Het geheim van het mysterie. Tormenten bij ‘Kunstpatrimonium'(3).

 

19 december 2016. CC.

 

Het ‘Dossier Koehn’ waarvan Eva Koehn op 15 augustus 1964 een groot deel ter inzage had afgestaan aan Leon Leys en Noël Kerckhaert, journalisten bij de Gazet van Antwerpen, wordt in Gent gekopieerd door toedoen van adjunct-commissaris Karel Mortier en prompt teruggestuurd naar Eva’s adres op het eiland Sylt. Zo prompt dat Leys, die de transactie met Eva eigenlijk voor elkaar heeft gebracht, niet de gelegenheid krijgt om de papieren in te zien. Tenminste, dat zal hij Eva later schrijven. Kerckhaert treedt in de hele aangelegenheid niet op de voorgrond. Volgens de bronnen is hij aanwezig, maar dat is alles. Hij speelt een passieve rol. Leon Leys is ook de man die in dit gezelschap nog het beste Duits kent. Hij lijkt aanvankelijk de drijvende kracht te zijn.

 

Wat gebeurt er dus als beide heren weer thuis komen met hun buit? Er verschijnt om te beginnen niets van belang in hun Gazet. Maar op het toneel verschijnt Karel Mortier. En Leys wordt buitenspel gezet. Hij zal zich tegenover Eva beklagen over de manier waarop ze hem – en het dossier – behandelen. Noël Kerckhaert van zijn kant zal de compagnon worden van de opkomende Gentse ster van de criminologie, Karel Mortier.

 

Hoe en waardoor dit alles? De details zijn grotendeels verzwolgen door de tijd.

 

 

1

Mortier krijgt het dossier dus in handen.

En vanaf dat moment is hij ook onvermijdelijk geworden, ‘incontournable’ zoals dat in Antwerpen heet. Een politieman die onafhankelijk denkt, die in een positie verkeert waarin hij een of ander geseponeerd onderzoek of cold case wel eens uit de lade zou kunnen opdiepen – als er nieuw bewijsmateriaal opduikt. Het lijdt geen twijfel dat de activiteiten van deze speurder met argusogen worden gevolgd. Het komt ook al snel tot een belangenconflict of een wedloop – de voor de cold case Rechtvaardige Rechters typische rivaliteit tussen de wereldlijke (Mortier) en de kerkelijke (Meerts, GvA) macht en/of dito recht. Dat is het eigenlijke ostinato van de hele affaire.

 

Denken we even terug aan de brief van hoofdredacteur Louis Meerts aan Eva Koehn (op deze stek: Tormenten 2, oktober 2016), zeker een van de schoonste brieven die ooit de redactie van de Gazet van Antwerpen hebben verlaten. Louis Meerts, de ‘katholiek in medialand’ (Kadoc-nieuwsbrief 2011/2, p. 8) – in de Verheven Villa ‘Zijne Eminentie’ genaamd – stuurde Eva Koehn op 24 augustus 1964 een schrijven waartoe op het eerste gezicht geen aanleiding bestond. Hij zegt daarin het volgende:

  • Eva wordt ten zeerste bedankt. Dank zij haar ‘waren (zijn redacteuren) in staat’ hun werk te doen. Hij geeft te verstaan dat dat werk voltooid is.
  • Maar nu treedt hij, de hoofdredacteur, op de voorgrond en hij vraagt met nadruk naar de rest van het dossier. Hij hoopt dat ‘zo vlug mogelijk ter kennisname te mogen ontvangen’.
  • Herhaalt nog eens dat hij ’haar zending van nieuwe documenten met grote belangstelling tegemoet ziet’.

 

Op de foto bij het stuk van oktober was Meerts de man die staat te glunderen naast de sip kijkende bisschop van Gent. Wat Meerts niet wist op het moment dat hij Eva Koehn deze schone brief schreef: zes dagen daarvoor had de wakkere Gentse commissaris Mortier al een pakket naar Eva gestuurd. In een begeleidend schrijven vraagt Mortier haar ‘de politie en de justitie te helpen’. Het pakket bevatte het ‘Dossier Koehn’ zoals dat aan de Gazet van Antwerpen te inzage was afgestaan. Eva zal niet weinig verbaasd geweest zijn als ze die documenten nu terugkreeg onder het briefhoofd ‘Stad Gent. Hoofdbureau van Politie’. Mortier vraagt ‘dringend’ de rest van de documenten meteen naar de politie te sturen, d.w.z. naar hem, en niet naar de Gazet.

En Zijne Eminentie wist evenmin dat Eva meteen dan ook een nieuw pak had gesnoerd en dat naar de post gebracht, geadresseerd aan Mortier, politie Gent.

 

Of Meerts dat erg zou hebben gevonden? Misschien zou hij juist blij zijn geweest dat dergelijke informatie uit de eerste hand niet langer de redactie van zijn schone gazet kwam verontrusten. En dat ook de bisschop gerust kon zijn en een vrolijker gezicht zetten.

 

2

Alleen al die reis naar Sylt. Een provinciale krant in 1964 – daar werd in de redactie weken lang over gesproken. Niet te vergeten ook: onkostennota’s die goedgekeurd en afgerekend moesten worden. Behalve voor de Ronde van Frankrijk werden dergelijke verplaatsingen nooit gemaakt. Pausen bleven nog in het Vaticaan en reisden niet door de wereld met trossen journalisten op hun hielen. Maar het lijdt geen twijfel dat de hoofdredacteur op de hoogte was van het grote avontuur van Leys en Kerckhaert. De journalistieke ambitie om iets aan het licht te brengen was bij dat tweetal overduidelijk. Het kon geen kwaad dat vooral Leys eens een lesje kreeg.

 

Over de affaire Rechtvaardige Rechters was er op dat moment nog maar weinig bekend. Van het onderzoek van Koehn überhaupt was bijna niemand op de hoogte. Er bestond een officieel verhaal dat luidde dat de misdaad in 1934 het werk was geweest van ene Arsène Goedertier, die werd voorgesteld als een louche en half gekke figuur uit Wetteren, een bankier die financieel in de nesten zat en die de diefstal gepleegd had voor het losgeld. Later was hij zelfs failliet verklaard – met behulp van de Tartufistaanse onrechtsstaat die er in zulke gevallen nooit moeite mee heeft het recht te verkrachten – zie de behandeling van de X-getuigen in de affaire Dutroux, maar ook de ‘Operatie Kelk’ en de voorkeursbehandeling voor pedopriesters, -bisschoppen en –kardinalen.

 

In zijn brief van 18 augustus aan Eva prijst Mortier haar echtgenoot Henry vooral voor zijn interviews. Voor de gesprekken met getuigen die de politie indertijd had moeten voeren maar niet gevoerd heeft. Mortier laat er geen twijfel over bestaan dat deze informatie nieuw is.

Voor een echte krant was die een vette brok geweest, dagen lang, met steeds nieuwe gegevens, nieuwe getuigenissen.

 

Waarom zich dat laten ontgaan? Waarom steekt zo’n Meerts zijn eigen journalisten stokken in de wielen?

 

Want zo moet dat ongeveer gegaan zijn – schrijvers uit de oudheid zouden hier schrijven: hij sprak in dezer voege. Dus: de bisschop van Gent moet wel in dezer voege tegen Meerts hebben gesproken:

‘Het gaat niet op mijn zoon, dat jij op foto’s staat te glunderen terwijl ik er naast sta met een gezicht als een sauspannetje of een gebarsten wierookvat. Vergeet het dus maar eens gauw, dat je iets over die Rechtvaardige Rechters gaat publiceren! En die Leon Leys van jou, wiens kennis van het Duits zelfs die van Marc Reynebeau van de Standaard in de schaduw stelt, die is toch veel te verstandig om journalist te zijn bij de Frut   zoals uw orgaan immers door de gewone gelovigen wordt genoemd. Zet die man dus maar eens gauw bij de gebroken armen en benen, opdat hij niet in verleiding komt.’

 

Dus: de intelligente Leon Leys op een zijspoor. Kerkhaert als waakhond bij Mortier? Zoals Max Winders indertijd meteen als ‘helper’ op Koehn werd afgestuurd?

De gevaarlijke en niet te vermijden politieman Karel Mortier – volgens het kerkelijk recht in kerkelijke aangelegenheden (en de Rechtvaardige Rechters zijn een kerkelijke aangelegenheid) sowieso niet bevoegde pakkeman – met een waakhond op de hielen die hoofdredacteur Zonneschijn meteen over alles informeert.

 

Volgens de zoon van Leon Leys is zijn vader dit nooit te boven gekomen. Hij verwees ons in april 2002 naar diens collega bij de Gazet, Johan Staes, die deze reconstructie zou kunnen bevestigen. We telefoneerden met Staes, maar die stierf plotseling voor we hem konden ontmoeten, op 20 juni 2002.

 

3

Op 13 februari 1965, een half jaar na deze gebeurtenissen, schrijft Eva Koehn een brief aan professor Rosemann in Göttingen, Koehns voormalige chef bij de Kunstschutz. Adjunct-commissaris Mortier heeft laten weten dat hij niet alleen speurt, maar ook een boek over de affaire wil uitgeven, vertelt ze. Ze hééft Mortier al geholpen en ze wil hem ook in de toekomst graag helpen, in de hoop dat Henry Koehn en zijn onderzoek dan eervol vermeld zouden worden in dat boek. Mortier, schrijft ze, ‘vraagt nu een foto. In uniform’. Of de professor haar wil helpen een keuze te maken? Ze stuurt twee foto’s. Haar commentaar bij een ervan: ‘Zeer aanschouwelijk is de opname in het kasteel van Henri IV in Pau. Deze foto laat de gemeenschappelijke inzet van Belgen en Duitsers zien voor de beveiliging van de kunstschatten in de oorlog.’

 

Die inzet was niet bij alle Duitsers even groot geweest.

 

Kort voor de oorlog waren niet alleen het Lam Gods, maar ook de hele collectie van het Museum voor Schone Kunsten van Gent geëvacueerd en in Pau terechtgekomen. In december 1942 haalt een expeditie van de Kunstschutz onder leiding van Henry Koehn deze belangrijke schilderijen terug – minus het Lam Gods, dat in een Nacht und Nebel-operatie van nazi-getrouwe elementen buiten het medeweten van de Kunstschutz naar de befaamde zoutmijn van Bad Aussee was weggebracht.

 

De ‘inzet van Belgen en Duitsers’: wat weet Eva van de wedloop van de Kunstschutz – en dat is dan, speciaal bij de ‘Operatie Pau’, in de eerste plaats haar man – met de SS?

Koehn zelf beschouwde de operatie als de redding van de schilderijen – redding voor de SS, voor de zoek-commando’s van Hitler. Trouwens, niet alleen Koehn, maar ook Max Winders, de representant van ‘België’ bij de hele operatie, beoordeelde  hun onderneming op dezelfde manier.

 

Er bestaat in verband hiermee een geschreven stuk dat in de Verheven Villa ‘Koehns Testament’ wordt genoemd en waaraan we te gelegener tijd aandacht zullen besteden. Op dit moment buigen we ons over de enigszins argeloze correspondentie van de weduwe van de man die in de operatie Pau de hoofdrol heeft gespeeld, met diens chef Rosemann.

Ze gaan er wederzijds stilzwijgend van uit dat zijzelf – en Henry – aan de ‘goede’ kant stonden, dat ze niet behoorden tot die ‘anderen’, de nazi’s. Maar ze zijn zich ook bewust van de doem die op de Duitsers rust, op álle Duitsers. Ze weten ook dat de buitenwereld dat niet voetstoots zal aannemen dat ze… argeloos zijn.

 

Eva, op 13 maart 1965: ‘Zonder een passend bijschrift (bij de vermelde foto) bestaat natuurlijk het gevaar dat ze de afbeelding kwaadwillig een verkeerde uitleg geven. Dat is de reden, zeer geachte heer professor dr. Rosemann, dat ik u om raad vraag.’

 

Ook Rosemann is niet overtuigd dat iedereen Eva zal willen geloven. In een antwoordbrief van 16 maart 1965 schrijft hij: ‘Het is klaarblijkelijk dat de foto met het schilderij van Rubens aanleiding zou kunnen geven tot verkeerde interpretaties.’ 

 

 

Klaarblijkelijk gaat het om de foto hierboven, dat is de enige van Koehn met Rubens. Eva zal die voor Mortier laten kopiëren. Dit is het origineel – is het bij die gelegenheid dat er een vlek op gekomen is, op Koehns borst?

 

4

Op 15 maart 1965 ontvangt Eva nog eens een brief uit Antwerpen, van Leon Leys. Die laat weten dat het hommeles is op de redactie van de Frut. Leys zelf had de transactie met het dossier met haar bedisseld en hij voelt zich dan ook verantwoordelijk. Hij heeft haar zijn woord gegeven, schrijft hij, maar de zaak is aan zijn controle ontsnapt en hij kan dat woord niet meer gestand doen. Zo schijnt hij te vrezen dat het boek van Mortier (en Kerckhaert) dat op stapel staat haar niet zal bevallen. Het dossier dat ze ter inzage hadden gekregen, is voor dat boek namelijk gewoon geplunderd. Citaat: ‘Ik heb er beide heren opmerkzaam op gemaakt dat er naar mijn mening een overeenkomst met u zou moeten worden aangegaan om de door de persoonlijke inzet van uw echtgenoot verzamelde gegevens te mogen publiceren. Ik acht het mijn plicht u dit te laten weten, aangezien het dossier Koehn gedeeltelijk door mijn toedoen in de handen van deze heren terecht is gekomen en ik alle verantwoordelijkheid van de hand wijs als deze publicatie aanleiding zou geven tot betwistingen.’

 

‘Door de persoonlijke inzet van uw echtgenoot’ staat er. En niet door een of andere fantastische opdracht van Goering en Goebbels, zoals door Mortier – maar dus ook door Kerckhaert – de wereld in zal worden gestuurd. Leys had dat begrepen. Kerckhaert was er ook bij geweest als deze legende door Eva (maar eerder ook al door Rosemann) vehement was bestreden. Misschien was hij niet te kwader trouw, verstond hij alleen geen Duits.

 

Leys aan Eva Koehn. 10 maart 1965

 

Leys’ brief wordt vanzelfsprekend meteen naar Göttingen doorgestuurd met het verzoek om terugzending na lezing. Eva weet niet goed wat ze van Leys’ brief moet denken: ‘Wie soll ich das verstehen?’

Jaren later zal blijken dat het niet bij haar opgekomen is dat het hele dossier gekopieerd is – voor zover er in 1965 al kopieermachines bestonden, waren ze zeldzaam, en kopieën werden gemaakt door fotografen met speciale statieven, lampen et cetera. Het was omslachtig. Maar de politie van Gent had natuurlijk wel middelen om zulke klussen te klaren. Dat dat bij Eva niet is opgekomen wijst erop dat ze nog in een andere wereld leefde als de onze. 

Er is een brief van 10 maart van Rosemann zoek. Dat is, neem ik aan, te wijten aan narigheid met de gezondheidstoestand van Eva. Ze neemt de zaak zeer ter harte, emotioneel, maar ook praktisch. Mortier heeft gevraagd of hij de dagboeken uit oorlogstijd van wijlen haar man mocht inzien, maar daar wil ze toch niet van horen. Wel belooft ze dat ze die aantekeningen voor hem zal excerperen. Het handschrift van haar man is bovendien moeilijk leesbaar, meent ze – en ze zal alle passages die met de Rechtvaardige Rechters te maken hebben overtikken voor de commissaris. Wat ze dan ook met grote acribie doet, een heel werk. En er zijn haar maar weinig passages ontsnapt. Maar haar gezondheid is dus aangeslagen en ze zal in die dagen moeten worden opgenomen. Vanuit ziekenhuis werkt ze door.  

Op 17 maart 1965 vraagt ze Leys om meer uitleg over zijn sombere brief: ’Ik denk nog vaak terug aan die onverwachte ontmoeting die zo harmonisch verliep’ – en nu, en wat dat allemaal te betekenen heeft?  

Leys’ brief wordt vanzelfsprekend meteen naar Göttingen doorgezonden met het verzoek om terugzending na lezing. Eva weet niet goed wat ze van Leys’ brief moet denken: ‘Wie soll ich das verstehen?’

Jaren later zal blijken dat het niet bij haar opgekomen is dat het hele dossier gekopieerd is – voor zover er in 1965 al kopieermachines bestonden, waren ze zeldzaam, en kopieën werden gemaakt door fotografen met speciale statieven, lampen et cetera. Het was omslachtig. Maar de politie van Gent had natuurlijk wel middelen om zulke klussen te klaren. Dat dat bij Eva niet is opgekomen wijst erop dat ze nog in een andere wereld leefde als de onze. 

Er is een brief van 10 maart van Rosemann zoek. Dat is, neem ik aan, te wijten aan narigheid met de gezondheidstoestand van Eva. Ze neemt de zaak zeer ter harte, emotioneel, maar ook praktisch. Mortier heeft gevraagd of hij de dagboeken uit oorlogstijd van wijlen haar man mocht inzien, maar daar wil ze toch niet van horen. Wel belooft ze dat ze die aantekeningen voor hem zal excerperen. Het handschrift van haar man is bovendien moeilijk leesbaar, meent ze – en ze zal alle passages die met de Rechtvaardige Rechters te maken hebben overtikken voor de commissaris. Wat ze dan ook met grote acribie doet, een heel werk. En er zijn haar maar weinig passages ontsnapt. Maar haar gezondheid is dus aangeslagen en ze zal in die dagen moeten worden opgenomen. Vanuit ziekenhuis werkt ze door.

 

Op 17 maart 1965 vraagt ze Leys om meer uitleg over zijn sombere brief: ’Ik denk nog vaak terug aan die onverwachte ontmoeting die zo harmonisch verliep’ – en nu? En wat dat allemaal te betekenen heeft? 

Leys geeft een verklaring op 25 maart. Hij heeft immers moeten beloven het dossier ‘niet te verwerken of te excerperen zonder haar toestemming’, herinnert hij haar. ‘Het is namelijk zo dat het dossier gewoon geplunderd is’ – voor dat boek. Waar niet eens zijn naam op staat. Wel die van Kerckhaert dus!

Gezien de grote rol die hij gespeeld heeft wou hij haar informeren en zich excuseren omdat de gegeven beloften in zijn ogen gebroken zijn.

 

5

Het papier met de dubbele bodem
 
Met de brief van Leys van 25 maart 1965 is er iets eigenaardigs aan de hand. Hij is namelijk geschreven op de achterkant van een vel met aantekeningen van Koehn. Komt dat vel uit het dossier? Een stuk dat door Leys als irrelevant werd beschouwd? Waar zou hij anders een authentiek Koehn-document vandaan hebben moeten halen?

Met de lijmpot waarmee op de Gazet ook de kostelijkste artikels aan elkaar worden geplakt, heeft Leys de krabbels van Koehn overplakt. Met een stuk kladpapier van de Gazet. En de onbeschreven achterkant van het blad heeft hij beschreven met zijn epistel aan Eva. Goedkoop was dat wel. Hij stuurt dus het oorspronkelijke stuk terug. Koehns kant overplakt, de maagdelijke nu verrijkt met een boodschap uit Antwerpen. Die Eva sowieso niet zal begrijpen omdat ze te goed van vertrouwen is. 

Het mysterie van het geheim van het Lam Gods op het spoor? Heeft Koehn de oplossing gevonden en die uitgerekend op dit papier geschreven? Steeds prangender de vraag of Leys het dossier dan toch heeft ingekeken, in het grootste geheim, achter de rug van de bisschop van Gent en de glunderende Eminentie L. Meerts? 

Of heeft Leys een geheime boodschap nagelaten voor ons, de ontdekkers van dit schriftstuk? We hebben wat gepeuterd en een stuk van het opgekleefde papier kunnen losmaken (Foto: links het document in kwestie; rechts het handschrift van Koehn, uit een van zijn dagboeken.) Ongeveer in het midden van de bevrijde aantekeningen staat: ‘an dieser Stelle’ – op deze plaats. Zou Koehn daarmee niet de bergplaats van de Rechtvaardige Rechters kunnen bedoelen? Het eigenlijke geheim van het mysterie van de Rechtvaardige Rechters?

 

 

 

 

 

 

error: Kopij bescherming !!