De legende Koehn (i)

[maart 2016; Coralie Coloratuur]

 

Helga Oschatz, de geadopteerde dochter van majoor Henry Koehn, noemt twee redenen waarom haar pleegvader zijn onderzoek naar het gestolen paneel van de Rechtvaardige Rechters zou hebben opgezet. Ten eerste wou Koehn een boek schrijven over de affaire, en ten tweede wilden hij en zijn entourage beletten dat de Sturm-Staffel van Heinrich Himmler, gewoonlijk de SS genoemd, het paneel terugvond en in handen kreeg. Deze zienswijze wijkt af van wat ik de ‘legende Koehn’ zal noemen. Die beweert dat de Oberleutnant – de graad van majoor werd hem pas kort voor zijn vertrek uit Brussel in 1944 verleend – “de zeer specifieke opdracht” zou hebben gehad om de Rechtvaardige Rechters terug te vinden ten behoeve van de nazi’s. Dit is de versie van de voormalige Gentse politiecommissaris Karel Mortier, aan wie we het te danken hebben dat de hele operatie Koehn bekend is geworden, maar die niet altijd gelijk heeft. “De bedoeling (van de nazi’s; CC),” schrijft Mortier, “was dit enig kunstwerk in 1943, tijdstip waarop Adolf Hitler 10 jaar aan de macht zou zijn (…) aan de Führer aan te bieden als geschenk van het Vlaamse volk.” (MOK I, 114). Mortier vermeldt ook waar hij dit nieuws vandaan heeft: “Gewezen Duitse officieren, die met Kriegsverwaltungsrat Koehn samenwerkten op de Kunstschutz-Abteilung in de Wetstraat in Brussel, verzekerden ons dat Koehn deze opdracht rechtstreeks van Göring en Himmler had gekregen.” (MOK I, 114)

 

Rechtstreeks van Goering én Himmler? Waren die twee dan zulke goede vrienden?

En voor de kritische tijdgenoot rijzen er bij de legende Koehn meteen nog meer vragen. Henry Koehn is een niet meer zo jonge officier, achtenveertig als de oorlog begint, een veeleer burgerlijke figuur, zonder Schneid (in de betekenis die de nazi’s daaraan gaven) en met een niet zo geweldig hoge militaire graad. Gewoonlijk toerde hij met het openbaar vervoer door ‘België’, of hij zocht meerij-mogelijkheden met andere militairen die wél met auto’s onderweg waren. Maar hijzelf had dus niet eens een dienstwagen. (In ‘Het ongeschreven boek’ heeft hij er soms wél een, om romantechnische redenen – of speciaal om ’te verhinderen dat de roman de werkelijkheid zou afbeelden’.) Koehn moest o.a. dossiers aanleggen voor de reparatie van kerken die oorlogsschade hadden geleden – veelal derderangse neogotische gebouwen zonder architectonische of cultuurhistorische betekenis.

En deze bescheiden officier zou door SS-opperhoofd Himmler (terwijl hij niets eens bij de SS was) én door Goering… nee, dat kan niet kloppen. Als de nazi’s écht van plan waren geweest om dat paneel te zoeken, en dan nog wel voor Hitlers verjaardag, dan zouden er toch wel andere middelen en specialisten gemobiliseerd zijn.

 

Maar toen dan – zo vervolgt de legende – gebleken zou zijn dat Koehn de Rechtvaardige Rechters niet kon vinden, toen werd hij gestraft en kort en goed naar het Oostfront gestuurd: “Het is ook gebleken dat hij (…) in januari 1944 naar het Oostfront werd gestuurd.” (MOK II, 472)

 

2

Karel Mortier heeft zijn hele leven vastgehouden aan de legende Koehn. Hij was nochtans gewaarschuwd dat die niet klopte, en wel door Koehns directe chef bij de Kunstschutz in Brussel, Prof. Dr. Heinrich Rosemann, professor in de kunstgeschiedenis aan de universiteit van Göttingen, de kleine stad aan de rand van het Harzgebergte die bekend was – zoals Heinrich Heine schrijft – voor haar universiteit en haar worst. (In sommige landen bestaan er universiteitssteden waar ze niet alleen geen worst hebben, maar in de eigenlijke zin van het woord zelfs geen universiteit – dit terzijde; C.C.)

Op 21 augustus 1964 schrijft dus professor Rosemann aan Koehns weduwe, Eva, dat hij op een excursie met studenten in Vlaanderen benaderd werd door Karel Mortier en diens toenmalige partner, Leon Leys, journalist bij de Gazet van Antwerpen. Die twee mannen “konden maar moeilijk verstaan”, schrijft Rosemann, “dat uitsluitend eigen initiatief zijn (d.i. Koehns; C.C.) drijfveer was, en dat hij geen officiële opdracht had van de Militärverwaltung, noch van een andere dienst of ook niet van afzonderlijke individuen of tussenpersonen”. (Brief Rosemann in het Archief Rechtvaardige Rechters.)

 

Ook Eva Koehn werd het niet moe om er bij contacten met Mortier op te hameren dat Koehns onderzoek louter voortkwam uit eigen interesse. (Als ik, Coralie Coloratuur, ook eens iets mag zeggen: Soms zien we dingen niet omdat we er met onze neus op zitten, maar als we blijven zitten staren moeten we er ons niet over verbazen dat buitenstaanders aan onze geestelijke gezondheid twijfelen.)

 

Ik wil in deze bijdrage aantonen dat het tweede deel van de legende Koehn – dat hij naar het Oostfront werd gestuurd – fout is. In een volgend stuk, dat einde maart verschijnt, zal blijken dat hij met de nazipartij op gespannen voet stond en dat alleen al de gedachte dat hij voor bijzondere opdrachten in aanmerking kwam ook om die reden absurd is.

 

3

In de zomer van 1944 vertrekt Koehn uit Brussel. Kennelijk wordt hij om gezondheidsredenen overgeplaatst – is hij erin geslaagd een doktersbriefje te krijgen?

Op 12 juli was hij onderzocht door de arts van de militaire staf,  Stabarzt Dr. Wunderlich, die hem ‘bedingt kriegsuntauglich’ verklaarde, d.w.z. ‘voorwaardelijk ongeschikt voor de oorlog’. Het mobiliseren van de laatste reserves aan kanonnenvlees, oude mannen en kinderen, was toen al begonnen. Maar Koehn vliegt niet naar het Oostfront, integendeel. Hij krijgt een bevordering en mag naar huis.

Eerst moet hij nog even naar Marburg aan de Lahn, maar op 31 oktober 1944 wordt hij definitief gedemobiliseerd, na ‘te zijn beleerd’ over het geheimhouden van wat hij bij het leger gezien en gehoord had, zoals hij schrijft. In juni was hij 52 jaar geworden, waarvan hij er acht als soldaat in een oorlog had doorgebracht – hij vond oorlog absurd en verschrikkelijk. Over het algemeen is hij voorzichtig in wat hij schrijft: de nazi’s waren niet mals voor defaitisme, ‘Wehrkraftzersetzung’. Maar Koehns brieven en dagboeken bevatten passages over de oorlog die hem in moeilijkheden hadden kunnen brengen als de Gestapo ze eens van naderbij had willen bekijken.

Voor zijn vertrek uit Brussel wordt Koehn dus op de valreep nog tot majoor bevorderd. Waarom? Door wie? Het fijne ervan zal wel nooit meer helemaal te achterhalen zijn, niet in de laatste plaats ook omdat deze dingen zich afspeelden in een conspiratieve sfeer. Trouwens, de samenzwering die zou leiden tot de aanslag op Hitler door graaf Stauffenberg op 20 juli 1944 vond haar medestanders in dit Kunstschutz-milieu in Parijs en Brussel. Hieraan is een derde deel van dit artikel gewijd, dat in april verschijnt.

Is het aannemelijk dat Koehns bevordering een blijk van erkentelijkheid was voor zijn rol in het conflict tussen vertegenwoordigers van het leger en de partij?

De diagnose ‘voorwaardelijk ongeschikt’ (op 12 juli), en zijn bevordering en vertrek uit Brussel vallen trouwens precies in de dagen van die beroemde aanslag van Stauffenberg – op 20 juli 1944.

 

Voor  Koehn zelf vormt die bevordering kennelijk een gelegenheid om zich een keer in vol ornaat te laten fotograferen door een echte fotograaf. Die heet Halin, noemt zich ‘portrettist’, en is gevestigd in de Sint-Goedelestraat 7-9 in Brussel. (Daar waren toen ook nog andere winkeltjes waarvoor Koehn zich interesseerde, waar o.a. kloskant verkocht werd – die te duur voor hem was. Hij zal tenslotte een paar kanten zakdoekjes voor zijn vrouw, Eva, kopen in Brugge.)

Fotograaf Halin heeft een van de foto’s sterk uitvergroot, van zijn handtekening voorzien en in een mapje gekleefd. De foto die ik hierbij afdruk is niet de beste uit de reeks, maar hij laat het duidelijkst Koehns militaire kentekens en eretekens zien.

Koehnretouchekaderwatermerk

Deze foto legde ik voor aan de ordekundige Ivo Suetens, die er (op 3 maart 2003) de volgende analyse van maakte (waarvoor hartelijk dank):

frgmt Ivo Suetens

Aldus Ivo Suetens.

Dat het in het algemeen niet boterde tussen het militair bestuur in Brussel en de nationaalsocialistische partij is bekend en beschreven. Dat de hoogste chef van de Kunstschutz, graaf Metternich in Parijs, zich verzette tegen o.a. de diefstal van kunstwerken in de bezette gebieden eveneens. Metternich is erkend als weerstander tegen het regime (cfr. bibliografie, Festschrift etc.). Koehn en zijn onderzoek naar de diefstal van de Rechtvaardige Rechters hadden van die rivaliteit zowel te lijden als dat Koehn een acteur was in het drama. Zijn relatie – beter: zijn niet-relatie; ik zal in verband daarmee van ‘bijna heroïsche afzijdigheid’ spreken – met de partij beschrijf ik in de hoger aangekondigde bijdragen.

 

error: Kopij bescherming !!