Hermans’ Capitulatie

DCF 1.0

29 mei 2016. Lucas Mariën.

 

Het opstel werd niet opgenomen in een van de latere bundels van Willem Frederik Hermans, waarin het zou hebben gepast. Het is een van die min of meer geheimgehouden teksten van hem, belangrijke, onthullende teksten zelfs, die dan toch efemeer schijnen te blijven en niet gebundeld worden.

Hermans is niet minder in de ban van Goethes Farbenlehre dan Parsival van de drie bloeddruppels in de sneeuw. En dit dan wel in negatieve zin: hij schijnt Goethe dat werk niet te kunnen vergeven. ‘Goethe heeft die Farbenlehre geschreven, allemaal onzin – dat zou Harry Mulisch ook doen, maar dat doe ik niet‘[1], zegt hij.

 

Hermans heeft het boek van Albrecht Schöne, ‘Goethes Farbentheologie’[2] kort na het verschijnen ervan gelezen en besproken. Zijn bespreking stond in het cultureel supplement van de NRC van 25 maart 1988, p. 6. Schönes boek is (einde) 1987 verschenen.

Hermans begint zijn bespreking met een trouwelijk refereren van het boek. Hij heeft het over Goethes obsessie met de kleurenleer, over diens groteske en Don-Quichoteske strijd tegen de natuurwetenschappen en vooral tegen Newton, de auteur van de gezaghebbende ‘Opticks’. Goethes eigen kleurenleer was voor een groot deel speculatief en uit natuurwetenschappelijk oogpunt fout, luidde de quasi unanieme reactie van de fysici, en dat bijna tweehonderd jaar lang. Hermans vindt het een gelukkige vondst van Albrecht Schöne om die leer dan ook het predikaat kleurentheologie te geven. Is het een lapsus of gewoon een vergissing dat Hermans spreekt van een ethische in plaats van een esthetische oorsprong van deze leer? ’Goethes hoofdbezwaar tegen Newton en soortgelijke natuuronderzoekers is niet rationalistisch, niet van logische aard, maar het is een gevoelen. Het is zuiver ethisch.’ (kolom 5)

Maar Hermans spreekt in dit opstel ook met grote waardering over de foute Goethe. Hij noemt Goethe een ‘grote schrijver’ (kolom 2), een ‘verlicht, ruimdenkend en evenwichtig man’ (kolom 1) en zelfs niet meer alleen een olympiër maar ‘de grote Olympiër’ (kolom 2).

En voor de eerste keer, en dat is helemaal nieuw, blijft het niet bij de kritiek op foute fysica, maar brengt Hermans begrip op voor de humanistische motieven van Goethe, voor diens angst voor een natuurwetenschap die bepaalde menselijke kwaliteiten en mogelijkheden die juist op het terrein van dat esthetische liggen, in het gedrang zou brengen. De angst voor Idi Amin Dada als mogelijk resultaat van een ondoordachte dekolonisering van logocentrische contreien is Hermans daarbij geenszins vreemd! ‘Maar dit alles neemt niet weg dat Goethe’s hartstochtelijke verdediging van het ‘heilige’ licht, toch zijdelings ook bij hen die noch hem, noch de antroposofen kunnen bijvallen, wel enige weerklank wekken kan.’ (kolom 6) Mensen als hijzelf dus, natuurwetenschappers, rationalisten, logische denkers met weerzin tegen piskijkers en dwepers. Maar het moet ook mogelijk zijn te sympathiseren met stromingen die alleen maar een esthetische oorsprong hebben:

‘Want evenmin staat ergens geschreven dat het verboden is de olifant en de neushoorn uit te roeien. Miljoenen mensen zien nooit of misschien één enkele maal in hun hele leven een olifant of een neushoorn in de natuur. Toch wordt wie met geen mogelijkheid het bewijs kan leveren dat olifanten en neushoorns niet uitgeroeid mogen worden, laat staan dat zij heilig zijn, door onaangename gevoelens bekropen bij de gedachte dat er omstreeks het jaar tweeduizend waarschijnlijk geen enkele meer zal bestaan. En dat ze nooit meer zullen ontstaan.

Lichtstralen, hoezeer mishandeld door Newton en diens nageslacht, ontstaan elk ogenblik ongebroken opnieuw, maar het zien van de natuur in haar eigen frisse kleuren wordt door de luchtvervuiling meer en meer belemmerd. En Droogstoppel anno tweeduizend zal niet meer stikken in zijn koffie, maar wel in zijn afvalgassen en zijn varkensmest. En de Goethes met hen.’ (kolom 6)

 

Hermans erkent dat ook ándere motieven als logische een rol kunnen spelen. Aarzelend, schijnt het, toen hij Huizinga las in zijn jeugd. Pertinent in het stuk over de kleurentheologie dat uitmondt in een klacht.

Hermans heeft zonder twijfel geweten dat Wittgenstein zich voor de Farbenlehre interesseerde. Diens ‘Remarks on colour = Bemerkungen über die Farben‘ werden in 1978 uitgegeven door  G.E.M. Anscombe in Berkeley (University of California Press). Over Goethes kleurenleer zegt Wittgenstein dat die ‘niettegenstaande alle ongerijmdheden zeer interessante dingen bevat en mij tot nadenken aanspoort’[3]. Maar de nabijheid van Goethe en Wittgenstein is tijdens Hermans’ leven nauwelijks in het blikveld van het onderzoek getreden. In sommige Angelsaksische publicaties trouwens nóg niet: in het register van Peter B. Lewis (uitgever): Wittgenstein, Aesthetics and Philosophy. Hants & Burlington [Ashgate] 2004 – komt de naam Goethe niet voor.

Al vroeg heeft Hermans Huizinga met instemming geciteerd: ‘Indien het leven niet in logische termen uitdrukbaar is (wat iedereen moet toestemmen), dan is, om meer uit te drukken dan de logische benadering vermag, het woord aan den dichter. Zoo is het geweest, zolang de wereld de dichtkunst heeft gekend. Doch naarmate de cultuur zich verhief, ging men duidelijker den denker van den dichter onderscheiden en liet aan elk zijn domein.’[4]

Zo te zien en in ieder geval voor lezers van Goethe en Hermans hadden Deleuze c.s. het ‘logocentrisme’ niet zo moeten bestrijden. Ze hadden gewoon de klassieken moeten lezen. Als het een kenmerk is van een cultuur die ‘zich verheft’, dat men ‘duidelijker den denker van den dichter onderscheiden’ kan, wat betekent het dan als het proces zich weer in omgekeerde richting begint te bewegen?

Een groot deel van zijn leven heeft Hermans onder de invloed gestaan van de vroege Wittgenstein: ware uitspraken zijn alleen de wetten van de wiskunde en de natuurwetenschappen – dit wil zeggen de synthetische oordelen a priori die aan het begin stonden van Kants vragen. Al het andere is ‘poëzie’. De late Wittgenstein schijnt minder tot hem doorgedrongen te zijn en zijn capitulatie in het geciteerde artikel is oppervlakkig en sentimenteel.

In ieder geval, Goethes kleurenleer is voor hem gewoon onzin à la Harry Mulish. Grotere minachting is nauwelijks denkbaar. Newton had gelijk, dat stond voor hem vast.

Het zou ons te ver leiden om ons te verdiepen in de hedendaagse fysica die Goethe niet alleen als aanvulling op Newton, maar soms ook tegen Newton in het gelijk stelt. Een jaar geleden verscheen er een compendium van Olaf L. Müller van de Humboldt-universiteit: ‘Mehr Licht. Goethe und Newton im Streit um die Farben. Frankfurt am Main [Fischer] 2015’. Muller is een filosoof die gespecialiseerd is in wetenschapstheorie. Maar hij werd de jongste jaren bijgestaan door fysici uit Scandinavië met een bijzondere belangstelling voor Goethe.

De natuurwetenschap heeft het zich te gemakkelijk gemaakt door Goethe af te doen als een dilletant, beweert dit boek. Verzwegen wordt bijvoorbeeld dat Goethe ook in zijn tijd al door enkele geleerden wel degelijk au sérieux werd genomen, bijvoorbeeld door Johann Wilhelm Ritter (1776-1810), de ontdekker van het ultraviolette licht – een ontdekking waarvoor die in onze tijd een Nobelprijs zou krijgen, meent Müller.

Het uitgangspunt van Newton is: wit licht bestaat uit gekleurd licht; alle voor een kleurentheorie causale factoren zijn in dat witte licht te vinden. Goethe daarentegen stelt dat er voor ieder experiment van Newton een tegenexperiment mogelijk is waarin de rollen van licht en duisternis precies omgekeerd zijn. De lichtstralen waarmee Newton experimenteert komen van buiten in zijn verduisterd laboratorium binnen. Bij Goethe is het omgekeerd: hij wil duisternis bestuderen – schaduw in een omgeving van licht. Bij hem komt alles voort uit de donkerte: hij wil niet, als Newton lichtstralen laten binnenvallen in het verduisterde laboratorium, maar omgekeerd. Hij laat ‘donkerstralen’ (aldus Müller) binnen in het licht.

Goethe is contrair en complementair t.o.v. Newton. Müller gebruikt een beeld uit de (pre-digitale) fotografie: ‘Men neme een kleurenfoto van een willekeurig experiment van Newton; dan kan men ook het negatief van deze foto duiden als afbeelding van dat experiment – en wel van een experiment dat echt zo afloopt als het negatief laat zien.’(o.c., p. 10.)

Experimenten die Goethe had willen nemen, maar die in zijn tijd technisch nog niet uitvoerbaar waren – het schijnt veel moeilijker te zijn ‘donkerstralen’ te laten binnenvallen in een lichte kamer dan omgekeerd. Maar toch – schrijft Müller (p. 429): ‘Twee eeuwen moesten verstrijken, voor dat te zijner tijd alleen maar intuïtief gevoelde experiment uitgeprobeerd kon worden; het slaagde.’

Hermans’ houding dat Newton voor honderd procent gelijk had en Goethe – fysisch gesproken dan – ongelijk, schijnt dan ook onhoudbaar geworden te zijn. En Goethe voorstellen als een soort  flower power-goeroe wiens bezorgdheid voor het welzijn van de natuur en de mensheid wel aandoenlijk is, maar naïef – de tournure is, zoals gezegd, al zo oud als de kleurenleer zelf. Maar ze schijnt Goethe dus echt tekort te doen. En ze is niet meer… nouja: eigentijds! ‘Tegenwoordig lijkt het filosofisch zelfbeeld van veel natuurwetenschappers sterker op de attractieve houding van Goethe dan op die van Newton.’ (Müller, o.c. p. 425.)

Goethe is dus niet alleen zuiver fysisch maar ook wetenschapstheoretisch van belang. Ik kom nog eens terug op het (in Koehns Kamer (i)) al geciteerde standpunt van Quine dat iedere theorie onvoldoende bepaald wordt door experimenten. Voor het overige verwijs ik naar het boek van Olaf L. Müller.

Maar dat fenomeen, van het licht dat eigenlijk uit de duisternis… Natuurlijk herinnert dat sterk aan de machtige passage in de Faust waarin Mefistofeles zich voorstelt:

 

‘Ik ben een deel van ’t deel, dat eerst alleen bestond,

Een deel der duisternis, waaruit het licht ontstond,

Het trotsche licht, dat nu van vader nacht

Zijn oude ruimte en rang te rooven tracht;

En toch gelukt het hem niet, daar het, hoezeer ’t ook streeft

Gebonden aan de dingen kleeft.’ (Faust, v. 1349-1354)

 

De vertaling van Adama van Scheltema offert precisie op terwille van het rijmschema en de versmaat.

Om te beginnen is de duisternis niet zomaar een medium waarbinnen er iets gebeurt waaraan zij verder part noch deel heeft, een duisternis waarin hanen kraaien, honden blaffen en er ook licht is. Integendeel, de duisternis zélf is het actieve principe dat het licht genereert. Zij zelf baart het licht – staat er letterlijk.

Een volledig raadsel is waarom de ‘Moeder Nacht’ van Goethe – bij Adama van Scheltema een ‘Vader Nacht’ is geworden. Daartoe was er geen enkele dwang van rijm of maat. Er is geen enkele reden voor. Bovendien getuigt het van onbegrip voor de betekenis van de nacht.

Je zou kunnen zeggen dat het gaat om de barenskracht van de nacht en de moederlijke wereld, die door Goethe – o.a. met zijn kleurenleer – tegen de apollinische schittering maar ook verblinding van het zuiver verstandelijke in bescherming wordt genomen.

De moeders, het rijk van de moedergodinnen… ze spelen in de Faust een belangrijke en geheimzinnige rol. Een beschouwing met als titel ‘De Moeders’ kunnen geregistreerde bezoekers op deze webstek vinden onder de rubriek Paradigma.

Aangezien de vertaling van Adama van Scheltema op deze plaats onbruikbaar is, laat ik hier het origineel volgen. Mefistofeles zegt:

 

‘Ich bin ein Teil des Teils, der anfangs alles war

Ein Teil der Finsternis, die sich das Licht gebar,

Das stolze Licht, das nun der Mutter Nacht

Den alten Rang, den Raum ihr streitig macht,

Und doch gelingt’s ihm nicht, da es, so viel es strebt,

Verhaftet an den Körpern klebt.’

 

 


[1]  Hermans in het interview van Andrzej Dšbrówka.

[2]  Albrecht Schöne: Goethes Farbentheologie. München [Beck] 1987.

[3] Wittgenstein in een brief kort voor zijn dood. Geciteerd door Schulte, p. 11.

[4]  In: Kan de tijd tekens geven? VW 11, 573.

 

 

 

 

error: Kopij bescherming !!