Digitale en andere apoftegmata (1).

‘Satire op het volk’ – Over de rol van literatuur als de maatschappij zelf al satire is. (LM 15-10-17.)

 

Al zijn prothesen compenseerden een verlies, overwoog Frank. Zijn hoorapparaat ondersteunde zijn afnemende hoor- en zijn bril zijn gezichtsvermogen. Zoals zijn kunstgebit zijn vergane bijtcapaciteit restaureerde. Alleen zijn penisverlenging verving niet iets wat er geweest was, die was zuiver winst – en zijn computer in de plaats van een natuurlijk brein. (LM 11-5-2010 20:26:33)

 

Niet dat Armand een souteneur was, hij dwong Stientje niet tot prostitutie. In dit geval was het eerder omgekeerd. Zij was zijn souteneuse. (CC 2017)

 

***

 

Is  dit of bevat het een apoftegma?

 

juni 2017. Lucas Mariën

 

 

1

Niet zo lang geleden was er een volksvertegenwoordiger die vragen stelde in het parlement. Dat is zo vanzelfsprekend, zullen onze buitenlandse lezers zeggen, dat het geen vermelding verdient en dat een schrijver van betekenis er geen tekst mee kan beginnen. Daarin hebben ze geen ongelijk, maar is het in het buitenland soms de gewoonte dat de vagina van vermoorde kleine meisjes in eerste zinnen worden geëvoceerd? En als er daarenboven iets op volgt dat de lezer naar de keel grijpt –

Die volksvertegenwoordiger stelde bovendien échte vragen, zich opdringende, noodzakelijke vragen in verband met de verdwenen, misbruikte en vermoorde kinderen. Dat die man die vragen stelde vonden ze erger dan de misdaden tegen kinderen zelf, gepleegd door leden van het Tartufistaans establishment – hooggeplaatsten, die je zoiets toch niet kwalijk kunt nemen. Er is hier sprake van een laat-feodale mentaliteit, buitenlandse lezers, van het recht van de eerste nacht, katholieke tempelprostitutie, misbruik van kleine kinderen – begint het te dagen?

In een land waar de Rechtvaardige Rechters gestolen konden worden – en geheeld met medeplichtigheid van de overheid; in een land dat door de (samen met Charles de Coster) belangrijkste schrijver die het heeft voortgebracht wordt voorgesteld als het hoofdkwartier van de huichelarij, mogen zulke vragen niet worden gesteld. In dat land heerst de veralgemening van de katholieke regel ‘si non caste, caute – als je niet kuis kunt zijn, zorg dan tenminste dat het niet bekend wordt’. Of zoals Oskar Panizza een uitspraak van de kerkleraar Damiani weergeeft: ‘Wat in het geheim gebeurt, is niet gebeurd. Zonde is het alleen maar als er kindergeschrei uit voortkomt.’

Of als er vragen over gesteld worden in het parlement.

2

Laurent Louis heette de volksvertegenwoordiger die al dat lastige opzien veroorzaakte. Er is later nog een showproces tegen hem gevoerd, maar daar moet ik afhaken, ik heb het niet gevolgd. Aantekening dat een literatuurproject dat in het land van de Rechtvaardige Rechters gerechtigheid ingang wil doen vinden daar eens op moet terugkomen… passons pour le moment.

Andere volksvertegenwoordigers stelden geen vragen. Ze demonstreerden dat ze de van hen verwachte juiste ingesteldheid bezaten en dat ze alleen maar vragen wilden stellen bij wijze van vragen-stellen. In een land waar er alleen maar een alsof-literatuur bestaat – om het met een modieus woord te zeggen: een fake-literatuur – daar stellen parlementsleden alleen maar alsof-vragen.

In de Stalintijd was het in de Sovjet-Unie niet uitzonderlijk dat er voor vadertje Stalin twintig minuten of langer geapplaudisseerd werd: niemand durfde als eerste op te houden. De apparatsjiks moesten doorgaan met in de handen te klappen, tot een of andere volkscommissaris met een hartkwaal er het bijltje bij neerlegde en de geest gaf. Pas dan durfden de anderen te stoppen. Zo ongeveer verging het ook de Tartufistaanse volksvertegenwoordigers. Bang voor hun carrière, ofwel omdat ze er een wilden maken, of gewoon omdat ze gechanteerd konden worden – deden ze allemaal alsof ze geweldig verontwaardigd waren over die pertinente vragen van Laurent Louis. Als die het woord kreeg in het parlement, verlieten ze en bloc de zaal, zo afgronddiep, zo tsunami-achtig, zo titanisch was hun morele verontwaardiging. Luisteren, vragen stellen, debatteren, bekritiseren, daar dient het parlement eigenlijk voor, zeker als het om zulke sinds eeuwen onderdrukte kwesties gaat – maar dan zou dat geen alsof-parlement meer zijn. Baudelaire wijst trouwens al op kindermisbruik als Tartufistaanse hobby, en diens werk wordt iedere dag bestudeerd in duizend universiteiten in de hele wereld. Alleen in Huichelarije – daar denken ze dat alle andere naties hun evenzeer bewonderen als zij zichzelf bewonderen. Van Baudelaire hebben ze ook nog nooit gehoord. Ze zijn ‘een volk van bange eigenaars dat, als je het een trap tegen zich op de kloten geeft, klaagt van pijn aan de amandelen’. (Jef Geeraerts in: De heilige kruisvaart. Brussel/Amsterdam (Manteau) 1978. P. 109.)

3

Echte journalisten bestaan er niet in Tartufistan, alleen hoernalisten. Die trokken van hun kant bij de vragen van Laurent Louis hun neus zo ver op, dat hun schedelhuid werd opgestuwd op het hoogste punt en dan achteraan van hun stomme kop afgleed en naar beneden hing als het gerimpeld vel van aasgieren.

Ook de hoernalisten demonstreerden dat ze aan de goede kant stonden en geen echte vragen stelden. Dat gold vanzelfsprekend ook voor de domlinkse hoernalisten van het domlinkse ‘De Morgen’. Meedoen met de hetze, weldenkend en fatsoenlijk totterdood. Te dom om nog enige voeling te hebben met de emancipatorische oorsprong van links, met ideeën überhaupt – alleen nog partij- en kliekjeslinks –

4

Er waren nochtans al volksvertegenwoordigers zonder grote carrièreperspectieven geweest die probeerden niet te medeplichtig te zijn. Gerolf Annemans heette een van hen – ik weet niet of het er echt meer dan één waren. Annemans was lid van de parlementaire onderzoekscommissie in de Dutroux-affaire, jurist, en in deze aangelegenheid een van de best geïnformeerde mensen. En hij schreef een boek over zijn inzichten en ervaringen in en met deze commissie. Hij behoort tot een partij die niet salonfähig is. Ik volg de Tartufistaanse politiek niet, maar hij is, geloof ik, communist. In ieder geval geen mainstream, niet ingebed.

Hij schrijft in dat boek buitengewoon genuanceerd, afgewogen, voorzichtig – hoewel hij echte vragen stelt en ook antwoorden geeft. Maar op iedere pagina zie je de heer Annemans denken: als ik buitengewoon genuanceerd, afgewogen, voorzichtig schrijf, en de dingen zonder passie en zo zakelijk mogelijk formuleer, dan zullen ze me wel au sérieux nemen, dan word ik eh… salonfähig. Het is wel duidelijk dat de heer Annemans geen ervaring heeft met de publicistiek in dat land.

Fout dus, meneer Annemans, die lichtzinnige hoop! In Huichelarije moet je eerst al salonfähig zijn, voor je iets van belang kunt zeggen. Geaccepteerd worden, erkenning krijgen, doe je nooit omdat je iets te vertellen hebt of iets presteert – dan zou het geen feodaal systeem meer zijn. Coralie Coloratuur bereidt een steekkaart voor, voor op haar detectivebord na de vakantie. Het trefwoord is ‘bevoegd’ en ze wil de historische semantiek van dat begrip ter sprake brengen – dat een rol speelt in drie van de afpersingsbrieven van DUA, in de zaak van de Rechtvaardige Rechters. Wie ‘bevoegd’ is, is niet afhankelijk van het waarheidsgehalte of de betekenis van een uitspraak, maar van waar ze vandaan komt. Het gaat over sturing van de waarheid, framing, huishouding van meningen, management van publieke verontwaardiging etc. Leest vlijtig onze website, heer Annemans, en gij zult al deze technieken en procedé’s leren kennen! En verander bij gelegenheid ook maar eens van partij, want met die communisten, dat is een dwaalspoor.

5

Een van de dingen die volksvertegenwoordiger Laurent Louis het meest kwalijk werden genomen, was dat hij foto’s gepubliceerd had van de lijkjes van de twee kleine meisjes Julie en Melissa. Gerolf Annemans had er al op gewezen dat die twee een nevralgieke punt vormen in de affaire Dutroux. Zij werden namelijk verkracht en vermoord terwijl Dutroux een rotsvast alibi had: hij zat namelijk in de gevangenis toen dat gebeurde. Annemans schrijft:

‘De autopsie van Julie niet en ook niet die van Melissa, geen van beiden heeft ooit kunnen bevestigen dat het door ontbering was dat de meisjes omkwamen (wat namelijk de officiële doodsoorzaak was; LM). De doodsoorzaak zouden ook hun verwondingen kunnen zijn. Melissa zou vlak voor haar dood extreem verkracht zijn. Vlak voor haar dood. En extreem. Want haar spieren hebben niet meer de tijd gehad om een vaginale verwijding te herstellen van twaalf centimeter…’ (Gerolf Annemans: Dutroux. Teveel om te geloven. Brussel [Egmont] 2004. P. 38.)

Maar toen Louis dus over die autopsie begon, toen was er geen een die zich afvroeg: hebben we daar niet al eens iets over gehoord, was er daar niet ooit eens… bij Annemans of zo? Heeft die niet eens iets gezegd dat we intussen gelukkig vergeten zijn.

Nee, Annemans’ vragen waren al lang toegedekt, onderdrukt, omstandig vergeten, wijdlopig verzwegen, niet existent. Eigenlijk moet iedereen altijd van nul af aan beginnen in dat door Baudelaire zo beroemd geworden land. Alleen de onderdrukkers van de waarheid, de mompelaars, de conciërges van de edele verontwaardiging, de zompig soppende soutanes – die kunnen altijd voortbouwen op vroegere onderdrukking.

6

De simulatie die zich in Tartufistan voordoet als literatuur, heet hoernalituur. Ze is even corrupt als al het andere daar. Er zijn in de voorbije twee eeuwen, sinds het ontstaan van ‘België’, vijf, zes uitschieters geweest, echte schrijvers, maar niet genoeg om van een literatuur te kunnen spreken.

Ik vroeg me af of ik de foto’s van die kindervagina’s kon opnemen in de Nederlandse literatuur, digitaal of niet. Of bijvoorbeeld de tronie van Wilfried Martens, de door twee X-getuigen bij verkrachtingsfuifjes gesignaleerde christendemocraat – ook dat riskeert Annemans: hij twijfelt aan de officiële verklaring van globale ongeloofwaardigheid van althans één X-getuige.

Is ook dat geen opgave voor de literatuur – ik beweer niet dat het er een is – namelijk die niet alleen door criminelen misbruikte maar later door een hele maatschappij nog eens ten overvloede genegeerde, belasterde en nóg eens tot slachtoffer gemaakte kinderen te rehabiliteren? Te rehabiliteren en – zo mogelijk – te troosten?

Wat ik wél beweer is dat zo’n figuren als Martens – zijn begrafenis is met veel tamtam rechtstreeks door de televisie uitgezonden – onsterfelijk moet worden gemaakt met de middelen die de literatuur daarvoor ter beschikking heeft.

Zo’n katholieke smoel, verkrampt, verwrongen, kromgetrokken van het huichelen, scheefsmoelig van het liegen, dat bakhuis in het midden dus, en dat omramen met die twee vaginaatjes. Maar hoe rijk de mogelijkheden van de kleine vormen van het digitale apoftegma ook zijn…

Toegepast op Tartufistan: je kunt de beerput in een klein flesje doen; dan kunnen we dat naar de zon houden om de kleur te bewonderen en wat erin rondzwemt te bekijken. En de gedachte van Spinoza dat god overal en in alles is te corrigeren in de zin van: hij is nergens. Maar volstaat dat om recht te doen aan de slachtoffers?

De ontoereikendheid van het apoftegma in dit geval –

Het kleine staal betekent niet dat de beerput an sich buiten beschouwing moet blijven. Soms zijn er grootsere middelen nodig om de Erinyen, de wraakgodinnen – ze zijn oeroud en vergeetachtig geworden – aan te porren om misdadigers in de onderwereld op te jagen en voor zich uit te drijven – brullend van vertwijfelijng – want afzichtelijk en angstaanjagend is hun voorkomen. En Alecto, de middelste van de drie onheilspellende zusters, heeft een naam die betekent: die nooit ophoudt.

 

*****

 

Netwerken

[mei & juni 2017]

 

Toen was alles nog goed.

 

Haar grootmoeder hield van haar – maar die was gestorven, – en Lou Vastenavond, maar dat was eigenlijk meer een stalker, en haar biechtvader hield van haar, en professor Hugo Daas – maar die wou haar invloed gebruiken om Frans Zelfspeler als dichter door te drukken en…

Jesus loves you!

En – natuurlijk – Jezus hield van haar, hoe kon ze dat vergeten! En dan was er oom Godfried indertijd, maar dat was een viezerik. En Pim Odeur, maar die was meer een chauffeur en een bodyguard. Haar yogaleraar Swami Vivekananda en nog iets.

Te veel om op te noemen.

En de kat hield van haar en natuurlijk Armand, haar man.

‘Armand, waar is mijn haarnetje? Heb je dat soms ook weer ‘uitgeleend’?’

De herinnering aan de gebeurtenissen die haar vaste overtuiging aan het wankelen hadden gebracht, getrouwd te zijn met de verstandigste man ter wereld, bracht Stientjes contenance weer in gevaar. Het geluksgevoel dat haar vroeger soms echt overweldigde als ze naakt voor de spiegel stond, liet nu op zich wachten. Temeer omdat Armand in de badkamerdeur verscheen:

‘Waarvoor heb je je haarnetje nodig? Ik dacht dat je aan het oefenen was voor je naaktfoto’s?’

‘Ssssst… Dat mag je zelfs binnenskamers niet uitspreken!’ Ze greep onwillekeurig naar een handdoek om zich voor zijn ogen te bedekken. ‘Dat project is zo geheim. Maar het is de enige mogelijkheid om je tijdschrift van de ondergang te redden. En je moet u tegen me zeggen.’

Ze had geprobeerd hem bij te brengen haar niet langer te tutoyeren, maar dat speelde hij, zuiver grammaticaal al, niet klaar. Nu eens zei hij jij, dan weer u, dan weer gij.

‘In ieder geval weet ik niets van je haarnetje. Is dat dan zo belangrijk?’

‘Alles wat net is, is belangrijk. Het web, netten, netwerken… Het internet is belangrijk, onthou dat goed, Armand. Het zijn de netwerken, die de wereld sturen. Netten die de verbinding tussen de individuen uitmaken, maar die ook alles samenhouden. Netten, waarin je met andere woorden gevangen zit. Maar die je ook kunt gebruiken om met nog meer mensen, van nog andere netten, in contact te komen. Ze zijn zelfs belangrijker als wat je als dichter schrijft.’

‘Kun je je netkousen dan niet gebruiken?’

Soms was hij echt creatief, haar Armand, ja een zekere geniale trek… daar was ze toch voor gevallen!

 

Ze draaide hem woedend de rug toe en liet de handdoek weer zakken en bekeek zich in de spiegel.

Andere supermodels hadden machtige mannen. Carla Bruni was met Sarkozy getrouwd. En Melania – hoe heette die ook weer – met Trump. Was het teveel gevraagd van de wereld, dat die zou begrijpen waarom zij eigenlijk een liefdeshuwelijk met Armand Honing was aangegaan?

(Lucas Mariën.)

*****

 

 

Piraat, de kat van Het Paradigma. “Als Odin, de eenogige god, ten strijde trok, leek hij afschrikwekkend in de ogen van zijn vijanden. Dat kwam doordat hij de kunst verstond om op velerlei wijze van uiterlijk en gedaante te veranderen, al naar het hem zinde.” Proza Edda, Gylfaginning, 8.

 

 

***

 

[juni 2016; Lucas Mariën]

In haar verhaal over de relatie van Henri Koehn met Leo Frobenius [zie: Koehns Kamer ii, juni 2016 ] gebruikt Coralie Coloratuur een anekdote niét die door haar onthullend karakter wel bruikbaar zou zijn in een digitale literatuurtheorie.

De afrikanoloog Frobenius arriveert met zijn expeditie bij een Tartufistaanse missionaris in Kongo. Hij vertelt die dat ze op zoek zijn naar getuigenissen van de mondelinge literatuur van de zwarten. De missionaris deelt hem mee dat het volk waaronder hij leeft ‘geen eigenlijke volksverhalen bezit’. Nee, zoiets kennen ze hier niet.

Na enkele weken op het terrein komt Frobenius terug met een oogst ‘die alle verwachtigen overtrof’. Hiermee geconfronteerd zegt de missionaris: ‘Dat ze zo veel hebben! Dat hebben die kerels u gewoonweg voorgelogen.’ (Streck, Frobenius, p. 61 e.v.; de volledige bibliografische referentie bij C. Coloratuur, Koehns Kamer ii.)

Dat is dus precies het omgekeerde van de toestand in Vl. waar ze proberen iets wat niet bestaat, namelijk literatuur, door simulaties voor te wenden, m.a.w. voor te liegen. Zoals de waard is, zo kent hij zijn gasten.

 

 

*****

 Een doorslaggevend argument.

25 november 2016. Lucas Mariën

 

‘Dat was geen prostitutie met Armand,’ riep Pim Odeur. Hij sprong zelfs overeind met een wilde blik van vertwijfeling. ‘Ze ging immers niet met hem naar bed! Ze was met hem getrouwd, ja, maar ze ging toch niet met hem naar bed! Hoe vaak moet ik dat nu nog zeggen!’

Al jaren vocht hij voor de goede naam van Stientje, wat erop neerkwam dat hij zich uitsloofde om haar met enigszins terugwerkende kracht de status van maagd te verlenen. Maar de geruchten staken steeds weer de kop op. En zelfs in de hoogste regionen van de literaire wereld bleef zijn roepen ongehoord. Zoals ook nu!

 

Het was Frans Zelfspeler, die zijn spitse kin tussen duim en wijsvinger vatte en zich afvroeg:

‘Maar waar haalt Armand dan die pikante verhalen over die jarretelles vandaan?’

‘Fictie!’ riep Pim, ‘zuivere fictie! Dichterlijke verbeelding! Het zal trouwens niet meer voorkomen. Stientje heeft hem verboden nog over zijn… fantasieën in de krant te schrijven.’

Hij keek rond om te zien welke indruk zijn woorden maakten en voegde er vol optimisme nog aan toe:

‘Het was een morganatisch huwelijk, dat van Stientje en Armand, een “huwelijk met de linkerhand”. Dat kwam vroeger voor als adellijke heren trouwden met vrouwen van lagere stand. Het was geen volwaardig huwelijk. Welnu, ons steeds revolutionair-feministische Stientje heeft hier weer eens de vastgeroeste rollenpatronen doorbroken. Zou ze anders getrouwd zijn met een man die zo ver beneden haar staat? Neen, immers… maar uit feministisch idealisme heeft ze het deze keer wél gedaan. Maar dat was dan ook alles. Een morganatisch huwelijk met omgekeerde voortekenen dus. Géén bed.’

‘Maar Frank Nimmendal heeft zelf gehoord dat ze zich door hem liet tutoyeren,’ antwoordde Angiolina Delicaet koeltjes. ‘Natuurlijk heb ik dat niet geloofd, maar Frank was bereid er een eed op te doen – en ik mocht het aan niemand doorvertellen.’

Angiolina was een veelbelovende jonge dichteres, van wie niemand begrijpt waarom we er na dit gesprek nooit meer van gehoord hebben. Want Angiolina voegde er nog aan toe:

‘Ze heeft dan misschien niet bij hem geslapen, maar hij heeft haar zeker en vast getutoyeerd.’

 

Zo kwam er een einde aan Angiolina’s opgang, nog voor die begonnen was.

 

Ook de onvergelijkelijke viertalige dichtbundel ‘Niet Niemendal’ van Frank Nimmedal maakte nu geen kans meer. Frank had in die bundel namelijk naast gedichten in het Schoonvlaams ook Duitse, Engelse en Franse ontboezemingen opgenomen, om aldus zijn uitdrukkingsmogelijkheden aanzienlijk uit te breiden, maar het spreekt vanzelf dat dat niet meer baatte. En dat Frank het nooit verder kon brengen dan tot recensent van een weekblad waarvan de naam aan uitwerpselen deed denken en waarvan buiten de achterlijkste gebieden van de EU niemand ooit gehoord had. 

 

*****

Maar Lucas toch!

Je zet daar iets dat ik – zonder er bij na te denken – geschreven heb neer als ‘geadopteerd apoftegma’, terwijl ik niet wil dat dat als maatstaf van mijn vaardigheid doorgaat: daarvoor is het niet goed genoeg. Maar neem dan dít, een digitaal apoftegma – wanneer verschijnt trouwens eindelijk jouw theoretisch  essay over apoftegmata?

Je had het goed gezien dat ik in Frankfurt ben.

Het witte gebouw, het huidige ‘Huis van de Literatuur’, is de voormalige stadsbibliotheek. Architect was een ‘stadsbouwmeester’ Hess, einde achttiende eeuw. Het ligt vlakbij de plaats waar Arthur Schopenhauer woonde. Die ging er bijna dagelijks naartoe om de nieuwste voortbrengselen van de literatuur te bekijken – nu krijg je alles wat van belang is in digitale media zoals Het Paradigma. Kranten keek hij er touwens ook in, in de eerste plaats de Londense Times.

Maar wie heeft nu de kans gezien om achter dit heilige gebouw een ‘hospitaal van de Heilige Geest’ neer te zetten?

(Als dit geen digitaal apoftegma is?)

 

Frankfurt aM, voormalige stadsbibliotheek, nu ‘Huis van de Literatuur’. Daarachter het ‘hospitaal van de Heilige Geest’. 

 

*****

Marc Reynebeau ligt op de stoep. Ik loop voorbij. Hij roept: ‘Ik háát je.’

Nadat ik er hem op gewezen heb dat het ongewenst is, door hem te worden getutoyeerd, dank ik hem toch voor de waarschuwing,

Erger zou het geweest zijn, als ik in hem was getrapt. (LM)

 

*****

Maart 2017. Coralie Coloratuur.

Ik lees geen Huichelarijse kranten, maar via het internet is me pas toch iets onder ogen gekomen – in de gemeenteraad van een grote stad zocht een politicus zijn tegenstrevers te kleineren door hun ‘het verstand van een garnaal’ toe te schrijven.
Onder de verschillende soorten apoftegmata behoort het nu volgende tot de soort van het raadsel – Lucas Mariën heeft het een hele tijd geleden eens bedacht. Het gaat zo:
Vraag: Wat is het verschil tussen Herman de Coninck en een garnaal?
Antwoord: Een garnaal heeft het verstand van een garnaal.
Het zou minder riskant zijn geweest als de genoemde politicus tegen zijn vijanden had gezegd dat ze slechts het verstand van Herman de Coninck hadden. In Huichelarije is dat trouwens allerminst een hinderpaal om het tot ‘dichter’ te kunnen brengen. Maar stel dat die tegenstrevers verpletterend geantwoord hadden: en jij dan, Herman de Coninck!
De politicus vond het overigens ook nodig de uitspraak van Nietzsche zonder bronvermelding te citeren, ‘Was mich nicht umbringt, macht mich stärker’. Maar hij citeerde die in het Engels. Daardoor mist hij in de ogen van beschaafde lieden het gewenste effect. Ten eerste is dat in het Engels toch nooit helemaal evenwaardig. En ten tweede ontmaskert de man zichzelf als iemand die wil stralen met cultuur die hij eigenlijk niet bezit, want het gaat hier echt om een verschrikkelijk beroemde uitspraak. Hij wekt de indruk van tweedehandsheid, van de bron niet precies te kennen – laat staan het origineel te hebben gelezen
En het maar uit een weekblad te hebben gehaald, of zelfs een krant.
Dat herinnert aan de voorzitter van de partij van die politicus, Bart de Wever – ik weet niet waarvoor hij staat, heb dus ook niets tegen hem. Maar een jaar of drie geleden liet zijn partij eens weten dat hun voorzitter een voordracht gehouden had aan de universiteit van Heidelberg. In werkelijkheid had hij gesproken voor een studentenvereniging – zo een met petten en bierpotten, iets dat ontstaan is in de bevrijdingsstrijd tegen Napoleon, maar dat intussen ook aan Duitse universiteiten toch tamelijk marginaal is. Dat trouwens ook in de heimat van de heer De Wever nog een paar even weinig baanbrekende afleggers heeft. Zijn optreden stelde dus minder voor dan waarvoor ze het wilden laten doorgaan.
Mijn romantische ziel… Als ik in Heidelberg ben, ga ik nooit spreken voor zulke folkloristische genootschappen. Liever – en dat is vooral het geval sinds mij door het einde van mijn verloving zoveel optredende kussen ontgaan – ga ik bij de burcht op zoek naar de bosschage waar Goethe Marianne von Willemer gekust heeft.
Daar mijmer ik dan.

CcAed

‘Was mich nicht umbringt…’ staat in de ‘Götzendämmerung’ (KSA 6, 60). Het komt (met lichte varianten) ook elders in het werk van Nietzsche voor. (O.a. KSA 6, 261.)

 

 

error: Kopij bescherming !!