Tormenten bij het ‘Kunstpatrimonium’ (1). Hoe het dossier Koehn daar niét terechtkwam.

18 oktober 2016. Lucas Mariën

 

 

Eva Koehn, de weduwe van de officier, wou de nalatenschap van haar man na diens dood een bestemming geven die zoveel mogelijk in overeenstemming zou zijn met zijn intenties. Het ging niet alleen om duizenden foto’s en verzamelobjecten, er was ook het materiaal dat Koehn voor zijn boeken en publicaties had gebruikt: notities, knipsels, typoscripten van hemzelf en van anderen.

Koehns monumentaalste werk was Die Nordfriesischen Inseln  (Hamburg 1939, meerdere herdrukken), een lijvige monografie over de geografie, cultuur, flora en fauna, de archeologie, kortom over alles wat in verband stond met de noordelijkste Waddeneilanden. Koehn was ook actief geweest als publicist en persfotograaf. Zonder twijfel beschouwde Eva zijn geschriften in verband daarmee als het belangrijkste deel van zijn nalatenschap. Er waren mensen voor over de vloer gekomen, hooggeplaatsten, wetenschapslui. In de zomer hadden ze vaak professoren met hun gezinnen te gast gehad. De vrouwen en kinderen gingen naar het strand, terwijl de geleerde echtgenoten en vaders met haar man confereerden. Koehn was een van de eerste milieuactivisten en hij zette zich o. m. in voor Sylt, waar Thomas Mann zijn drukproeven kwam corrigeren en dat een trekpleister was voor filmdiva’s en sporthelden.  Voor die inzet had Henry op de valreep nog een onderscheiding gekregen, het Bundesverdienstkreuz, minder dan een jaar voor zijn dood – een eerbewijs waarmee Eva erg ingenomen was geweest.

En er kwamen nog steeds brieven en vragen uit de wetenschappelijke wereld, die Eva Koehn zo goed mogelijk beantwoordde  – maar ze had het gevoel dat dat allemaal eigenlijk te hoog voor haar was. Ze schreef zelf brieven. Aan professoren, uitgevers, instituten – wat ze met al die dingen moest aanvangen?

 

En dan was daar dat convoluut: Genter Altar – het Lam Gods.

Henry had daar veel belang aan gehecht. Urenlang kon hij daarover vertellen, aan hun pleegdochter vooral, Helga, toen die nog een kind was. Intussen was Helga naar de grote stad vertrokken, had daar een baan, een eigen leven. Eva stond grotendeels alleen voor die opgave, de nalatenschap van haar man met ere van de hand te doen.

Ooit, ooit had Henry een boek willen schrijven over die affaire, de diefstal van de Rechtvaardige Rechters.

Maar er waren altijd te veel andere dingen geweest, drukte rond de verloedering van Sylt, en nu…

Een bijkomende reden waarom ze veel niet verstond was, dat veel stukken in het dossier in talen waren opgesteld die ze niet kende: in het Nederlands, het Frans.

 

Eva Koehn, jaren '70.

Eva Koehn, jaren ’70.

 

Intussen erkent de wetenschappelijke literatuur over de Kunstschutz in Brussel dat die probeerde het patrimonium van het bezette land voor de nazi’s in bescherming te nemen. (www.lostart.de) Prof. dr. Heinz Rudolf Rosemann, Kunstschutz-chef in de Tartufistaanse hoofdstad en Henry Koehns directe baas, was bijzonder ‘bezorgd’ voor Michelangelo’s ‘Madonna van Brugge’, staat bijvoorbeeld op die webstek, maar hij was niet betrokken bij de wegvoering van dat werk naar Duitsland – door de nazi’s, in feite de vijanden van de Kunstschutz, al kon die dat vanzelfsprekend niet al te duidelijk laten blijken. (Er komt een stuk van Coralie over de Kunstschutz op deze webstek.)

Professor Rosemann nu, schreef op 21 augustus 1964, ruim een jaar na de dood van Henry, een brief aan diens weduwe Eva.[1]

Hij was met studenten van zijn kunstwetenschappelijk seminarie van de universiteit Göttingen op excursie naar Vlaanderen geweest, schrijft hij. Op een avond krijgt hij in Antwerpen bezoek van de journalist Leon Leys en van de Gentse (toen nog adjunct-) commissaris Karel Mortier. Die twee vragen hem uit over het onderzoek dat Henry Koehn tijdens de oorlog begonnen is naar de Rechtvaardige Rechters, een onderzoek dat nu algemeen bekend is maar waar toen, buiten de onmiddellijke omgeving van Koehn, niemand weet van had. Rosemann kondigt het bezoek van de twee heren ook bij Eva thuis, op Sylt, aan. en hij wil haar daarop voorbereiden. Hij wijst haar uitdrukkelijk op de grote betekenis van het dossier, op het feit dat de wetenschap en hijzelf daar mogelijk in geïnteresseerd zouden kunnen zijn. Je krijgt de indruk dat Rosemann zelf zich pas nu, door het vragen van Leys en Mortier, bewust begint te worden van het belang ervan. In ieder geval vraagt hij haar om eens na te denken over de bestemming, nu er interesse van buitenaf onderweg is.

Wat Rosemann op dat moment niét wist: hij was al te laat. De delegatie uit Antwerpen was zes dagen eerder, op 15 augustus, op Sylt geweest en had Eva onverhoeds overvallen. Het dossier Koehn was al niet meer in haar bezit.

 

 

 

Binnenkort op deze stek: Eva Koehn ontvangt een zalvende brief van de hoofdredacteur van de Gazet van Antwerpen. Maar wat doet die krant met de opzienbarende informatie uit het dossier?

 

 

 

[1]  In het Archief Rechtvaardige Rechters.

 

 

 

error: Kopij bescherming !!