Innerlijk leven van het vijgenblad.

Februari 2018. Coralie Coloratuur.

 

Het innerlijk leven van het vijgenblad. Kunst en corrumpering.

 

 

In lezersbrieven in de Zwitserse Tages-Anzeiger werd de vraag gesteld of Max Frisch, een van de boegbeelden van de schone letteren in Zwitserland in de twintigste eeuw, nog wel tot de eigenlijke, serieus te nemen literatuur kon worden gerekend. De Helvetische kranten stonden begin deze maand namelijk vol over Frisch als agent van de CIA – hijzelf schijnt zich van die functie overigens niet bewust te zijn geweest. Een paar jaar geleden nog werden publicisten die zich interesseerden voor de manipulatie van het culturele leven in Europa nog in het hoekje van de samenzweringstheorieën geduwd. Intussen zijn er zoveel documenten en getuigenissen bekend geworden dat er aan de gegrondheid van het verhaal geen twijfel meer bestaat. Of het samenzweringsargument daardoor ook minder gehanteerd wordt, weet ik niet. Ik groepeer enkele bronnen aan het einde van dit stuk.[1]

2

Vanzelfsprekend worden we in het geval Max Frisch weer geconfronteerd met het ‘Congres voor Culturele Vrijheid’, een CIA-organisatie die in de jaren ’50 en ’60 Europese kunstenaars en intellectuelen van overwegend liberale of zelfs linkse signatuur voor de Amerikaanse kar probeerde te spannen. In (o.m. de Engelstalige) Wikipedia staat een bijdrage onder Congress for Cultural Freedom.

De geest was links, kunstenaars en intellectuelen van betekenis, van Picasso tot Sartre, van Einstein tot Brecht, stonden links van het centrum. Ze hadden een groter intellectueel, maar misschien vooral meer moreel prestige dan die van de andere kant. Het Congres voor Culturele Vrijheid had ook vijanden die het expliciet bestreed. Zo onder meer de Chileense dichter en communist Pablo Neruda, vooral nadat in 1964 bekend was geworden dat die kandidaat was voor de Nobelprijs. Raymond Aron, een van de aan het Congres verkochte ‘intellectuels’ in Frankrijk, voerde campagne tegen de te linkse Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir met als belangrijkste argument dat dat paar openlijk samenleefde zonder officieel getrouwd te zijn. Daar zou nu geen hond meer van opkijken, maar het is dezelfde procedure als altijd: wie ze niet langer kunnen doodzwijgen pakken ze – in deze volgorde – met zogenaamd morele criteria en voor de rest met gewoon laster.

3

De Amerikaanse grootmacht had nog niet lang geleden de eerste atoombom van de geschiedenis gegooid en zocht pacifisten om dat wit te wassen. Ze ‘verzamelde’ intellectuelen om bij hen ‘reputatie te lenen’. Het ‘lenen van de reputatie voor een systeem dat dat bitter nodig had’ – zo noemt de Nietzschespecialist Volker Gerhardt het misbruik dat de nazi’s van Nietzsche maakten.[2] Maar Nietzsche was dood en kon zich niet meer weren. De vijgenbladen van de CIA hadden dat wel gekund. Het was er de Amerikanen om te doen de Europese publieke opinie te beïnvloeden ‘door export van cultuur als jazz en speelfilms, die voor een positieve relatie met de atoombommenwerpende supermacht zorgden’ (Telepolis). Het Congres organiseerde aan de lopende band conferenties, seminaries en tentoonstellingen. Het financierde tijdschriften en dus ook individuen die bereid waren zich te verkopen. Aan het geval Max Frisch kunnen we aflezen hoe dat in zijn werk ging.

4

In 1951 kreeg hij een stipendium van de Rockefeller-stichting, die met de CIA nauw gelieerd was. Zulke sponsoring noemde die stichting ‘investment in a man’ (Tages-Anzeiger). Met zijn beurs kon Frisch een jaar in de VS verblijven. Er ontstond een relatie die vele jaren zou duren. Hij kon deelnemen aan een seminarie van de latere minister van buitenlandse zaken Henry Kissinger aan de Harvard-universiteit, maakte kennis met andere invloedrijke mensen uit de Verenigde Staten én Europa. Vooral: er werd gezorgd voor zijn doorbraak als romancier. Wereldwijd.

De corrumpering van de kunstenaar, het gaat altijd op min of meer dezelfde manier. In de Zuid-Nederlandse literatuur heeft Pieter-Jan van Kerckhoven het al beschreven in 1848.

5

Maar Max Frisch werd in de gaten gehouden en er vond een geregelde beoordeling van zijn ‘rendement’ plaats. Met argusogen werd hij gevolgd, te meer omdat hij af en toe wel degelijk echt kritische tonen liet horen, vooral nadat de VS hoe langer hoe meer in de Vietnam-oorlog verstrikt raakte. Zwakker begaafde CIA-ers maakten zich zorgen over hem, slimmere waren blij: hoe kritischer zo’n linkse vogel zich in het algemene discours manifesteert, hoe geloofwaardiger hij is. Als hij er alles bij elkaar genomen maar toe bijdraagt het gewenste beeld van een Amerika als cultuurland en vaderland van de democratie voor de dag te laten komen. Ik heb dat procedé elders de ‘katholieke restrictie’ genoemd, naar aanleiding van een brief van Wies Moens aan Paul van Ostaijen.[3] Het werd ook in de communistische wereld veel toegepast en bestaat erin kritiek op ondergeschikte punten toe te staan, aan te moedigen zelfs en vooral: het naar de buitenwereld toe te gebruiken als bewijs van tolerantie en vrijheid. Maar uit den boze is fundamentele kritiek op het systeem als dusdanig. Het procedé is met andere woorden een variant van het inbedden. Het is een van de technieken van de manipulatie waarvan de ingebedde dichter juist een symptoom is. Max Frisch mag dan vaak kritisch en ongemakkelijk geweest zijn, hij bleef het Amerikaanse systeem bewonderen, goedpraten en propageren.

6

De Rockefeller-stichting controleerde ook het Museum of Modern Art in New York dat met succes, maar met niet-esthetische middelen, Amerikaanse kunstenaars aan de wereld wilde verkopen. Het ging in de eerste plaats om de

druppelkunstenaar Pollock, om Rothko en De Kooning, om het zogenaamde abstracte expressionisme. Deze stroming stond voor het summum van formele vrijheid bij gelijktijdige afwezigheid van duidelijke inhoud, laat staan van politieke boodschappen. De kunst zou er van af moeten zien kritische inhouden te reflecteren en diende alleen voor amusement.

Omstreeks de jaarwisseling 2017-18 werd rond deze thematiek een tentoonstelling gehouden in het Haus der Kulturen in Berlijn: ‘Parapolitik. Kulturelle Freiheit und Kalter Krieg’. De anders tot óver de grenzen van waanzin en delirium pro-Amerikaanse Neue Züricher Zeitung, die indertijd erg zuur gereageerd had op de onthullingen van Frances Stonor Saunders, gaf nu toe aan een Europese reflex en karakteriseerde de bedoelde verfwerken als ’een abstracte kunst zonder fundamentele waarden, van een inhoudelijke willekeur en vooral met een devaluatie van de waardevolle Europese traditie’ (NZZ 30/11/17). En de Süddeutsche Zeitung zette de puntjes op de i: ‘In de koude cultuuroorlog werd de ‘culturele hegemonie’ en de ‘moderniteit’ op alle manieren bevorderd. (SZ 18-19 november ’17.) Van ‘culturele oorlogen’ sprak in een boek van 2004 Volker Berghahn, wiens studie naar aanleiding van de Berlijnse tentoonstelling opnieuw in de schijnwerpers stond.

7

De ‘waardevolle Europese traditie’ houdt in dat het kunstenaarschap van een verkochte kunstenaar twijfelachtig is. De Zwitserse inzenders van lezersbrieven die zich afvroegen of Max Frisch nog wel een échte schrijver kon worden genoemd, bevonden zich in die traditie. Lukianos van Samosata, een door de Ecologische Klassiek gewaardeerde schrijver uit de tweede eeuw, schreef een tekst over ‘Het treurige lot van geleerden die zich aan rijke families verhuren’[4]. En ik heb een herinnering aan een uitspraak van Goethe die (naar de inhoud) ergens zegt: niét corrupt is alleen die dichter die op ieder moment dát schrijft wat grammaticaal gezien nodig is, zonder rekening te houden met de gevolgen die dat de dag daarop voor hem zou kunnen hebben.

De kunstenaars die zich in de DDR als IM – ‘inofficiële medewerker’ aan de Stasi verkochten hebben daarmee hun reputatie geruïneerd. En de ‘inofficiële medewerkers’ van de CIA?

Vorig jaar werd er ook een officieel document van de CIA bekend blijkens welk ook de filosofie beïnvloed werd, maar dat moet Coralie maar in een apart stuk behandelen.

Om terug te komen op onze vraag van het begin: zou iemand in Huichelarije ook zo’n brief kunnen schrijven als die Zwitsers? Er is in dat land geen – als ik zou schrijven: literaire cultuur zou ik te genadig zijn. Het is ook algemener, een afwezigheid van morele normen, van ethiek. Zo waren er schrijfsters die zich door Herman de Coninck lieten tutoyeren zonder dat er een haan naar kraaide, ‘universiteiten’ die Hugo Claus met alle geweld en tegen beter weten in zoeken op te kloppen tot een belangrijke figuur, die iedere kritiek terzake gewoon negeren, iedere discussie onmogelijk proberen te maken. Die verhinderen dat cultuur ontstaat, dat er begrippen over de ethiek van de kunst – maar ook van alle andere dingen des levens –kunnen worden ingeplant en gedijen.

 

______________________________

  1. De Britse historicus Frances Stonor Saunders bond de kat de bel aan met een artikel in The Independent:http://www.independent.co.uk/news/world/modern-art-was-cia-weapon-1578808.html waarin ze haar boek ‘Who Paid the Piper? CIA and the Cultural Cold War’ (Granta 1999) voorstelde. Van dat boek verscheen ook een Amerikaanse uitgave, ‘The Cultural Cold War: The CIA and the World of Arts and Letters’ (The New Press 2000).Een ZDF-film die door o.a. Arte werd uitgezonden was:Hans-Rüdiger Minon: Benutzt und gesteuert. Künstler im Netz der CIA. Zweites Deutsches Fernsehen 2006.Recente stukken over het onderwerp in de Zwitserse ‘Tages-Anzeiger’, 5 februari 2018 (https://www.tagesanzeiger.ch/sonntagszeitung/max-frisch-und-die-cia/story/210519); in ‘Telepolis’, 7 februari 2018 (https://www.heise.de/tp/news/Die-Max-Frisch-Identitaet-3962024.html) Cfr. ook de Neue Züricher Zeitung, 5 februari 2018.

    N.a.v. de Berlijnse tentoonstelling ‘Parapolitik’: Neue Züricher Zeitung 30/11/17; Süddeutsche Zeitung 18-19/11/17.

    Volker Berghahn: Transatlantische Kulturkriege – Shepard Stone, die Ford-Stiftung und der europäische Antiamerikanismus. Stuttgart 2004.

  2. Volker Gerhardt: Pathos und Distanz. Stuttgart 1988. P. 40 (noot 4). Gerhardt citeert trouwens, nl. een werk van H. Ottmann.
  3. In het ‘Traktaat van het Alsof’ (kap. 4) – in ‘Alle Lust wil Eeuwigheid’.
  4. Voor die titel ben ik aangewezen op de vertaling van Goethes vriend Christoph Martin Wieland in: Lukian von Samosata, Sämtliche Werke, Wiesbaden 2014.

 

error: Kopij bescherming !!