W.F. Hermans: ‘De grote Winckelmann’.

september 2016. Lucas Mariën

 

 

In zijn opstel over Rudolf Erich Raspe[1], de schepper van het meesterwerk over de baron von Münchhausen, kwalificeert Hermans de pionier van de kunstwetenschap die uitdrukkelijk invloed op Raspe had uitgeoefend als ‘de grote Winckelmann’.

Waarom groot?

Er bestaan geen aanwijzingen dat Hermans zich speciaal met Winckelmann zou hebben beziggehouden en diens prestaties zijn in de loop der tijden buiten de eigenlijke kunstwetenschap toch wel enigszins in vergetelheid geraakt. Is het vermoeden gewettigd dat Hermans ook hier weer…

Er bestaat vanzelfsprekend dat beroemde Goethe-opstel, ‘Winckelmann und sein Jahrhundert’, waarin Goethe probeert aan te tonen dat Winckelmann zijn hele eeuw een stempel heeft opgedrukt. Maar dat grote essay is Goethes coming-out als ‘theoreticus van het hellenisme’, stelt Hermann August Korff.[2] Het is misschien nog meer en in de allereerste plaats een ‘Kampfschrift wider die Romantik’ zoals Katharina Mommsen het zag.[3] En bij Hermans… Het is niet de enige keer dat hij ondergronds met de anti-romantiek in relatie schijnt te staan – we zullen er nog voorbeelden van zien. In ieder geval heeft het er de schijn van dat Hermans zich door dat predikaat over te nemen bekent tot een bepaalde (klassieke) traditie. Laten we ook niet vergeten dat Stendhal, een van de leraren van de jonge Hermans, het pseudoniem Stendhal koos ter ere van de geboorteplaats van uitgerekend deze grote Winckelmann.

Winckelmann heeft het begrip van de Griekse kunst verruimd. Tot dan toe had men vooral bewondering voor het naïef-barbaarse van Homeros, waardoor de zuivere natuurwaarheid van het kunstwerk gestalte krijgt. Door Winckelmann komt daar de Griekse plastiek bij, die gedefinieerd wordt als ‘harmonische wetmatigheid’[4]. Het apollinische element krijgt in de nieuwe visie meer aandacht – geconcentreerd in de formulering van Winckelmann die een gevleugeld woord werd: ‘Edle Einfalt, stille Größe.’ Dit werd lange tijd als de kwintessens en de geheime formule van klassieke kunst beschouwd. Maar die ‘harmonische wetmatigheid’… Ik heb elders al Kant geciteerd en zal er nog op terugkomen, dat het genie de kunst de wet voorschrijft, maar je zou ook aan Hermans’ formule ‘wetenschap zonder bewijs’ kunnen denken en aan het kunstwerk als het synthetische oordeel a priori.

Bij Hermans is het omdat de wetten van de literatuur in hem werken, dat het minder moeite kost een roman te schrijven dan een klok te repareren. Over zijn respect voor de horlogemaker en het zekere dedain tegenover het schrijven dat hij met Goethe deelde verwijs ik naar mijn essay over ‘Hermans’ Klassiek’ dat hier binnenkort zal verschijnen. Uit die horlogemakersliefde leid ik af dat Hermans zichzelf zag als een ‘naïeve’ schrijver, bij wie de inspiratie ‘natuurlijk’ vloeit als een beekje op een berghelling, zonder dat het moeite kost – dit in tegenstelling tot de ‘sentimentele’ kunstenaar, die schept tengevolge van een denk- en wilsproces. Nee, hij schept niet, hij knutselt. Zoals een appelboom appels voortbrengt en geen suikerbieten, zo zijn er nu eenmaal mensen die het in zich hebben dat ze dingen moeten voortbrengen die kunst zijn. Als ze daartoe de kans krijgen, want dat is niet vanzelfsprekend. Het veronderstelt op z’n minst ook dat er een aanleg en een individualiteit is – de twintigste eeuw zal daartegen ten strijde trekken; de ecologische klassiek deconstrueert en restaureert. Ik verwijs nog eens naar ‘Hermans’ Klassiek’.

 

Impliceert de horlogemakersliefde niet ook Hermans’ gehechtheid aan het begrip genie in zijn zuivere, niet door romantisch onbegrip of ressentiment vertekende vorm? Genie als realisatie van aangeboren (‘in-genium’) mogelijkheden. Het is de ‘opgave van de naïeve dichter om zelf ware, dat betekent door innerlijke autonome wet bepaalde natuur te zijn‘[5].

 

Weer een voorbeeld van aposiopese, van de stijlfiguur van de ‘verzwijging’ – de meest frequente bij de late Hermans. Die zich ook hiermee een Goetheaans stokpaardje eigen maakt: dat van het openbare geheim.

 

Over Rudolf Erich Raspe schrijft hij nog: ‘Er had een Goethe uit hem kunnen groeien; in plaats daarvan werd hij een Grote Onbekende.’ (Sadistisch Universum, VW 11, 39.) ‘Een mislukte Goethe? Misschien was alleen zijn eerzucht even groot.’ (O.c., p. 40.)

 

[1]  In: Het Sadistisch Universum 1, VW 11, p. 38.

[2]  Hermann August Korff: Geist der Goethezeit, Leipzig 1958(4). Dl. II, hs. 4.1.

[3]  Katharina Mommsen: Kleists Kampf mit Goethe. Frankfurt am Main [Suhrkamp] 1979. P. 26.

[4]  Otto Harnack, Die klassische Ästhetik der deutschen, Leipzig 1892, p. 84.

[5]  Harnack, o.c., p. 84-85.

error: Kopij bescherming !!