gij zeggen wat ik hier nu vast heb, Frank? fluisterde pater Staf met honingzoete stem. Toch wist Frank het niet. Zijn mama had hem verboden over die dingen te praten en zelfs na te denken.

‘Wat ik tussen mijn twee vingers heb?’ teemde de pater zo vriendelijk dat Frank, zelfs al betwijfelde hij of er mensen bestonden die van hem konden houden, nooit of te nimmer zou kunnen twijfelen aan de liefde van de pater.

Maar Frank kende nog altijd niet het antwoord op de vraag van de pater.

‘Wel dan Frank,’ sprak de pater vol ijver voor Franks vorming, ‘dat is nu uw roede, Frank. Zeg het mij na, Frank…’

Gehoorzaam lispelde Frank: ‘Dat is nu uw roede, Frank.’

‘Nee, Frank, niet mijn… gij moet dat mutatis mutandis veranderen. Zeg dus niet: uw maar mijn… MIJN roede!’

‘Uw roede,’ zei Frank, maar pater Staf liet daarom zijn piemel nog steeds niet los, zozeer overweldigde hem het plotselinge inzicht dat Frank de uitdrukking mutatis mutandis niet begrepen had, en hij hem ook nog Latijnse les zou moeten geven.

 

 

Digitale en andere apoftegmata (1) staat hier: https://kurtz.owncube.com/hetparadigma/2017/10/05/digitale-en-andere-apoftegmata/

 

 

error: Kopij bescherming !!