Hermans’ Klassiek (1)

ï21 oktober 2o16. Lucas Mariën

 

 

Hermans’ Klassiek

 

 

Een mooie jugendstil-uitgave van de werken van Schopenhauer. Van omstreeks 1900. De citaten die daarin staan in het Latijn en het Grieks worden niet vertaald. Latijn en Grieks kende namelijk iedereen. Maar als Schopenhauer iets in het Engels citeert, dan staat er netjes onderaan in een voetnoot een vertaling. Engels kende niemand. Het was een overbodige taal, behalve voor de handel – en daarvoor had de latere filosoof die ook moeten leren, door toedoen van een vader die voor hem een toekomst als zakenman voorzien had. Maar een curiosum was dat wel, een Engels kennende filosoof. Over Ludwig Feuerbach lezen we dat hij met een systematische studie van de filosofie begon, vanaf het begin tot aan Spinoza. Dan moesten eigenlijk de Engelse empiristen komen. Maar die sloeg hij over en hij ging door met Leibniz.[1] Vermoedelijk beschouwde hij die Engelsen op zijn best als representanten van het gezond verstand, van het vanzelfsprekende eigenlijk, maar dat is nog geen filosofie. Zo dacht iedereen er wel over. Volgens Nietzsche belichamen de Engelsen het uiterste aan onbegaafdheid voor filosofie.[2]

Een Angelsaksische professor, een zekere M.W. Rowe schrijft in 1991 in het in zulke kringen toonaangevende tijdschrift ‘Philosophy’ dat de invloed van Goethe op Ludwig Wittgenstein ‘nog maar pas naar waarde wordt geschat’[3]. ‘Philosophy’ verschijnt in Cambridge, een onooglijke plaats waarover Wittgenstein, als ik me goed herinner, ooit eens gezegd heeft dat iets als filosofie er eigenlijk onbekend was. Maar die Rowe noemt nu verschillende auteurs die zich allemaal in het Angelsaksisch hebben uitgedrukt en die dan toch iets in de gaten schijnen te hebben gekregen, iets ‘naar waarde’ zijn beginnen schatten.

In werkelijkheid was de Wittgenstein-specialist Joachim Schulte, die Rowe niet schijnt te kennen, al sinds 1984 bezig aandacht te vragen voor de invloed van Goethe op die filosoof. Een bundel met opstellen uit de jaren ‘80 daarover verscheen in 1990.[4] Willem Frederik Hermans kan Schulte dus hebben gekend. Zijn alertheid voor publicaties op zijn terrein is al gebleken uit zijn prompte reactie op de ‘Kleurentheologie’ van Albrecht Schöne. (Op deze webstek: ‘Hermans’ Capitulatie.’ Mei 2016.)

Een ander tijdschrift uit Cambridge, de ‘European Review’ publiceert in 2002 een opstel, ‘In the Shadow of Goethe’[5]. Synopsis: Wittgenstein had ‘een aanzienlijke invloed op de moderne wereld maar beschouwde zichzelf niet als een onderdeel daarvan’. Wittgenstein als voorloper van die ‘andere moderniteit’ van Hermans?

 

Tussen twee haakjes: Hermans en Goethe waren beiden anglofoob – Monoloog van een  Anglofoob heet een van Hermans’ essays.[6]  ’Als ik geboren was als Engelsman – wat goddank niet het geval is…’ schreef Goethe[7] – ‘Wenn ich als Engländer geboren wäre – was Gottlob nicht der Fall ist…’ Hij rekende het de Engelsen bovendien zwaar aan dat ze inzake kleurenleer de voorkeur gaven aan Newton en met deze opvatting ook nog de Fransen besmetten.

 

Wittgenstein heeft die invloed van Goethe niet openlijk erkend. Hij was diepgaand beïnvloed door Goethe schrijft de Amerikaanse professor James C. Klagge, hoewel hij – Wittgenstein dus – ‘specifically did not list Goethe as an influence’[8]. Merkwaardig is, zoals we nog zullen zien, dat ook Willem Frederik Hermans Goethe als leermeester vaak vergeet. Hij heeft wellicht zo vaak Goetheaanse wijze lessen uit de mond van zijn zo veel Duits lezende vader moeten vernemen, dat hij er zich niet meer van bewust was en niet beter wist of hij had dit gedachtengoed met de moedermelk ingezogen.[9]

‘Wanneer men ergens een uitspraak geciteerd vindt die zó banaal is, dat men zich afvraagt waarom de zinnen tussen aanhalingstekens staan […], dan staat er steevast tussen haakjes achter: Goethe […] Uit het kolossale oeuvre van Goethe valt nog vrij veel op te diepen, dat waarlijk uniek genoemd kan worden. Goethes encyclopaedische geest heeft bovendien zijn figuur tot een unicum gemaakt.’[10]

Hermans’ drie grote leraren of voorbeelden: Nietzsche, Schopenhauer en Wittgenstein, zijn Goethelezers. In een bepaalde periode in zijn jeugd kwam daar nog Freud bij – ook een Goethelezer. De zonder reserve bewonderde collega Kafka eveneens. De enige uitzondering bij de referentiepersonen van de jonge Hermans: ‘Multatuli koesterde een grote minachting voor Goethe.’[11]

 

2

In het stuk over Wetzlar van 1982 (deze webstek: ‘De elektrificeermachine van Goethe’, april 2016) bewijst Hermans Goethe eer zonder beknibbelen. Tegen de interviewer Andrzej Dšbrówka had hij dan weer wel af te dingen (t.a.p.). En hoewel Dšbrówka toch van een zeker kennerschap getuigt, ontvalt hem: ‘Het verbaasde me dat u Goethe noemde als een van uw voorbeelden.’ Die verbazing, ondanks de overstelpende hoeveelheid overeenkomsten!

Het is onmogelijk die allemaal op te sommen.

Er schijnt een verschil te zijn tussen overeenkomsten die je als anekdote van de hand kunt wijzen, bijvoorbeeld die twee zussen die allebei Cornelia heten, en overeenkomsten die een structurele betekenis hebben, die ingegrepen hebben in de vorming van literaire procedé’s, waardebepalingen, streefdoelen – denken kortom. De archeoloog die ernaar streeft paradigmatische structuren bloot te leggen, weet misschien niet meteen wat de betekenis van een vondst zal zijn. Of hij te doen heeft met een geïsoleerd fenomeen dan wel of een vondst van belang is in een samenhang, een context. Hij zal vaak ook twijfels hebben: of de gelijknamigheid van die zussen tóch niet meer is dan een toevalligheid. Of ze geen rol heeft gespeeld in een geesteskronkel, een neurose, bijgeloof?

Bij Hermans manifesteren zich al vroeg trekken van een klassiek die bijvoorbeeld in tegenstrijd schijnt te zijn met zijn beleden affiniteit met het surrealisme – dat toch uitdrukkelijk sympathiseerde met de romantiek. Hij is daarin, vooral in het begin van zijn carrière, ook niet altijd consequent, en er is een evolutie in de zin dat zijn klassiek zich steeds meer uitklaart. Zo speelt dat surrealisme alleen maar een rol in een bepaalde periode – vóór Parijs. Ook Freud schijnt hem na zijn vroege jeugd niet meer echt te hebben geboeid. Nietzsche daarentegen altijd – maar Nietzsche was een grote Goetheaan. Zelfs Schopenhauer wordt in de loop van zijn leven grotendeels door Nietzsche verdrongen.

In ieder geval is er één rustende pool, één invloed die eventueel doorheen andere invloeden altijd actief blijft: Goethe.

 

3

Van de jonge Hermans vernemen we dat hij ‘gemiddeld een boek per dag’[12] leest. Zijn alter ego Richard Simillion wil later zelfs ‘twee pocketboekjes per dag lezen en nooit meer […] slapen’[13].  Een van Goethes gesprekspartners getuigt: ‘Als ik over de bewonderenswaardige omvang van zijn dagelijkse lectuur met hem sprak, verzekerde hij dat hij iedere dag gemiddeld minstens een boek in octavoformaat las.’[14]

Het was ook niet alleen uit slechtheid dat Hermans bekendmaakte dat hij ‘Onder Professoren’ geschreven had op de achterkant van circulaires van de universiteit van Groningen. In de preambule tot ‘Paranoia’ beweert de schrijver[15]:

‘Ik schrijf op de achterkant van oude kalenderbladen en versneden affiches, op gebruikte enveloppen, op rekeningen en brieven van anderen, als er nog plaats op vrij is. (…) Ik schrijf alleen met papier waar anders de kachel mee zou worden aangemaakt. (…) Want papier wordt pas waarlijk papier wanneer het is gebruikt en wanneer het gebruikt is, valt er weinig meer goed te maken. (…) Daarom durf ik niet te schrijven op nieuw papier.’

Op de veldtocht naar Frankrijk van 1792 waarop Goethe hertog Karl August moest vergezellen, gebruikt hij de achterkant van stukgesneden legerkaarten om dagboeknotities en aantekeningen op te maken.[16] In zijn autobiografie geeft hij toe dat hij als kind al onenigheid kreeg met zijn vader omdat ‘het mij bij het tekenen bijna niet mogelijk was een goed, wit, maagdelijk blad papier te gebruiken; grauwe, verouderde, ja, zelfs al aan een kant beschreven bladen prikkelden me het meest, precies alsof mijn onvermogen angst zou hebben gehad voor de toetssteen van het witte blad’.

‘…es mir bei meinen Zeichnungen fast unmöglich (war) ein gutes, weißes, völlig reines Papier zu gebrauchen; graue veraltete, ja schon von einer Seite beschriebene Blätter reizten mich am meisten, eben als wenn meine Unfähigkeit sich vor dem Prüfstein eines weißen Grundes gefürchtet hätte.’[17]

 

 

4

Tekenen deden ze allebei graag, of beter: vasthouden, registreren. Op  een bepaald ogenblik maken Hermans en Goethe allebei een tekening van hun slapende geliefde, Emmy resp. Christiane, rustend op quasi hetzelfde kussen. Een van die toevalligheden? Het is vanzelfsprekend een motief dat in de kunst en het leven vaak voorkomt. Bewijzen doet het niets, maar althans ik kan het niet helpen, dat Hermans’ schets mij aan die van Goethe doet denken.

 

Christiane von Goethe. (Toen nog: Vulpius.)

Christiane von Goethe. (Toen nog: Vulpius.)

 

 

Emmy Hermans

Emmy Hermans

 

Hermans tekende, vervaardigde collages en kon gebruik maken van de fotografie – Goethe had die mogelijkheden nog niet, maar hij was een verwoed tekenaar en had bijvoorbeeld bij de overtocht van Napels naar Sicilië nog een andere tekenaar in loondienst bij zich. Christoph Heinrich Kniep heette die, en alles wat Goethe op het eiland zou interesseren moest hij vasthouden op papier.[18] Goethe was namelijk ook een bijna maniakale verzamelaar.

Als verzamelaars gingen ze niet alleen graag naar veilingen of rommelmarkten . Ze hadden ook de neiging om alles onder te brengen in kaartsystemen ‘die mij in staat zouden stellen in één oogopslag alles te overzien wat ik vergeten ben en nog vergeten zal, hoewel ik het niet vergeten ben; alles wat ik bedenk, bedacht heb en nog bedenken moet’,[19] schreef Hermans.

Goethe bezat ‘Acten’ waarin hij niet alleen alle mogelijke druksels die hem onder de ogen kwamen liet inbinden, maar ook eigen aantekeningen over dingen die hem interesseerden, van informatie over landen tot waarnemingen over de capaciteiten van actrices – ‘alsof hij over ze had moeten boekhouden’[20].

Wat vaak met een anale fixatie in verband wordt gebracht, de ‘Sammelwut’ waarover Goethes vrienden zich verwonderden, viel ook Freddy de Vree op bij zijn vriend. Op Hermans’ schoorsteenmantel in Parijs stond een tikker, die hem op de hoogte hield van de koersen op de beurs; omwille van een onbelangrijk honorarium telefoneerde hij voor meer geld met de BRT als de hele onkostennota waard was.

Ook Goethe ‘had in zakelijke aangelegenheden veeleer een neiging tot pedanterie dan tot nonchalance’[21] .

 

Alles vasthouden – iets wat ook Hermans fascineert: Kassaar in ‘Denkbaar’ bewaart zelfs zijn afgeknipte nagels, fotografeert zijn maaltijden en schrijft alles op. ‘En dan nog was ik verplicht ook het feit dat ik aantekeningen maakte aan te tekenen.’[22]

Omdat het niet mogelijk is álles op te schrijven heeft Hermans ook minachting voor het vak geschiedenis – het is hetzelfde probleem als dat met de ‘identiteit’. (Cfr. Elektriseermachine). Alwin, de broer van Gertie in ‘Ik heb altijd gelijk’, beoefent een nieuw soort van geschiedschrijving. ‘Ik noteer alles wat niet waar was, maar dat toch door sommige mensen werd geloofd.’[23] (Willem Frederik Hermans als profeet van de historische semantiek van onze Coralie Coloratuur?) De officiële geschiedenis is, zo formuleert Hermans, alleen maar een ‘constructie’, een ‘soort verloop van gebeurtenissen (…) dat nooit reëel is geweest, omdat de mensen het niet hebben geweten.’[24] We kennen hoogstens een paar fragmenten van de realiteit – zoals de identiteitszoeker een paar daden. Voor een marinier is de oorlog iets anders dan voor een infanterist, meent Arthur Muttah: ‘Uit alles wat men onder oorlog verstaan kan, kiest iedereen voor zichzelf wat uit.’[25]

‘Het grenst zonder twijfel aan het komische, zekerheid te willen verkrijgen over wat lang voorbij is’, schrijft Goethe.[26]

‘Es geht gewiß ins Komische, wenn man (…) von längst Vergangenem sich mit Gewißheit überzeugen will.’

 

In zijn studie over Goethes beeld van de geschiedenis schrijft de filosoof Ernst Cassirer: ‘De aanspraken op wetenschappelijkheid van het vak geschiedenis worden door Goethe verworpen, worden blootgesteld als simpel drogbeeld.’[27] Maar die overtuiging hebben buiten Hermans natuurlijk nog wel meer mensen met Goethe gemeen, ik noem maar Nietzsche en Burckhardt, allemaal ook voorstanders van een klassieke kunst. Voltaire schrijft op15 juli 1768 aan Horace Walpole dat Fontenelle de geschiedenis een ‘fable convenue’ noemt, een afgesproken, overeengekomen fabel.[28] Ook in dit opzicht is Hermans beslist niet-modern, hij is in dit opzicht opnieuw pre-Hegeliaans.

De opvatting dat alles evolueert, dat alles geschiedenis is, wordt voor het eerst geformuleerd door Johann Gottfried Herder, medeburger in het Weimar van Goethe. Hegel zal dit uitwerken en alles begrijpen als een proces in opwaartse zin, naar een hoger stadium toe, de zelfrealisatie van de Geest. Maar als alles alleen maar een doorgangsstadium is, dan wordt ook alles relatief. Van niets kan nog worden beweerd dat het absoluut is. En definitief. Dan zou het dus onmogelijk zijn geworden een kunstwerk te scheppen, dat onveranderlijk is als de gestolde lava na de eruptie van de vulkaan. In dit opzicht, dit wil zeggen in verband met het kunstwerk, zijn Goethe en Hermans vulkanisten – ik kom hierop terug in de derde aflevering van dit opstel. Dit heeft te maken met de onveranderlijkheid van de kunst, met het zeer in tegenstelling tot de journalistiek als tegenpool – boven de tijd staan. Je zou kunnen zeggen – al kunnen we daar nu niet op ingaan – dat dat het kunstwerk IS: het beëindigen van de tijd, het stilzetten van de wereld.

Met Hegel kan een klassieke kunstopvatting het dus niet eens zijn. Dat verklaart de scherpe reacties van Hermans en Goethe die de hele tijd juist dát aan het proberen zijn: iets af te leveren dat definitief is, en onherroepelijk. Een historische relativering zou een contradictio in terminis zijn. De kunst schrijft zichzelf de wetten voor en beheerst de tijd; het dilettantisme volgt de neiging van de tijd.’

‘Die Kunst gibt sich selbst Gesetze und gebietet der Zeit: der Dilletantism folgt der Neigung der Zeit.’[29]

 

Dat is de reden dat  iedere klassieke kunst naar het ahistorische streeft en de geschiedschrijving met kleinering, smaad en hoon bejegent, en historici als uitvaagsel – als de journalisten onder de menswetenschappers. (Er bestaan mensen die tegelijk journalist en historicus zijn.)(In Vl. schijnt  er iemand bestaan te hebben, die was ook nog literatuurprofessor.)

 

5

Schopenhauer-monument, Frankfurt am Main. Foto: CC.

Schopenhauer-monument, Frankfurt am Main. Foto: CC/Het Paradigma.

In de entourage van Goethe vinden we een constellatie die  bijzonder illustratief is voor de twee tijdsopvattingen: een meningsverschil tussen Arthur Schopenhauer en zijn zus Adele. Beide hadden tot de kring van Goethe behoord, vooral Adele. Maar zij is ontvankelijker voor de (romantische) geest des tijds dan haar broer. N.a.v. Arthurs werk over de fundamenten van de ethiek schrijft ze hem op 17 april 1841[30]: ‘Mijn ideeën gaan in de richting – de gedachte aan het worden, vergaan, ontstaan overwoekert de andere.’

‘Meine Gedanken haben die Richtung, der Gedanke des Werdens, Vergehens, Entstehens überwächst die andern.’

 

‘Waar nu jouw systeem in botsing komt met het mijne en mij het volmaakt geborene laat zien – ben ik verbaasd, voel me bedrukt en afhankelijk van mijn jarenlange overtuiging, zo klaar als jouw woorden ook zijn.’

‘Wo nun Dein System gegen meines stößt und mir das fertig Geborne zeigt – staune ich, fühle mich gedrückt und kan (sic; LM) nicht gegen meine lange Lebensüberzeugung, so klar auch deine Worte sind.’

 

De befaamde animositeit van Schopenhauer tegen Hegel vond haar culminatiepunt daarin, dat Schopenhauer ‘het waagde’ (…) de ‘boven de tijd staande orde van zijn leer op te richten tegen de historische (cursivering van mij; LM) orde van Hegel’, beweert de Schopenhauerkenner en –uitgever Arthur Hübscher[31]. Dit is in een notedop het verschil in tijdsopvatting van de romantiek tegenover de klassiek. Adeles insisteren op het principe evolutie, op het worden – tegenover Arthurs onwrikbare gefixeerd zijn op het onveranderlijke zijn, op het ‘voltooid geborene’ – zoals zij schrijft.

 

 

Binnenkort: Hermans’ Klassiek (2): Ethiek, esthetica, levensvorm.

 

 

 

[1]  Josef Winiger: Ludwig Feuerbach. Denker der Menschlichkeit. Berlin [Aufbau] 2004. P. 111.

[2]  Zie o.a. de ‘Genealogie der Moral‘, KSA 5,350.

[3]  M.W. Rowe: Goethe and Wittgenstein. In: Philosophy 66/257 (juli 1991). P. 283.

[4] Joachim Schulte: Chor und Gesetz. Frankfurt am Main [Suhrkamp] 1990.

[5]  European Review 10/04, oktober 2002.

[6]  In Het Sadistische Universum I.

[7]  Richard Friedenthal: Goethe. Sein Leben und seine Zeit. Stuttgart 1963. P. 597.

[8]  James o. Klagge: The puzzle of Goethe‘s influence on Wittgenstein. In: Goethe and Wittgenstein. Seeing the World’s Unity in its Variety. Internationale Wittgenstein-Gesellschaft, Bd. 5.

[9]  Cfr. Schopenhauer in het voorwoord van de eerste druk van zijn ‘Welt als Wille und Vorstellung’; over de neiging om wat iemand voor zijn vijftiende levensjaar heeft vernomen, voor aangeboren te houden.

[10]  WFH (in bijdrage over Byron, Litterair Paspoort IV (1949) nr 32 pp. 158-159).

[11]  WFH Wetzlarstuk… Avenue p. 77.

[12]  W.F. Hermans: Mandarijnen op Zwavelzuur, Amsterdam 1973(4). P. 91.

[13]  W.F. Hermans: Een Wonderkind of een total loss. Amsterdam 1978(7). P. 205.

[14]  Friedrich von Müller. Goethes Unterhaltungen mit dem Kanzler Friedrich von Müller, München 1950. p. 66.

[15]  Volledige Werken VII, P. 213 e.v.

[16]  Sigrid Damm, Christiane und Goethe. Frankfurt aM [Insel] 1998. P. 165.

[17]  Dichtung und Wahrheit. HA, IX/225.

[18]  Italienische Reise vanaf 13 maart 1787. HA XI, 204 e.v.

[19]  In de preambule van ’Paranoia’, VW 7, 214.

[20]  XXXXBaumgartner II, 225 e.v.

[21]  Baumgartner II, 408.

[22]  VW 2, 371.

[23]  VW 2, 161.

[24]  VW 2, 161.

[25]  VW 1, 564.

[26]  Aan Zelter, 24 maart 1724. Niet in de Hamburger Ausgabe van de brieven. Ik citeer naar Otto Harnack: Goethe in der Epoche seiner Vollendung. Leipzig 1905. P. 45.

[27]  Ernst Cassirer: Goethe und die geschichtliche Welt. Hamburg 1995. P. 6.

[28]  Frauenstädt-uitg. Werke Schopenhauer register 289.

[29]  Schiller: Über den Dilettantismus. Sämtliche Werke. Darmstadt 1978. Dl. V p. 1047.

[30]  Deze brief in: Ludger Lütkehaus: Die Schopenhauers. Zürich [Haffmans] 1991, p. 433.

[31]  Schopenhauer: Sämtliche Werke (Arthur Hübscher naar Julius Frauenstädt, Wiesbaden (Brockhaus) 1966. Dl. I, P. 91.

 

error: Kopij bescherming !!