Tormenten bij het ‘Kunstpatrimonium’ (2) Hoe het dossier Koehn daar niét terechtkwam.

19 oktober 2016. Lucas Mariën.

 

 

Toen Eva Koehn twee journalisten van de Gazet van Antwerpen door het poortje van haar ‘Ramshuis’ in Kampen zag komen, dacht ze eerst aan gevaarlijke misdadigers, zal ze aan professor Rosemann schrijven. En dat ze niet zeker was dat die haar niet kwamen vermoorden! Het was de vijftiende augustus 1964, een grauwe en zelfs koude dag. Alleen aan de kust en op de Waddeneilanden was de zon er door gekomen. Eva schrijft dit drie weken later, op 4 september: ‘Toen de twee journalisten, de heren Kerkhaert en Leijs, nu onverwacht voor me stonden, was ik innerlijk zeer bewogen, maar ook vol twijfels over de juistheid (Richtigkeit) van hun opdracht. Dat kunt u wel begrijpen, aangezien de criminaliteit tegenwoordig hand over hand toeneemt en ik als alleenstaande vrouw plotseling met een zo netelige kwestie werd geconfronteerd.’[1]

Er was nog een andere reden  voor haar ontsteltenis.

Ze schrijft in dezelfde brief dat het bezoek van de journalisten bij haar de herinnering wekte aan een moment, kort voor de dood van haar man, toen die het dossier Lam Gods nog eens in handen gehad en gezegd had: ‘Hiermee zou ik me, als mijn grote werk af is, nog eens serieus bezig moeten houden.’

 

Kerckhaert en Leys kwamen onaangekondigd, op goed geluk uit het verre Vlaanderen. De begeerte om in de Gazet van Antwerpen zonder verder verwijl iets lezenswaardigs te schrijven had hun belet een tijdrovende correspondentie met de weduwe op te zetten. Wilden ze misschien ook iemand vóór zijn? Karel Mortier? Zelfs Rosemann… Het was niet uitgesloten dat ze slapende honden wakker hadden gemaakt.

Voor Rosemann zélf was dat bezoek, blijkens een brief aan Eva Koehn van 7 september een grote verrassing: ‘Het was tussen hen (de twee “Belgische heren”) en mij afgesproken eerst uw beslissing af te wachten, omdat ik de overrompeling die nu toch plaats heeft gevonden, wilde vermijden.’ Kerckhaert en Leys hadden na het gesprek met hem dus geen moment geaarzeld en waren naar Sylt vertrokken, terwijl de professor nog met zijn studenten op excursie was in Vlaanderen. Na zijn terugkeer in Göttingen op 16 augustus heeft hij nog te redderen op zijn instituut voor hij er op vrijdag 21 augustus toe komt Eva Koehn te schrijven. Maar dan is het dus te laat. En niet de journalist Leys en de Gentse adjunct-politiecommissaris Mortier, die hem in Antwerpen zijn komen opzoeken zijn noordwaarts getrokken, maar Leys en een collega bij de Gazet van Antwerpen, Noel Kerckhaert. Mortier zal Eva Koehn nooit in levenden lijve ontmoeten, in strijd met de indruk die zijn boeken wel wekken.

 

Over het ontstaan van samenzweringstheorieën.

Karel Mortier heeft mij lang geleden gezegd, dat professor Rosemann Eva Koehn had afgeraden het dossier aan ‘België’ af te staan. Dat dit onwaar is blijkt uit de correspondentie over een periode van meer dan tien jaar tussen Eva Koehn en Rosemann. Ik kom hier in een volgende bijdrage op terug. Maar Mortier had een zeer sombere kijk op álle Duitsers – cfr. bijvoorbeeld het avontuurlijke verhaal dat Koehn een opdracht zou hebben gehad van Himmler zelf, van Goebbels… (op deze webstek: De legende Koehn.) Voor de eerste keer worden we hier geconfronteerd met een moeilijkheid – we weten niet of de kennis van het Duits van Leys en Kerckhaert die van hun collega Marc Reynebeau evenaarde (cfr. op deze webstek: Motto’s, eerste noot) maar veel beter zal ze wel niet geweest zijn. En die van Mortier was navenant, zoals blijkt uit diens correspondentie met Eva, moeizaam bijeengeklungeld met een woordenboekje, zonder kennis van grammatica of idioom – ronduit schabouwelijk. Bij de weergave van getuigenissen van Duitse betrokkenen rijst meer dan eens de vraag: wat hebben die precies gezegd en wat / hoe hebben de Vlamingen het begrepen/ weergegeven?

 

Terug naar Kampen, die vijftiende augustus 1964.

Als Eva wat van de schrik bekomen is, vraagt ze de bezoekers eerst om zich te legitimeren. Leys geeft haar een privé-visitekaartje waarop hij in drukletters de naam en het adres van zijn krant schrijft. Op de achterkant daarvan noteert Kerckhaert  zijn coördinaten. Op een apart papier wordt ook nog de naam van hun hoofdredacteur, Dr. Meerts geboekstaafd. Eva aan Rosemann op 4 september: ‘Nadat ze documenten hadden voorgelegd en zich hadden beroepen op Uw geachte naam, kwam ik langzaam tot de overtuiging dat ik in de geest van mijn man en in het belang van de zaak zou handelen, als ik de heren maar vertrouwde.’ Ziezo!

Op een velletje uit haar huishoudboekje (?) schrijft ze nog eens op wat de functie was van haar man bij de Kunstschutz in Brussel. Opdat de journalisten dat ook juist zouden vermelden in de te verwachten artikelen in hun beroemde krant.

 

En dan:

‘Op hun verzoek stond ik een helft van het Lam Gods-dossier af, dat ze me na kennisname zouden terugbezorgen. Dat is intussen al gebeurd, en overeenkomstig hun wens heb ik ook het overblijvende gedeelte (van het dossier; LM) op 24 augustus verzonden.’

Voor het eerste gedeelte vraagt ze wel een reçuutje, dat door Kerckhaert en Leys met vereende krachten op het blaadje uit het huishoudboekje wordt geschreven, de eerste regel door Kerckhaert, de rest door Leys.

archiefperikelenoklein

 

De brief van Rosemann van 21 augustus – die dus te laat kwam – kondigde niet alleen de bezoekers aan, maar drukt Eva ook op het hart hoe belangrijk Koehns dossier is. En hij levert ons een belangrijk getuigenis over het onderzoek van de Oberleutnant: ‘Ik herinner me nog uit zijn (Koehns; LM) berichten,’ schrijft de professor, ‘dat hij aannam dat het paneel in Sint-Baafs in Gent verstopt was door de dief. Hoe hij tot dat vermoeden gekomen was weet ik niet meer. Maar hij had, als ik me niet vergis, belangrijke aanwijzingen in die richting, zodat ik zelf ook tot de overtuiging kwam dat het schilderij in Sint-Baafs te vinden moest zijn. Of de veronderstelling (Annahme) van uw man wezenlijk voorzichtiger was en ze zich bij mij versterkt heeft tot een idee-fixe, kan ik niet meer uitmaken.’

Eva doet haar verhaal op 4 september aan Rosemann. Zijn te laat gekomen brief heeft haar tenminste gerustgesteld dat ze juist gehandeld heeft door Kerckhaert en Leys te vertrouwen, schrijft ze. En ze staaft Rosemanns herinnering:

‘In verband met uw herinnering over het verblijf van het paneel in Sint-Baafs in Gent zou ik, nu u dat zo zegt, ook willen aannemen (möchte ich auch glauben) dat mijn man zich in die zin heeft uitgelaten.’

 

‘De kerk heeft het.’

Dat was het eerste wat Koehns pleegdochter Helga, die hem als kind zo vaak over de Rechtvaardige Rechters heeft horen vertellen, mij zei toen ik haar op 15 januari 2002 de eerste keer ontmoette. Het was de beginzin van ons gesprek over de Rechtvaardige Rechters dat nog voortduurt. Ik ben in de loop van de jaren herhaaldelijk op die zin teruggekomen en haar mening staat als een rots. En het staat ook vast dat dit de overtuiging was van haar pleegvader, die de affaire nauwgezetter onderzocht heeft dan alle anderen en die getuigenissen uit de eerste hand heeft verzameld waar verder niemand ooit naar gevraagd had. Die niet omkoopbaar was en die – zolang de nazi’s hem tenminste zijn gang hebben laten gaan – vrij was in zijn streven naar waarheid. Er is nog een document dat Koehns overtuiging kracht bijzet, maar Coralie vraagt me dat op te sparen voor haar boek.

Voor een schrijver is de symbolische kwaliteit van dit gegeven, namelijk de rol van de kerk, natuurlijk niet te overtreffen. Het is de kerk die verhindert dat de Rechtvaardige Rechters hun plaats innemen in de maatschappij. Goethe heeft gezegd ooit, dat het ondanks alles niet wenselijk was dat de kerk zou worden afgeschaft. Te waardevol zijn haar stommiteiten voor de kunst; met haar belachelijkheden, bijgeloof en misdaden kan  de fijnste literatuur worden gemaakt! En daarmee zijn we het eens.

 

In augustus 1964 heeft de Gazet van Antwerpen dus het materiaal in handen om een revolutie in de Rechtvaardige Rechters-kunde te ontketenen. De krant heeft daar niets mee gedaan. De journalisten die de stukken hadden opgespoord waren nochtans erg gemotiveerd, getuige het haastige vertrek naar Sylt na het gesprek met Rosemann, een reis die in die tijd nog geen kleinigheid was, en nu eigenlijk ook nog niet. Maar Leon Leys zal zich later beklagen dat hij zelfs niet de kans heeft gekregen het materiaal dat eigenlijk door hem was opgespoord ook maar te doorbladeren!

En de Gazet van Antwerpen… In plaats van het spannendste, meest exclusieve materiaal dat hij heel zijn carrière in handen heeft gehad te publiceren, gaat hoofdredacteur Meerts zich persoonlijk met de zaak bemoeien en een ongevraagde brief zitten schrijven aan Eva Koehn.

 

Volgens een artikel van Godfried Kwanten, ‘Een katholiek in medialand’ in Kadoc-Nieuwsbrief 2011/2 was die Louis  Meerts ‘een man die permanent nadacht over de relatie geloof – media’. Een ware specialist dus, die zelfs ‘ethiek van de media’ mocht doceren aan de katholieke universiteit van Leuven en aan de Gregoriana in Rome (o.c., p. 9-10)!

De foto hierbij is van 1963 en illustreert hetzelfde artikel. Meerts (de stralende man uiterst rechts) heeft volgens het bijschrift deelgenomen aan een zitting van het Vaticaans concilie en is met (de triest kijkende) bisschop Calewaert van Gent (tweede van rechts) en twee confraters op de terugreis.

 

Op de teruweg van het concilie. Meerts stralend (rechts) naast de bisschop van Gent.

Stralende Meerts (rechts) piekert even niet over de ‘relatie tussen kerk en media’.

 

Ruim een week na het onaangekondigde bezoek van zijn medewerkers schrijft Meerts die brief, die Eva ontvangt op 27 augustus 1964.

‘Dankzij uw hulp,’ slijmt hij, ‘waren de twee journalisten in staat hun opdracht uit te voeren en het doel naderbij te komen waarnaar ook uw geëerde echtgenoot streefde.’ En dat de krant nu in het bezit is van ‘een menigte belangrijke inlichtingen die kunnen leiden tot de onthulling van het geheim.’

Ook dat zijn journalisten Rosemann ontmoet hebben, vermeldt hij nog en dat die vol lof was over haar man en ‘hun aanspoorde hun inspanningen om het paneel terug te vinden voort te zetten’. Niets van al dat moois komt nochtans in de gazet. ‘De massa bestaat uit onmondige schaapjes, die liever niet moeten worden voorgelicht, voor wie allerlei zaken beter geheim kunnen blijven,’ zegt W.F. Hermans over de katholieke opvattingen over de media. (Scheppend Nihilisme, p. 61.) Het zal nog twee jaar duren voor de affaire wordt opengetrokken: door Karel Mortier en de eerste druk van diens samen met Kerckhaert geschreven beroemde boek – toen nog in een minuscule oplage, zoals Mortier aan Eva zal schrijven.

 

meerts

 

Hoofdredacteuren die “permanent nadenken over de relatie geloof – media”.

Dat de Rechtvaardige Rechters teruggevonden waren had De Standaard  al geschreven op 25 juli 1935. Hoofdredacteur Jan Boon moest toen op het matje komen bij kardinaal Van Roey: hij werd ‘naar “Mechelen” geroepen’, vertelde diens zoon aan Karel Mortier, en ‘sprak er sindsdien niet meer over’. (MoK II, 448.) En De Standaard maakte er vanzelfsprekend geen woorden meer aan vuil.

Jan Boons carrière begon een hoge vlucht te nemen. Hij bracht het weliswaar niet tot professor ethiek aan de katholieke universiteit van Leuven, maar hij werd de grote baas van de nog jonge omroep BRT, pionier van het nog nieuwe medium televisie. Internationaal speelde hij een rol als bezoeker van het Vatikaan, als chef van internationale verenigingen inzake katholieke media en journalistiek.

Natuurlijk blijft hij zich voor de Rechtvaardige Rechters interesseren, maar dan binnenskamers. Henry Koehn zal tijdens de oorlog vanzelfsprekend uitleg gaan vragen aan Boon over die doodgeboren onthulling in De Standaard van 25 juli 1934. Pietje Precies die Koehn was, vraagt hij ook aan Boon – zoals aan andere getuigen – om protocollen te autoriseren. Bij die gelegenheid mag de grote katholieke journalist het ‘Dossier Koehn’ even in handen houden. Boons weduwe schrijft in 1962: ‘Zo graag had vader dat dossier in handen gekregen. Hij is na het vertrek van de Duitsers gaan kijken maar alles was weg.’[2] Wat zou hij ermee gedaan hebben? Waarschijnlijk hetzelfde als Meerts twintig jaar later.

(Even terzijde: Koehn ‘dwingt’ ‘vader’ om op zijn bureau dat protocol te komen verifiëren, schrijft mevrouw Boon. Maar Boon werd door de Gestapo gezocht en zat ondergedoken. Hoe kon hij zich dan in het hol van de leeuw wagen, in een Duitse administratie, en hoe kon Koehn de ondergedoken verzetsstrijder überhaupt “dwingen”? Mevrouw Boon is trouwens de eerste die schrijft dat Koehn “een opdracht” zou hebben gehad, bij haar is het van Göring. Waarschijnlijk werd hij zo gevaarlijker voor de ondergedoken vaderlijke verzetsheld.)

 

Karel Mortier vermeldt nog dat Jean Ray, een echte schrijver – die dat zoals Van Ostaijen en zoveel anderen niet is kunnen worden in het feodale Tartufistan –  in diezelfde tijd (1935)  in De Dag ook staande hield dat het paneel teruggevonden was. Mortier is een groot geluk geweest voor dit land. Zonder Koehn, maar ook zonder hem zouden we nooit iets over de affaire te weten zijn gekomen. Ze zouden hier en daar nog iemand college hebben laten geven aan de Gregoriana, misschien was Marc Reynebeau professor in de ethiek geworden, maar de Rechtvaardige Rechters hadden we kunnen vergeten. Mortier daarentegen was niet verkocht, was integer, hardnekkig en waar het kon niet zonder enige pikanterie. Over Jean Ray’s artikelen in De Dag schrijft hij: ’Ook die berichtgeving hield plotseling op. Wij hebben niet kunnen achterhalen waarom.’ (t.a.p.)

 

Tsja, waarom? Waarvoor was het Dossier Koehn een bedreiging? Welke mythes werden er onhoudbaar door? Wat heeft het juist aan het licht gebracht dat inging tegen heersende… fabels en legenden?

 

‘Wat ze proberen te onderdrukken zegt vaak meer dan wat ze verspreiden.’ In de riante vertrekken van Coralie in de… er wordt beweerd dat dit niet de Villa Elevata is – maar dus aan het Lago Maggiore staan ordners als deze: Wat heeft de bisschop graag dat we geloven; James Ensor; Het ‘Masker’ Koehn; Tijdsschema’s die niet kloppen; De ‘Rol’ Arsène Goedertier; Paul van Ostaijen; Algemene strijd ‘Gerechtigheid’ 1918-1934; Het Tijdperk Christus-Koning; Handlangers van de bisschop; Gerard Walschap

 

Ik kijk al uit naar het grote essay van Coralie, ‘De boodschap van Arsène Goedertier’. Door de recontextualisering hoopt ze dat er dingen aan het licht komen als archeologische vondsten die met spatel en penseel worden blootgelegd. Of die bloot komen te liggen door een reusachtige golf, die plotseling de contouren van een  wrak zichtbaar maakt.

 

De heler is zo goed als de steler, zegt het spreekwoord. Hopen we maar dat een bisschop die nog niet wegens pedofilie in de gevangenis zit, nu tengevolge van de werkzaamheden van Coralie niet de nor in vliegt als heler van de Rechtvaardige Rechters. M.a.w. dat de literatuur ook in de toekomst nog rijkelijk voorzien wordt van stof om over te schrijven.

 

[1]  De geciteerde stukken bevinden zich in het Archief Rechtvaardige Rechters.

[2] Mevr. Jan Boon: De Belgische Radio in de Bezette Stad 1940-1944. In: Denijs Peeters (red.): Zo was Jan Boon. Antwerpen 1962. P. 142-143.

error: Kopij bescherming !!