Gerard Walschap, Van Eycks Madonna en de optredende kus (1).

 

 

De inrichting van ons detectivebureau.

 

Februari 2017. Coralie Coloratuur.

 

 

“Ook hier treedt de kus weer op.”

(Elke Brems, 212)

  

 

1

Ik had wel eerder terug willen zijn.

Oponthoud gehad in Napels, doordat ik onverwacht tijdelijk verloofd raakte met een prachtige Napolitaan die bij nader inzien toch tegenviel, vooral zijn moeder. Die wist namelijk geen geestdrift op te brengen voor een beeldige oranje bruidsjurk die ik in een boetiek in Rome gezien had. Daar had ik voor een college van kardinalen een voordracht gegeven – ik bedoel in Rome, niet in die boetiek natuurlijk.

En opspelen dat mamma mia deed, dat ze geen schoondochter wou hebben ‘die er bijloopt als een sinaasappel’! Het spreekt vanzelf dat het me verschrikkelijk veel moeite kostte om ons vorstenhuis niet meteen te wreken en dat wijf te merken met mijn nagels, Oranjegezind als ik ben, en ik hoop van onze lezers hetzelfde.

 

Intussen stapelen de dingen waarover ik moet schrijven zich op.

 

Misschien kan ik later nog eens terugkomen op mijn Italiaanse avonturen. Op dit moment moet het volstaan… mijn taak is zo gigantisch dat ik wellicht onbewust teruggeschrokken ben en langer verloofd bleef dan strikt nodig was geweest. Die schoonmoeder wou er namelijk ook een kerkdienst bij hebben; meer dan een abate werd op me afgestuurd om me theologisch voor te bereiden op een christelijk huwelijk. Onze trouwe lezers zullen al een voorgevoel hebben, hoe ik die abates zélf met de mond vol tanden deed staan en geloofscrisissen uitlokte. Waar beginnen we dus mee?

 

2

Bij het opzetten van deze website zijn we ervan uitgegaan dat er meer licht in de zaak van de Rechtvaardige Rechters kan worden gebracht met behulp van historische semantiek en recontextualisering. Dat is vergelijkbaar met wat detectives doen in films: ergens in hun hoofdkwartier hebben ze een muur of een groot bord waarop ze de foto’s hangen van het slachtoffer en zijn entourage, maar ook van verdachten, firma’s, gebouwen, auto’s enzovoort. Met een dikke viltstift schrijven ze er hier en daar een naam bij, of een trefwoord. De veronderstelde motieven van de daad… Naarmate het onderzoek vordert, kunnen er verbindingslijnen tussen de individuen worden getrokken en er ontstaat een web, een netwerk. Verwijzingen, parallellen, verbanden; naarmate het weefsel dichter wordt krijgen de speurders een beter inzicht in de verhoudingen.

Ik ben van plan te gelegener tijd nader in te gaan op deze manier van werken, maar ik heb de indruk dat het medium, de webstek dus, zich minder leent tot diepgravende theoretische beschouwingen. Mijn essay in verband daarmee zal dan ook in boekvorm verschijnen, tenminste als het leed dat mij ten gevolge van die voorbije verloving nog bedrukt wat meer geleden is.

 

3

Op ons detectivebord kunnen we lijnen trekken van de Rechtvaardige Rechters – naar Van Eyck vanzelfsprekend – maar ook naar Gerard Walschap. Er is een complex Rechtvaardige Rechters – Van Eyck – Dürer, maar ook een Van Eyck – Walschap – Goethe – Kafka. En Walschap – kardinaal Mercier als Opperste Rechtvaardige Rechter.

 

We zien foto’s van personen en we maken er personages van. We zien personages op het beeldscherm verschijnen, maar wij moeten proberen het scenario te reconstrueren, de tekst waarnaar ze spelen. We zijn als taalgeleerden bij een tot dusver onbekende volksstam: we horen klanken, maar de grammatica en het woordenboek van de onbekende taal moeten wij daar nog uit afleiden. Een man komt een kamer binnen waar een besmeurde zware kandelaar op de vloer ligt. Als we dan achterhalen dat dit personage een politieman is en dat achter het bureau ook nog een dode ligt, dan kunnen we zelf al enkele gevolgtrekkingen maken.

 

Dat is bijvoorbeeld ook wat Lucas aan het doen is met Walschaps roman ‘Sibylle’, die een grote rol zal spelen in de volgende afleveringen van deze bijdrage. In die roman heeft Walschap op een moment van uiterste nood en angst voor de existentie van zijn gezin met kleine kinderen op aandringen van zijn entourage (i.c. Marnix Gijsen) vier bladzijden geschrapt en weggegooid. Lucas werkt aan de restauratie van die roman, ‘een geschonden meesterwerk’ zoals hij hem noemt. Uit de hele Walschap – en speciaal die van 1938, toen het boek verscheen, – uit de kennis van de omstandigheden van die tijd en vooral van het paradigma waarnaar de schrijver werkte, zou het mogelijk wezen het boek met een zekere waarschijnlijkheid te restaureren. Zo wordt Mozarts requiem gespeeld, hoewel het fragment gebleven is – de aanvullingen die nodig zijn om het te kunnen uitvoeren zijn er door anderen bij geschreven.

 

Op die manier dus willen we de affaire van de Rechtvaardige Rechters oplossen. Eerst zetten we maar eens alles wat er op een of andere manier verband mee houdt op ons bord. Hoewel we tegelijk willen waarschuwen tegen Melissa Baghijn, die in opdracht van de CIA van onze lezers detectives wil maken. Detectives zijn ongevaarlijk, handlangers zoals Melissa zelf.

Wij daarentegen vormen onze lezers tot filosofen. De manier waarop iemand als Marc Reynebeau in zijn vele pogingen om iets te zijn o.m. ook geprobeerd heeft een filosoof te schijnen, toont onmiskenbaar aan dat dit de ware glamour is.

 

4

Uitgerekend in het voorjaar van 1934, het moment dat de Rechtvaardige Rechters gestolen worden, komt het tot een eerste  hoogtepunt in de vuile oorlog van het katholieke systeem tegen Gerard Walschap. In ‘De Standaard’ schrijft de helft van de Vl. min of meer schriftkundige paters over wat literatuur volgens hen zou moeten zijn en wat Walschap zou moeten schrijven, terwijl de andere helft zich met evenveel verstand en kennis van zaken wijdde aan dat andere geliefkoosde thema: de vrouw – meer hierover in de volgende afleveringen, waarin ook de vraag of Stientje Hemmerechts een vrouw is beantwoord zal worden. Ze hadden nog niet geleerd, toen, een schrijver gewoon dood te zwijgen en achter de schermen te belasteren. Als Walschap uitbreekt zijn ze oprecht verontwaardigd. Dat iemand hun gesloten systeem verlaat en zelfs onthult hoe het in elkaar zit, is zo ongehoord dat ze zich te buiten gaan aan orgieën van vervolgingslust. Zonder die vuilschrijver, die pornograaf Walschap, zag het er allemaal juist zo goed uit.

 

Einde april 1934, veertien dagen na de diefstal van de Rechtvaardige Rechters, staat alles in het teken van de nieuwe klerikaal-fascistische grondwet in Oostenrijk die op 1 mei wordt afgekondigd. Het gejuich is niet van de lucht. ‘De Standaard’, een plaatselijke antisemitische en fascistische gazet, komt van de luchtsprongen haast niet meer op de begane grond, behalve dan om maar weer eens een pater zijn ongekwalificeerd licht te laten schijnen over ernstige esthetische en literaire vragen en intussen, meestal geniepig maar niet zelden ook openlijk, op te roepen tot hetze tegen de grote schrijver Walschap.

Wenen wordt gezien als de eerste dominosteen die omvalt.

Drie jaar tevoren is de encycliek ‘Quadragesimo Anno’ verschenen die een corporatistische, solidaristische maatschappijvorm eist, als tegenmodel, zowel tegen het communisme als tegen de liberale democratie. Gildehuizen rijzen in alle grotere dorpen uit de grond, ‘gemeenschapsruimtes’ waar het solidaristische ‘gemeenschapsleven’ zich zou afspelen. Er wordt gestreefd naar een restauratie van het middeleeuwse gildewezen, het solidaristische, corporatistische maatschappijmodel. ‘De gilde viert, de gilde juicht,’ galmt het uit alle kelen, het schone volksche lied  van de toekomstige propagandist van de Gleichschaltung in het culturele leven, Emiel Hullebroeck. Hullebroeck kon zijn ideeën over de organistie van het cultuurbedrijf tijdens de bezetting omzetten in de praktijk: er was nauwelijks een verschil met die van de nazi’s. In zijn baanbrekend werk over de vroege Nederlandse schilderkunst had Max Friedländer in 1924 gewezen op de betekenis van juist de bevrijding van Jan van Eyck uit dit gildesysteem. Filips de Goede nam hem in zijn persoonlijke dienst en verloste hem daardoor van die gildeverplichtingen. Zo kon de kunst beginnen. Ik neem op deze webstek twee fragmenten uit het Ongeschreven Boek op, waarin dit ter sprake komt.

 

5

1934: Net een jaar eerder is Hitler aan de macht gekomen. Zijn regime wordt door de kerken afwachtend-positief opgenomen – zoals steeds is er hier of daar een priester die uit de band springt en protest laat horen en die ze, als het verkeerd uitdraait, later heilig kunnen verklaren.

 

Het kan niet worden beweerd dat het thema van de Rechtvaardige Rechters niet actueel was in 1934, het rechtvaardige bestuur, de ‘juiste’ maatschappij, de ‘ware’ maatschappij. Een belangrijke theoreticus daarvan is de Oostenrijker Othmar Spann met ‘Der Wahre Staat’ van 1921, voorbeeld voor Dollfuß, door wiens toedoen in Oostenrijk ‘De Standaard’ omstreeks de eerste mei zo volhardend juichend in de lucht hing.

In ‘Taboe Collaboratie’ (1987) schrijft Louis van Roy over de propaganda die in de jaren dertig zoveel jongeren voorbereidde op wat dan in de Tweede Wereldoorlog de collaboratie zou worden. De jeugd moest meewerken, schrijft Van Roy, aan de ‘voorbereiding tot een verdiepte revolutie waardoor het mogelijk zou worden de “ware orde” te vestigen’. We hebben eerder al over een ander ‘herstel’ geschreven, namelijk dat van de ‘ware’ filosofie (te vinden in ‘Koehns Kamer (i)’, mei 2016).  

Paus Leo XIII zette zich in voor ‘het herstel van de ware filosofie’, zoals in het zendschrijven ‘Dum vitiatae’ van 1880 staat, dat gewijd is aan de ‘dwalingen’ van de eigentijdse filosofie die ‘de maatschappij tot ontbinding jagen’ (ad dissolutionem compellunt). Ik schaam me nu wel een beetje dat ik toen zo onverbloemd over Leo XIII schreef, mijn lievelingspaus, met wie me een familiegeheim verbindt. Ik hoop nog steeds dat ik Lucas ertoe zal kunnen bewegen, dat familieschandaal uit zijn grote boek te schrappen. Mij steunend op zijn eigen theorie, dat literatuur niets met de werkelijkheid te maken heeft. Dan kan hij toch net zo goed een verzonnen schandaal in zijn boek zetten! 

In 1933 werd in Leuven de twintigste ‘Vlaamse Sociale Week’ gehouden, die helemaal gewijd was aan ‘Het herstel der sociale orde’. Het ‘volledig verslag’ van die week is te vinden in de Antwerpse universiteitsbibliotheek MAG-coll. 218.1.20.

De arrogantie waarmee de pausen alles wat niet kerkelijk is afdoen als vals, verkeerd, en wat, ergo, vervangen moet worden door een wahahaare orde, filosofie, maatschappij, kunst ook – wij kunnen ons die nauwelijks nog voorstellen. In het grote masterplan dat omstreeks 1890 tegen de valse filosofie in werking trad, was een grote rol weggelegd voor de katholieke universiteit van Leuven, in de schoot waarvan een Institut Supérieur de Philosophie werd opgericht van waaruit de wahahaare φ zou moeten uitstralen over de hele wereld – dat was dus de neothomistische of neoscholastieke zg. ‘wijsbegeerte’. De leider van het project was (de latere kardinaal) Joseph Désiré Mercier. Die had, in tegenstelling tot de meeste professoren uit Heidelberg, Jena en Berlijn die tot zwijgen gebracht en overtroffen moesten worden, geen doctorsgraad. Klein nadeel, maar geen nood: de paus benoemde hem gewoonweg tot doctor, en wel, uiteraard, in de filosofie: ‘Le Pape conféra lui-même à Mercier le doctorat en philosophie …’ (De Raeymaeker, 48.)

 

Mercier (in het midden) op de Internationale missietentoonstelling, Rome 1925.

Hier hebben we hem dus, Kardinaal Mercier, de ‘primaat van België’, die we op ons bord van verdachten en verdenkingen een fijn plaatsje zullen geven. Mercier zal voor de hele wereld de ‘renaissance du thomisme’ symboliseren (Fabrègues, Maurras 233). Hij was een ‘maȋtre penseur’ voor André Maurras (Fabrègues 309), de leider en voordenker van de fascistische ‘Action Française’. Maurras  noemt hem ook ‘le grand juste’, wat we best kunnen vertalen met ‘de Opperste Rechtvaardige Rechter’.

 

Merciers bedoeling was om o.a. met behulp van het Institut Supérieur de Philosophie een elite te vormen die de macht, niet alleen in de filosofie, maar ook in de staat, naar zich toe zou trekken. Om dan te komen tot een orde, gegrondvest op een ‘filosofische maatschappijopvatting’, een ‘conception philosophique de l’état’ (Goyau, Mercier. p. 73). Dat was vanzelfsprekend niet de maatschappij van Marx, ook niet die van Kant of Hegel. Die waren immers maar valse filosofen. Mercier eist daarentegen de waarheid en het recht op voor zichzelf en voor een aantal andere obscure katholieken van wie geen mens ooit gehoord heeft: hij ‘révendique sans cesse la justice’ (Goyau, 2). Hij nam met andere woorden trekken aan van dé Rechtvaardige Rechter an sich. Om volledig te zijn: an und für sich.

 

Dat mag u ook zeggen, lezer, an und für sich en vooral transcendentaal. Vergeet dat vooral niet, transcendentaal  te zeggen! Dan weet iedereen direct dat je als filosoof ernstig genomen moet worden. Later zul je kunnen zeggen, ik heb Coralie als lerares gehad in het vak filosofie, ik mag zoveel ‘an und für sich’ zeggen als ik wil, en ik zeg ook ‘transcendentaal’ zoveel ik wil. Coralie zelf heeft me de titel verleend van filosoferende filosoof van de échte ware filosofie van het Avondland met automatische ware glamourfactor.

 

Haakt u dus niet af, al is de weg nog lang en stenig. Ook niet als we soms wat ingewikkelder vraagstukken moeten behandelen. Even de ogen sluiten, concentreren, de moeilijke dingen nog eens herlezen – en te gelegener tijd uw echte filosofentitel ontvangen.

 

En vergeet nooit: de zaak Rechtvaardige Rechters zal niet worden opgelost door detectives – maar door filosofen!

 

 

 

 

 

 

 

error: Kopij bescherming !!