Apoftegmata. De kinderschoenen van de literatuur?

 

Lucas Mariën. December 2016. Herzien op 14 februari 2019.

 

In de universiteitsbibliotheek van Leipzig is er een tentoonstelling aan de gang over de manier waarop teksten worden gepresenteerd – met paginanummers, titels, noten enzovoort.[1] Veel van die voorstellingswijzen zijn omstreeks 1500 ontstaan, met het begin van de boekdrukkunst, en hebben zich tot nu toe min of meer gehandhaafd. Bij die belangstelling voor de jonge boekdrukkunst komt nu ook nog de herdenking van het begin van Luthers revolutie in 1517. Die wordt, meer dan vroeger, gezien als een mediale revolutie. De huidige nieuwe, digitale, mediale revolutie geeft er aanleiding toe, dat we onze blik scherpen voor gelijkaardige gebeurtenissen in het verleden.

Ik wil hier niet aan literatuurgeschiedenis doen, ook niet aan literatuurtheorie. Ik wil op dit moment alleen verklaren waarom ik de apoftegma-rubriek op deze website open.

Ten eerste doen de materiële veranderingen in de productie van literatuur de vraag rijzen naar het blijvende doorheen die transformaties. Dat is dus de vraag naar het eigenlijk literaire, het wezenlijke van de literatuur – ik geloof dat de filosofen de jongste tijd zouden willen verbieden deze vraag te stellen, maar de filosofie van de voorbije decennia moeten we niet al te zeer au sérieux nemen.

Ten tweede interesseert een onderneming als Het Paradigma zich vanzelfsprekend voor de praktische, materiële gevolgen van die mediale revolutie. We willen uitzoeken hoe we de grotere mogelijkheden die we dankzij de elektronische media krijgen, voor de literatuur kunnen gebruiken.

2

De Griekse zanger die op een dorpsplein een epos vertolkte of de troubadour die van burcht tot burcht trok om zijn werk ten gehore te brengen; of ook nog de Antwerpse geuzen die de muren in het stadscentrum ‘s nachts volplakten met onder levensgevaar geschreven en gedrukte liedjes, pamfletten en prenten; tenslotte de romanschrijver die bij het licht van een elektrische lamp met de hand of later met de schrijfmachine vel na vel volschreef – of ‘schrijfboeken’ volschreef, zoals Gerard Walschap… Deden al deze mensen iets anders, of deden ze ‘in wezen’ hetzelfde?

De Franse modefilosoof Michel Foucault heeft een beroemde tekst geschreven, ‘Qu’est-ce qu’un auteur’, waarin hij alle schrijvers over dezelfde kam scheert. Wie op een verpakking uitlegt hoe lang een voorgebakken ciabatta in de oven moet; wie zoals monseigneur Gaume een standaardwerk schrijft over het wijwater in de 19e eeuw[2]; wie tenslotte een literair meesterwerk schept als de Tartuffe – voor Foucault is dat allemaal hetzelfde. Al deze mensen noemt hij ‘auteurs’, van welk fenomeen hij volgens zijn titel een definitie wil leveren. Maar een vrouw die voor haar kinderen een gezonde en voedzame soep kookt, doet die eigenlijk wel hetzelfde als de heksen in Macbeth, die op de hei met drakenbloed, wolfstanden en ingewanden van padden en slangen in een smerige ketel een toverkunstig brouwsel vervaardigen – dus ook soep koken? Dezelfde naam voor verschillende dingen – die namen zijn dan equivoque, d.w.z. dezelfde vlag, maar een andere lading. En de equivociteit, het als schijnbaar gelijke parameters gebruiken van verschillende termen in een redenering, is al in de logica van Aristoteles als fout ontmaskerd. Dat is een – maar niet de enige – reden om die tekst van Foucault naar de prullenmand te verwijzen – een tekst waarvan het onbegrijpelijk is dat hij zo lang zoveel gezag heeft gehad. Maar Foucault maakt dus ostentatief geen onderscheid tussen een literaire en een andere tekst. En het is vanzelfsprekend niet gemakkelijk de gedichten van prof. Hugo Brems op het eerste gezicht te onderscheiden van die van Van Ostaijen, die Brems geïmiteerd heeft. Dat ze gefabriceerd klinken, illusoir zijn, een valse toon hebben, een gebrekkige vormbeheersing en dat ze bovendien compleet gespeend zijn van ideeën en scheppend vermogen, dat ziet waarschijnlijk alleen de kenner op het eerste gezicht. Of toch niet – het is een slecht gekozen voorbeeld.

Niets lijkt zo sterk op een Stradivari-viool als een fabrieksmatig geproduceerde viool met een vals Stradivari-etiket, en het vereist een zekere kennis om het verschil te zien. Hoe beter de imitatie is, hoe moeilijker het wordt. Daarom kunnen mensen als Foucault ook ontkennen dat er een verschil IS – op andere ogenblikken doen ze alsof ze fijne kenners zijn. Veelal hebben ze zelf de ambitie gehad om schrijver te worden, hebben het slechts tot filosoof gebracht, en hun kleineren van de kunst berust op rancune.

Het is een verworvenheid van de vorige eeuw, dat ressentiment – manifest bij publicisten als Benjamin, Roland Barthes, Derrida – salonfähig te hebben gemaakt. In ieder geval hebben de genoemden ertoe bijgedragen dat er – grosso modo sinds de Tweede Wereldoorlog – geen normen meer zijn. Dat, ciabatta of niet, álles literatuur genoemd mag worden – of juist niets meer. Consequent doorgedacht – als iedere tekst literatuur is, dan kun je beweren dat juist dat wat vroeger prestige had, wat een hoge culturele waarde had, dat dat niet bestaat. En de geschiedenis van het wijwater weegt dan even zwaar als de Max Havelaar. Als gedichten verkocht zouden kunnen worden als schilderijen, dan zou dat anders zijn. Maar zelfs de Elegie van Marienbad heeft in tegenstelling tot een Stradivari geen financiële waarde. Álles is dus literatuur – of juist niets meer? De literatuurwetenschapper Terry Eagleton lost het vraagstuk op door ironisch te poneren dat literatuur wel moet bestaan, aangezien de literatuurwetenschap bestaat.[3] Dat die laatste niets voorstelt, zegt hij er niet bij.

3

De equivociteit kan alleen worden volgehouden als ook aan de tweede grote romantische dwaling wordt vastgehouden, namelijk dat literatuur iets betekent. Dat impliceert een grondige misvatting over het ontologisch statuut van de literaire tekst. De waarheid is namelijk dat hij geen tekst ís, en geen communicatiemedium – daarvoor zou er iets moeten bestaan om over te brengen. De literaire tekst is zelfs niet iets als die heksensoep, hij is alleen maar een symbolische soep, een foto van soep om met punaises op een bord te prikken met het oogmerk de eetlust van voorbijgangers te wekken. Of, als die soepuitbater gek genoeg is, mogelijk zelfs de afkeer van die passanten, dat heeft geen belang. Literaire taal dient niet om iets mee te delen en is in de eigenlijke zin geen taal. Of alleen maar een taal sui generis, zoals de traditie zegt, van een bijzondere aard. De logicus Gottlob Frege karakteriseert literaire taaluitingen als uitingen die ‘noch waar, noch fout’ zijn. Het gaat in hun geval niet om de mededeling van iets, maar om ‘fictieve creatie van een waarheids-indifferente werkelijkheid’. Werkelijkheid?

Passons.

Zoals een partituur geen voorstelling is van witte en zwarte bolletjes, lijnen en streepjes, zo is literatuur geen afbeelding van iets. Als ik in een roman schrijf dat water kookt op tweehonderd graden, dan is dat geen fysische wet. Het is ook niet per se een aanwijzing dat ik onwetend ben. Het wil niets meedelen, maar de lezer in een bepaalde toestand brengen: verbazing, ergernis, medelijden, hilariteit, al naargelang. De inhoud van een roman verschilt in die zin niet van de inhoud van een symfonie – namelijk dat er geen is.

Aan de zogenaamde literatuurwetenschap van de voorbije decennia moeten we niet zwaar tillen – had ik dat al gezegd? Intussen is het moeilijker dan in het verleden om het fenomeen literatuur te leren kennen. Was het Coralie Coloratuur niet, die in haar eerste tekst op deze site klaagde over het feit dat het publiek bedrogen wordt. Dat het niet alleen giftig eten moet consumeren, maar ook giftige kunst?

En voor wie in Tartufistan woont is het alleen maar erger: er is geen traditie, of alleen maar een onderdrukte en vervalste. Er is m.a.w. geen literaire cultuur. Het is zoiets als wijnkenner te willen of te moeten worden in een land waarin er alleen maar foezel te krijgen is. Het publiek wordt systematisch een rad voor ogen gedraaid met rommel. Een zwetser als Cyriel Verschaeve wordt op een voetstuk geplaatst en vijftig jaar lang moet iedereen doen alsof hij alleen al bij het horen van die naam de hoogste geneugten smaakt. Van Ostaijen zou niet in de laatste plaats in ongenade zijn gevallen omdat hij iets onvriendelijks had gezegd over de hoogverheven, zo menselijke en vooral zo katholieke Alice Nahon. Zulke figuren zijn dan onaantastbaar. Kritiek leveren is – niet aan te bevelen voor wie een rol in het literaire leven ambieert. Hugo Claus was al decennia lang alleen nog maar een charlatan, maar bij iedere nieuwe scheet die hij liet vielen ze allemaal van hun stoel van verrukking. Nooit kritiek, nooit vraagtekens. Kritiek bestaat trouwens niet en belangrijke schrijvers als Walschap en Van Ostaijen zijn nooit gerecipieerd. Er bestaan wel scripties over, maar die hebben geen academisch niveau. Er bestaat in Vlaanderen geen discours over literatuur op academisch niveau.

Als dan zo’n figuur als Verschaeve of Claus jarenlang gediend heeft om de imitatie van literatuur in stand te houden, dan laten ze die geleidelijk stilletjes vallen. Ze beginnen dan de literatuur van de ‘anderen’, de echte literatuur te recupereren – ‘binnen te halen’, zoals Willem Frederik Hermans dat noemde.

Iedere ecologische activiteit in de geschetste situatie kan er alleen in bestaan, de heersende toestand te deconstrueren. De begrippen te zuiveren, de fundamenten bloot te leggen. Iedereen weet dat Tartufistan corrupt is, weet sinds Dutroux bijvoorbeeld dat het gerechtelijk apparaat een aanfluiting is van een ware rechtsorde.

Maar de literaire wereld is corrupter.

4

Het epos in verzen heeft bestaan vanaf Homeros tot aan het begin van de Renaissance, om dan quasi met een klap te verdwijnen en verdrongen te worden door de voorlopers van de moderne roman, in de eerste plaats door volksboeken.

Het belangrijkste nieuwe mediale gegeven was dat de consument zélf las, in plaats van te horen voorlezen. Dankzij het gedrukte boek liet de noodzaak van vers en rijm als geheugensteun voor de vertolkers, d.w.z. de voordragers van literatuur zich niet langer gelden.

De door het medium bevorderde of benadeelde kenmerken van de literaire vorm, zoals bijvoorbeeld dat rijm en dat vers in het epos, schijnen alleen maar een vehiculair karakter te hebben. Ze spelen geen rol als het om het ‘eigenlijke’ van de literatuur gaat. Als het niet anders kan, dan kunnen we het drama Tartuffe ook als gedrukte tekst genieten. Meer nog, er bestaan zelfs ‘leesdrama’s’ die de fundamentele beginselen van het genre kennelijk overboord gooien. Procedés die achterhaald zijn kunnen ook opnieuw in de mode komen. Zo grijpt bijvoorbeeld Bertolt Brecht terug naar technieken van de mondelinge literatuur. Hij vertrekt van een kritiek op de consumptie van literatuur: arbeiders hadden geen tijd om romans te lezen, maar ze hadden bijvoorbeeld ook geen goed licht. Wat zou je dan dikke romans zitten schrijven als je niet meteen een verwend burgerlijk publiek op het oog hebt? Anderzijds lazen arbeiders en – misschien wel in de eerste plaats: arbeidersvrouwen – wat bijvoorbeeld op de achterkant van blaadjes van scheurkalenders staat. Brecht was niet de eerste die het genre cultiveert, maar hij schrijft wel een aantal ‘Kalenderverhalen’ die op zulke blaadjes konden worden afgedrukt. Zijn stukken over een zekere Meneer Keuner behoren tot die kategorie. Dit is er een van:

Het weerzien

Een man die meneer K. lange tijd niet gezien had, begroette hem met de woorden: ‘U bent helemaal niet veranderd.’

‘O,’ zegde meneer K. en verbleekte.[4]

Het voor de hand liggende wordt in dit kalenderverhaal onderuitgehaald als niet voor de hand liggend, het compliment wordt ontmaskerd als zijn tegendeel en de arbeider die het op een morgen leest wordt even aan het denken gezet. Daar is het Brecht ook om te doen. In tegenstelling tot de hedendaagse cultuurindustrie wiegt zijn kalenderblad de lezer niet in slaap, maar genereert het een moment van inzicht, een vraagteken, is het een doordenkertje. Misschien wekt het zelfs een soort katharsis, een overblijfsel uit de poëtica van Aristoteles. En de lezer wordt niet bevestigd in zijn staat, maar wakker geschud, ernstig genomen, geëmancipeerd. In vroegere tijden zou het stuk in verzen geweest zijn en had het epigram geheten. We zouden het een proza-epigram kunnen noemen. Het heeft geen belang of we dat lezen op een scheurkalender, op het schermpje van een mobieltje of dat we er in opstoppingen naar luisteren – als audiobook dan. Waar het op aankomt is, of het een literaire ervaring kan bewerkstelligen. Of zulke mini-teksten met andere woorden literatuur kunnen zijn.

Literatuur die nog in haar kinderschoenen staat – en toch al helemaal literatuur is?

De kortste als literatuur herkenbare teksten worden apoftegmata genoemd.

Apoftegma is een verzamelnaam voor dergelijke mini-literaire uitingen: aforismen, fabels, epigrammen, bonmots, raadsels, kalenderverhalen, moppen…

We doen een poging om het (te?) grote te vinden in het kleine. Wie de oceaan wil bestuderen begint er allicht mee, een emmertje water uit de zee te scheppen. En een leerling mecanicien bouwt niet meteen een auto. Hij begint met een stuk ijzer glad en op maat te vijlen.

5

De eerste Nederlander die de uitdrukking ‘het regent pijpenstelen’ heeft gebruikt, in de betekenis van het regent buitengewoon hard, heeft die zoiets als een literaire handeling verricht? Een literaire schepping tot stand gebracht? Welk verschil is er met de prozaïsche, niet-literaire uitdrukking met dezelfde betekenis ‘het regent verschrikkelijk hard’?

Het is zonder twijfel een briljant beeld, vooral als je denkt aan de stelen van die lange Goudse pijpen die onze voorvaderen rookten. Als we de uitdrukking ‘het regent pijpenstelen’ een literair werk zouden noemen, dan zou het een apoftegma zijn – of bestaan er ook apoftegmata die geen literatuur zijn?

In het literaire lexicon van de Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Literatuur (DBNL) wordt het apoftegma gedefinieerd als:

‘Benaming gebruikt (…) voor anekdoten over filosofen, heiligen en monniken, eindigend met een uitspraak die een levenswijsheid bevat.’

Maar het geciteerde kalenderblad van Brecht is geen anekdote, geen fait divers.

Een coureur krijgt een lekke band op de laatste rechte lijn, maar wint toch nog de koers.

Het staat in alle kranten, ze maken een held van hem. Journalisten met een penchant voor het hogere zullen opmerken dat grote kracht en wilskracht niet altijd door pech kunnen worden gedwarsboomd. Sommige zeer diepzinnige auteurs zullen er zelfs aan toevoegen dat het geen toeval kan zijn dat zoiets gebeurt en dat er iets moet bestaan. Maar zelfs dát maakt de opmerkelijke of onverwachte gebeurtenis niet tot literatuur. Logisch gesproken is deze anekdote tautologisch, literair gesproken is de zedeles redundant. En de DBNL is in haar hierboven geciteerde definitie nogal christelijk: middeleeuws.

In een aanbevelingsgedicht voor de fabels van de zestiende eeuwse dichter Edewaert de Dene – de tekst is te vinden bij de DBNL[5]– schrijft Lucas de Heere over de verwachte werking van de dierenfabel:

‘Zoo wordt u ’t wormcruut

met wat suuckers ghegheven.’

We moeten hier als ecologisch-klassiek orgaan even stilstaan bij Lucas de Heere, de eerste die een langere tekst over het Lam Gods schreef, en ons inzetten als correctief voor vervalst literair patrimonium.

De Heere (1534-1584) was lid van een ketterse rederijkerskamer in Gent, ‘De Balsembloem’, een kamer die opvallend genoeg trouwens ook vrouwen opnam. Verschillende mensen uit zijn entourage en van die kamer werden om geloofsredenen vermoord. Hij was bevriend met Marnix van Sint-Aldegonde en werd wegens ketterij tot ballingschap veroordeeld – dat betekende niet alleen het moeten achterlaten van bezit en bibliotheek maar ook van manuscripten, aantekeningen en hele literaire werken – al een eerste aanslag op zijn oeuvre. Dat we dus niet kennen, op een paar geredde fragmenten na.

Toen de hertog van Alva hier aankwam organiseerde hij meteen boekverbrandingen, daartoe aangehitst door de katholieke universiteit van Leuven. Een nobelprijs heeft die boekverbrandersuniversiteit nog niet voortgebracht, maar geen ander instituut heeft zo bekwaam boeken doen verbranden en schrijvers vervolgd. De pas uitgevonden boekdrukkunst werd door Leuven in de eerste plaats gebruikt om lijsten van verboden boeken te vereeuwigen – in 1524 en in 1540. Het waren de voorlopers van de beruchte Index van Verboden Boeken (eerste uitgave in 1559).

Van de Heeres bundel ‘Den hof en boomgaard der Poësien’ is, hoewel hij al gedrukt was, maar één overgebleven exemplaar bekend. Het heeft dus niet veel gescheeld of álles was weg

Het eerste bekende sonnet in het Nederlands is van zijn hand.

Maar in verband met de fabel als ‘suucker’ om de bittere leer te verzoeten is hij nog middeleeuws. De Dene zelf, de auteur van het fabelsboek waarvoor De Heere die aanbeveling schrijft, is in dat opzicht moderner en echt renaissancistisch. Die schrijft in het nawoord van zijn bundel dat zijn fabels de bedoeling hebben “ ‘t verstand (te) vermeeren”. Geen tankwagen met water sturen, maar het publiek leren de nodige waterputten zelf te boren: De Dene gaat al in de richting van de doordenkertjes van Bertolt Brecht. Maar een klassiek theoreticus zal hier niet nalaten te verwijzen naar het landschap van Jan van Eyck, dat de toeschouwer ertoe noopt zich een beeld te vormen, het begin van het denkende individu. Het is het verschil tussen het scholastisch-thomistische wereldbeeld en het moderne. Deze tegenstelling hou ik trouwens voor de ultieme laag in de glacisopbouw van de kwestie Rechtvaardige Rechters.

6

Volgens Van Dale betekent ‘anekdotisch’: ‘van de aard van, lijkend op of als een anekdote / anekdotisch naturalisme, anekdotische poëzie /(schilderkunst) genreachtig. [Voorbeeld:] sommige aquarellen hebben iets anekdotisch.’

En dat impliceert dan dat hun kunstwaarde gering is. Dat ze niet ‘uitstijgen boven het anekdotische‘ zoals in dergelijke gevallen wordt gezegd. Het betekent dat ze beperkt blijven tot de concrete gebeurtenis. En die, de gebeurtenis, is voor de kunst niet interessant, alleen ‘de hoedanigheid ervan’. Dat wist Aristoteles al.

Ook in de oudheid was het apoftegma meer dan een anekdote. Ze werd ‘vaak raadselachtig geformuleerd’ beweert de grote ‘Pauly – Enzyklopädie der Antike’. Zodat de lezer met een vraag blijft zitten. Ongeveer zoals Brecht en De Dene dat zagen. Kennelijk hebben alleen de middeleeuwen daar een uitzondering gemaakt. Zij waren de paria onder de tijdperken.

7

‘Het regent pijpenstelen’ voegt aan de blote mededeling van de hevige regen iets toe, iets esthetisch, iets in verband met schoonheid – misschien zelfs een waarheidsdimensie. Het reveleert een stand van zaken op de manier waarop de kunst volgens Martin Heidegger waarheid onthult: ze doet ze uit de verborgenheid treden. Meer dan de gewone, prozaïsche taalvorm?

Misschien dat de consument er een zeker plezier aan kan beleven, een aha-ervaring die hem dieper beroert dan de gewone mededeling.

De schepper van de uitdrukking wou dat zijn mededeling opgemerkt werd. De oorsprong van het woord, het Griekse ‘apo-phthegomai’ betekent: ‘duidelijk, met nadruk spreken’. De indruk die het geweldige van die regen maakte, heeft haar of hem ertoe aangezet om een overeenkomstige taalvorm te zoeken, iets dat even indrukwekkend was als het natuurfenomeen. En een uitdrukking die treffender was als die van de alledaagse taal. Die vindingskracht werd in de renaissance argutia genoemd. In andere talen wordt het vertaald met expressivité, of brightness, het ‘sprekende’ van het beeld.

Er zijn mensen die niet op zulke dingen komen en die zich beperken tot ‘het regent super extra nijg geweldig keihard’.

Vooral het plezier van het maken ligt aan de oorsprong, zoals aan die van iedere kunst.

Maar hoe geslaagd het beeld ook is, is het al literatuur?

8

Dat is het wat mij bezighoudt: wat maakt een taaluiting literair en wat maakt ze tot literatuur? Wat gebeurt er precies tussen (1) het regent keihard en (2) het regent pijpenstelen. Is ‘literair’ al ‘literatuur’? Soms, altijd en/of wanneer?

Het apoftegma komt in twee opzichten tegemoet aan ons ecologisch-klassiek streven. Ten eerste bij het zoeken naar het wezen van de literatuur – dus wat het IS. Vervolgens – verwant met Brechts vaststelling dat een arbeider eerder een kalenderblad dan een boek leest, schijnt het verheldering te kunnen brengen bij mediale vragen. Het komt ook tegemoet aan de kortheidsbehoefte van de elektronische media, houdt rekening met de wetenschap dat het proces van het lezen aan het scherm anders verloopt dan indertijd onder de leeslamp.

De lezer die dat wil kan hier een experiment of een denkproces volgen. We hebben al enkele apoftegmata gepubliceerd, we gaan daar mee door en bovendien:

9

Geadopteerde apftegmata.

Wat hoger gezegd werd over de zorg voor het patrimonium, de archeologie van een eeuwenlang onderdrukte literatuur. We willen veronachtzaamde apoftegmata opdelven van onder het puin. Dit is het eerste:

Jan Onghena was een Gentse rederijker wiens werk volledig verloren is. Hij was aangeklaagd omwille van zijn ideeën en ze gaven hem de doodstraf. ‘Na het aanhoren van het vonnis zegt Jan Onghena dat hij niet ziek is maar nu toch wel vreest aan deze ziekte te zullen sterven.[6] Dit apoftegma is alles wat er van zijn werk is overgebleven.

Een andere door de katholieken vermoorde schrijver uit de zestiende eeuw was Willem Poelgier. Ook van hem is er alleen een bonmot overgeleverd: ‘Toen hij voor het gerecht bedreigd werd met onthoofding, reageerde hij verontwaardigd met de vraag waar hij dan in het vervolg zijn hoed zou moeten laten.’ (Ramakers, p. 29.)

Ook dit apoftegma adopteren we.

De belangrijkste uit Nederland afkomstige filosoof na Spinoza is wellicht Siger van Brabant, die omstreeks 1280 vermoord werd door een katholieke priester, een tweede keer omstreeks 1900 door de universiteit van Leuven, alwaar een zekere Monseigneur Van Steenberghen op burleske wijze na zoveel eeuwen nog probeerde Siger tot het ware geloof te bekeren.

Siger was vrijwel totaal vergeten, ook in Nederland, hij wordt alleen een paar keer genoemd door Willem Frederik Hermans. Een van zijn inzichten was dat ‘rationes procedunt viis suis’ – kennis zijn eigen wegen gaat. Maar dat komt blijkbaar ook bij andere middeleeuwse filosofen voor.

In afwachting dat we meer te weten komen over Siger adopteren we eerst een apoftegma van de uit Antwerpen afkomstige filosoof Arnold Geulinckx die er (in de zeventiende eeuw) natuurlijk op aangewezen was naar Leuven te trekken. Wat ze daar in geen geval wilden hebben, dat was een echte filosoof, en ze begonnen Geulinckx dan ook zonder aarzelen te vervolgen. Ik heb niet opgezocht of ze hem in een kerker gegooid en eventueel een tijd lang gefolterd hebben, in ieder geval lag hij met de faculteit overhoop, maar slaagde erin naar Leiden te ontkomen. Er bestaat een apoftegma van hem van een zodanige perfectie, dat Geulinckx nog twee eeuwen later met ere door Nietzsche geciteerd wordt.[7] Het luidt als volgt:

‘Ubi nihil vales

Ibi nihil velis.’

Vertaald: Daar waar je niets vermag, kun je beter ook niets willen. Anders gezegd: Als je niet in staat bent iets met succes te ondernemen, dan kun je er beter ook niet aan beginnen.

De Latijnse taal wordt vaak geprezen voor haar compactheid en haar synthetisch vermogen. Hier zijn die mogelijkheden ideaal benut. Hoofd- en bijzin onderscheiden zich maar door drie letters, dat is een sterk en imponerend vormelement.

10

Sommige apoftegmata schijnen iets te betekenen en dus geen literatuur te zijn. Van Goethe bestaat er een heel werk met wijsheden, Maximen und Reflexionen, van Hermans ook: Dinky Toys. De literaire status is onzeker.

Geen echte schrijver rekent zulke dingen tot zijn werk, het is bijwerk – parerga, zoals de traditie het noemt.

Er schijnt in het schimmige gebied tussen literatuur en niet-literatuur een sector te zijn waarin teksten van schrijvers die journalistiek schrijven tóch literatuur zijn, al zijn het dan geen gedichten, romans, novellen of drama’s.

De schrijver pleegt wel eens wat journalistiek uit idealisme, om de mentaliteit te leren kennen en een gezonde invloed uit te oefenen. Weliswaar zijn de tijdelijke ‘collega’s’ hardleers, en haalt zijn inzet niet veel uit, maar ook deze nederige arbeid wordt bestudeerd en er wordt in wetenschappelijke kringen over gecorrespondeerd.

De journalist daarentegen voelt zich geroepen en mikt op het hoogste – de zuivere lyriek – daarmee beginnen ze allemaal– maar wat hij ook probeert, het blijft journalistiek.

11

Een groot theoreticus en beoefenaar van apoftegmata was Gotthold Ephraim Lessing (1729-1781). Het is boeiend om te zien hoe hij in zijn fabels Phaedrus en La Fontaine probeert te overtreffen door er juist die dimensie van Edewaert de Dene aan toe te voegen: kennis vermeeren.

Zonder dit jaar nog met de echte literaire behandeling van het geval Reynebeau te willen beginnen kan ik hier toch niet nalaten een apoftegma in het licht te geven waarin ik probeer een epigram van Lessing te verbeteren. Het is nummer 43 in de reeks van wat hij zijn ‘Sinngedichte’[8] noemt. Ik vertaal het letterlijk maar in gewoon proza:

‘Ik haat je, Sabinus, al weet ik niet waarom, kortom ik haat je.

Die reden heeft geen belang.’

Het gaat kennelijk om een journalist die om aandacht vraagt en die tegenover een schrijver, Sabinus, lucht geeft aan zijn rancuneuze gemoedstoestand. De tweede zin, de pointe, is het antwoord van Sabinus dat het hem ijzig laat, door de spreker al dan niet gehaat te worden. Het is een echt apoftegma, maar toch een beetje tandeloos.

Ik geloof dat ik het kan verbeteren door het meer polyfoon te herschrijven:

Marc Reynebeau ligt op de stoep. Ik loop voorbij. Hij roept: ‘Ik háát je.’

Nadat ik er hem op gewezen heb dat het ongewenst is, door hem te worden getutoyeerd, dank ik hem toch voor de waarschuwing,

Erger zou het geweest zijn, als ik in hem was getrapt.

Een illustratie zou mijn apoftegma nog een meer digitaal karakter kunnen verlenen. Dat moet dan maar:

 

432px-Sailer_Fall_Luzifers_Abort

  1. Textkünste. Die Buchrevolution um 1500. 7/10/16-29/1/17.
  2. Mgr. Jean-Joseph Gaume: L’Eau Bénite au XIXe Siècle. Parijs 1866.
  3. Cfr. Achim Geisenhanslüke, Einführung in die Literaturtheorie, Darmstadt 2013. P. 8.
  4. B. Brecht: Gesammelte Werke, Frankfurt am Main (Suhrkamp) 1967. Dl. 12, p. 383.
  5. De DBNL noemt De Dene ‘Eduard’, terwijl diens boek duidelijk op naam staat van ‘Edewaert’ (voorpagina).
  6. Ramakers: Nonconformisten, p. 29. (Cfr. bibliografie.)
  7. Nietzsche KSA 9/518.
  8. Lessings Werke. Leipzig [Max Hesses Verlag] z.j. [1899]. Bd. 1 p. 42.

 

error: Kopij bescherming !!