Hermans’ idee, Walschaps meesterwerk en de gerechtigheid.

 

mei 2017. Lucas Mariën

 

Walschaps pleidooi voor de instelling van een rechtsorde. De diefstal van de Rechtvaardige Rechters als literaire vorm. Uitdaging door Hermans? De eerste Nederlandse klassieke roman. Algemeen in plaats van bijzonder. Anti-naturalisme. Mythische taal. Klassieke elegische toon. Onverbiddelijkheid van het lot. De Heilige Drievuldigheid: Multatuli, Walschap, Hermans.

 

 

In het midden van de jaren ’50 is het onmogelijk geworden de jonge Willem Frederik Hermans nog over het hoofd te zien. Gerard Walschap is op dat moment al tot op zekere hoogte gearriveerd. Het homerische gevecht met het katholicisme heeft hij gewonnen. In 1955 verschijnt ‘Salut en Merci’ zijn definitieve afrekening met die wereld. Dat het niet gelukt is hem tot zwijgen te brengen is ook te danken aan invloedrijke stemmen uit het noorden, Simon Vestdijk, Menno ter Braak, die het voor hem hebben opgenomen. Hij heeft in de jaren ’30 en ’40 belangrijke romans geschreven, Sibylle, Houtekiet, maar in 1957 verschijnt De Française, een meesterwerk dat uitdrukkelijk bedoeld is als ‘klassieke’ roman.

Ik denk dat hij in die tijd, in dat opzicht, een leerling is geworden van de jongere Willem Frederik Hermans. Walschap had natuurlijk het genie van Hermans herkend. Hij volgde hem, nam het voor hem op en dreigde zelfs met ontslag uit de redactie van het Nieuwe Vlaams Tijdschrift toen een zekere Maurits Roelants daarin in 1952 begon te schrijven dat de vervolgers van Hermans gelijk hadden – het ging over dat proces wegens belediging van het ‘katholieke volksdeel’. Walschap koos partij voor de jonge collega en Roelants moest een toontje lager zingen.

Hermans schreef in 1953 zijn belangrijke essay over Experimentele Romans. Daarin stelde hij vast dat er eigenlijk geen Nederlandse klassieke roman bestond. De Max Havelaar bijvoorbeeld, zegt Hermans, dat is in feite een experimentele roman. Het modieuze gepraat over de experimentele roman op dit moment leidt tot niets, en het belangrijkste experiment dat een Nederlandse schrijver zou kunnen nemen, zou erin bestaan een klassieke roman te schrijven. En de ‘klassieke roman die mij voor ogen staat (is) misschien nog niet geweest’. (Hermans VW 11,125.) Het spreekt vanzelf dat dit een uitdaging is.

Gerard Walschap nam ze aan.

Hij is iemand die het altijd weer beter wil doen. Een boek dat gepubliceerd is, is weg, is meteen vergeten. En hij begint aan een nieuw met het gevoel en de ambitie dat hij nu eindelijk zijn definitieve werk zal schrijven. Zijn brieven getuigen overvloedig van deze ingesteldheid. Walschap, steeds op zoek naar nieuwe uitdagingen, wil ook de Vlamingen opstuwen in de vaart der volkeren. Allicht is hij tot de bevinding gekomen dat de bevrijding van dat volk het best ondersteund kon worden door een klassieke kunst, een inzicht dat ook bij Van Ostaijen bestaan heeft. En Walschap gaat dus aan het werk en schrijft de roman die Hermans mist. Er kan geen twijfel over bestaan dat de classiciteit van De Française uitdrukkelijk bedoeld was, dat heeft de schrijver zelf herhaaldelijk bevestigd. (O.a. Album GW, p. 116.) Doorgaans had hij een ongelooflijke gemakkelijkheid bij het schrijven. Hij schreef zijn boeken in één ruk neer, in enkele weken tijds – hoe lang hij die dan had meegedragen in zijn hoofd, weten we niet. Maar De Française was moeilijk, die heeft hij wel twee en een halve keer moeten schrijven, zegt hij: ‘Dit boek is voor mij een technische krachttoer geweest die bovendien volkomen moest beantwoorden aan mijn opvatting van de roman. (…) Ik wilde laten zien tot wat ik in staat was en daarom heb ik mezelf voor een onmogelijke opdracht geplaatst.’ (Album GW, 116.)

Er bestaan klassieke, latere werken, van Hermans o.a., maar die Française van Walschap is zo gaaf, zo volmaakt en aangrijpend… Het boek herinnert door zijn kristallen helderheid, door zijn Attische klaarte – als bij Sophocles, op wie de schrijver uitdrukkelijk alludeert (107) – en zijn mythische karakter geregeld aan de late Goethe, die van de Wahlverwandtschaften.

De lacune die Hermans aanwees, die niet bestaande Nederlandse klassieke roman, die heeft Walschap opgevuld, die roman heeft hij geschapen met De Française.

Het boek behandelt zijn eigenlijke thema: de huichelarij. Het katholicisme is in de literatuur altijd al in verband gebracht met huichelarij, er bestaan grote meesterwerken over, in de eerste plaats natuurlijk de Tartufe van Molière. Ook Rood en Zwart van Stendhal, een mijlpaal in de geschiedenis van de romankunst.

Bij Walschap zijn het vooral die prachtige vrouwenfiguren, die allereerst het slachtoffer worden van de huichelarij. Die er zelfs aan ten onder gaan, zoals Sibylle – en Adelaïde al, in zijn eerste roman. Later heeft Denise er mee af te rekenen en dan vooral die Française. ‘De Française’ en niet Martine, zoals ze heet. Andere romans van hem hebben eigennamen als titel: Adelaïde, Erik, Carla, Sibylle, Denise, Tor, zuster Virgilia. Maar hier gaat het niet meer om het individu, maar om de soort. De personages zijn principes, ideële maskers. ‘Eerder personificaties dan psychologische portretten’ had Hermans in Experimentele Romans als kenmerk van klassieke personages gepostuleerd (VW 11, 125).

De familie waarvan Cel, de geliefde van de Française, een spruit is heet Allemans, d.i. Elckerlyc of iedereen! Ook hier gaat het niet om het particuliere, maar om het algemene. Martine offert zich op voor Cel Allemans, maar op een symbolisch vlak doet ze dat voor het hele volk dat door hem wordt gerepresenteerd.

De roman vertelt het verhaal van de onmogelijke liefde tussen de Française en Cel Allemans, een Vlaamse plattelandsbewoner die door zijn familie en hemzelf eigenlijk was voorbestemd om priester te worden. Maar dat wordt hem belet omdat hij het ‘onwettig’ kind was van een van de ‘tantes’ en vermoedelijk ‘een onderpastoor die bij de Allemans in en uit liep’ (43): ‘De eer van de geestelijke stand duldde Cel niet, het canonieke recht was op dat punt nadrukkelijk.’ (t.a.p.) Het noodlot in de gestalte van het kerkelijk recht en de ‘eer’ van de priesterkaste gooit een levensproject uit zijn baan. Ogenschijnlijk staat de liefde tussen de Martine en Allemans daarna niets meer in de weg, maar het katholiek systeem wil nog een woordje blijven meepraten. Het paartje wordt bewaakt, gecensureerd, verstikt, gecontroleerd door een apparaat van tantes, onderpastoors, hospita’s en een gepensioneerde politiecommissaris waarbij vergeleken de Stasi in de DDR een clubje van amateurdetectives was. Als aan het licht komt dat ze niettemin een liefdesrelatie hebben, staat de wereld op zijn kop. De grootste schuld treft de Française, die Cel tot goddeloosheid verleid heeft: ‘De Franse feeks trok God door de modder van haar onkuisheid.’ (77) Reddeloos gevangen in de netten van bekrompenheid en huichelachtige katholiciteit, ziet het paar geen uitweg meer. De Française offert zich op voor haar geliefde die, daarvan is ze overtuigd, weer een toekomst zou hebben als zij niet in de weg stond. Ze pleegt zelfmoord. Nóg een vrouwenfiguur dus, die door het systeem ten onder gaat. ‘Offerlam’ (107) noemt de schrijver haar en… Antigone (107).

In De Française is niets meer naturalistisch. Alles is generisch, is masker ook, en overtrokken met een klassieke melancholie. Het offer van Martine wordt vergeleken met ‘de dood van Antigone’ (107).

In Sophocles’ Antigone sterft de heldin omdat ze haar broer Polyneikes begraven heeft tegen het bevel in van koning Kreon. Maar volgens haar bestaat er niet alleen een wet van de mensen, maar ook een, ongeschreven, van de goden. Die bepaalt dat je een gestorven broer niet op het veld laat liggen, als voedsel voor raven en hyena’s. Zij gehoorzaamt, zegt ze, aan het goddelijk recht, al moet ze de wet van de mensen daarvoor overtreden. Het punt is, dat het goddelijk recht het eigenlijk menselijke is, en het menselijke alleen maar tiranniek. Bertolt Brecht, die zich intensief met het stuk heeft beziggehouden, stelt dat door toedoen van Antigone:

onder de dierenschedels van een

barbaarse offercultus uit oeroude tijden

opstond, groot, de menselijkheid.

(Brecht. GW 6, 2328.)

 

Net voor de tragische afloop van De Française schijnen – zoals het in een tragedie past – Martine en Allemans nog even te kunnen ontsnappen. Ze hebben een onderkomen gevonden in een pension. Maar de agenten van de duisternis zijn waakzaam en ze hebben de politie aan hun kant, die het etablissement binnendringt en aanstalten maakt om het zondige paar te arresteren. Allemans vraagt de commissaris dan naar het juridisch fundament voor diens handelen:

‘Dus, meneer de commissaris, u arresteert ons. Met welk recht, meneer de commissaris, arresteert, pardon, dwingt u de juffrouw mee te gaan.’

Het antwoord van de commissaris is meer een raad en een bedreiging dan een antwoord:

‘Vraag de mannen der wet nooit naar hun recht, zij zijn de Wet en het Recht.’ (98)

 

We bevinden ons dus, door toedoen van de ‘onbuigzame rechtvaardige’ zoals Brecht Antigone noemt, en haar vriend, in de wereld van de Rechtvaardige Rechters. De diefstal van het paneel uit het Lam Gods als groot symbool, als de schepping van een leegte in de plaats van wat de Rechtvaardige Rechters symboliseren, krijgt hier een literaire vorm. De Française-Antigone sterft voor het goddelijk recht, voor het recht van de Allemansen die Walschap wou ‘opstuwen in de vaart der volkeren’. Recht dat in de plaats zou komen van het niet-recht van zompige pijen en dempige soutanes, van het uit bekrompenheid, huichelarij en fanatisme bestaande systeem van onderdrukking.

Is Martine voor niets gestorven? De zaak Dutroux heeft aangetoond dat er in Tartufistan nog altijd geen echte justitie bestaat – maar niet alleen die. We hebben sindsdien nog besmodderde kamizolen gehad wier misdaden gelukkig net op tijd verjaard waren, magistraten die onverhoeds, walgend hun carrière beëindigden en grootscheepse onderzoeken die werden opgezet en met een sisser afliepen, de vragen waar het om ging als steeds onbeantwoord.

De ondergang van De Française staat aan het einde van een onverbiddelijke ontwikkeling. Walschap spreekt over ‘de onafwendbaarheid van haar lot’ (109). De dwingende baan van het noodlot wijst natuurlijk ook in de richting van de klassieke tragedie. Uitgesproken realistisch, laat staan naturalistisch is Walschap nooit geweest. Hij streefde van bij het begin naar een klassieke kunst. In De Française is hij klassiek geworden.

In een brief aan een (vanzelfsprekend toen ook al) incompetente en ideologisch misvormde criticus schrijft de jonge Walschap in november 1930 dat het zijn ambitie is ‘één enkel boek te schrijven waar een heel volk zich kan aan vasthouden’ (Brieven 1, 207). De Française zou dat boek kunnen zijn – in een ander land, waar een zekere literaire cultuur bestaat en waar belangrijke schrijvers niet decennialang worden vervolgd met laster en kwaadwillige verkeerde interpretaties.

Vanzelfsprekend is Walschap in Huichelarije nooit gerecipieerd, zoals ook Van Ostaijen niet gerecipieerd is.

Er bestaat geen kritiek op enig, laten we zeggen: academisch, niveau – op überhaupt enig niveau.

In plaats van te liggen urmen over het geloof van Walschap, zo’n brave mens die ‘in de grond’ altijd al een ‘mensch van goeden wil’ was geweest en die in de huidige postconciliaire tijd zeker katholiek zou zijn gebleven…

Dat is een voorbeeld van zulke laster.

Hij was klaar en duidelijk een atheïst. Dat was een gevolg van een denkproces en die houding zou niet beïnvloed worden door een periode van wat meer slijm strijken, in plaats van vervolgen.

De toestanden in De Française worden niet uiteengezet, ze onthullen zich, zoals past in een mythisch taalgebruik. Er is een stand van zaken die zich manifesteert zonder dat de schrijver daar uitleg bij moet geven. Het boek wordt gekenmerkt door een volmaakte literaire autonomie, het op zichzelf betrokken zijn van de klassieke tekst, en door het koele benadrukken van de vorm.

Alles is concreet, alles spreekt voor zich.

De melancholische nuchterheid waarmee de onmacht om iets ten goede te veranderen aan het licht komt is een klassieke melancholie. Er is geen emotionele reactie meer op het onrecht, zoals nog in de vroegere romans van Walschap: zijn klacht is elegie geworden. De huichelarij wordt monumentaal zoals dat alleen is voorgedaan door Molière in zijn Tartufe.

De zoekers naar ‘het goede’ bij Walschap, naar het indegrondse, raken niet uitgejammerd over de grote oorlog tussen hem en het obscurantisme in de jaren ’30 en ’40. Ze zien niet dat een klassieke roman als De Française, uit een periode toen de strijd bekoeld leek, veel definitiever, veel onherroepelijker, veel schadelijker voor hun winkel is dan die vroegere romans, die hun voorgangers al zo ongelukkig hebben gemaakt.

Er is een interessante, echt klassieke vorm van zonnesymboliek bij Walschap en Hermans – maar daar kom ik elders op terug.

Verwerping van een teleologisch perspectief zoals dat elders bestaat, in het katholicisme, maar ook bij Hegel en zijn volgelingen.

Met dat al bereikt Walschap een antinaturalistische, klassieke stijl die in de moderne Nederlandse literatuur verder alleen nog bij Hermans voorkomt, en bij Multatuli – die in een veel hogere mate een klassiek schrijver is dan algemeen wordt aangenomen. Cfr. Woutertje Pieterse, cfr. inzichten over literatuur in de Ideeën.

De moderne Nederlandse literatuur heeft drie grote, onsterfelijke schrijvers voortgebracht: Multatuli, Walschap en Hermans. Dit is de Heilige Drievuldigheid van onze literatuur.

De Ecologische Klassiek is hun in vrome aanbidding toegedaan. Ecologisch zijn wij, omdat we de literatuur en de opvattingen over literatuur willen bevrijden van aanslibsels en vervuiling. Klassiek – omdat we niet anders proberen te werken dan in ijverige navolging van deze meesters.

 

error: Kopij bescherming !!