Hermans duister zonder Goethe?

 

 

[…] Van Jan van Eyck via de reformatie tot Willem Frederik Hermans – je zou het begrip ‘persoonlijkheid‘ iets als een hoofdgedachte in de Nederlandse cultuur kunnen noemen. Voor de schrijver komt het ook aan op de verheffing van het ik tot het generiek-objectieve. Maar het uitgangspunt is ‘Die titanische Lebensbejahung’ –  titel van een hoofdstuk in Hermann August Korffs ‘Geist der Goethezeit’.[1]

En het vervullen van die opgave leidt tot het enige (reële) levensgeluk: ‘wahres Glück der Menschenkinder sei nur die Persönlichkeit’, meent Goethes Suleika – in de conjunctief vanwege indirecte rede, het is geen irrealis. Het zou een Hermansiaanse tournure kunnen zijn om hier aan toe te voegen dat de wereldverbeteraars de andere mensen in het aardse tranendal dit enig denkbare geluk ook nog willen afnemen, door de persoonlijkheid af te willen schaffen. Het volatiele van de metamorfosen van een persoonlijkheid sluit eenheid niet uit. Goethe gebruikt zelf het beroemd geworden beeld van de vervellende slang die haar oude huid afwerpt en in een glanzende, nieuwe en verjongde vorm weer tevoorschijn komt. Zijn vijanden, schrijft hij,

‘zerren an der Schlangenhaut,

die jüngst ich abgelegt.

Und ist die nächste reif genung,

ab streif ich sie sogleich

und wandle neu belebt und jung

Im frischen Götterreich.‘[2]

 

[Ze rukken aan de slangenhuid

Die ik pas heb afgelegd

En als de volgende rijp genoeg is,

dan leg ik die ook meteen weer af

En wandel met nieuw leven vervuld

In het jonge godenrijk.]

 

Hermans neemt het beeld over en past het toe op zichzelf in een commentaar bij ‘Denkbaar’. Het is een verklaring van het generatieve aspect van de god Denkbaar. ‘Mijn schrijverschap volgt een spiraalgang. De god Denkbaar, Denkbaar de god, stamt niet zozeer af van Schierbeek en Joyce, maar van Atonale (1942), Conserve (1943) en Manuscript in een kliniek gevonden (1944).’[3] En dan citeert hij indirect Goethe: ’Deze manier van doen brengt mee dat ik mijn publiek van tijd tot tijd kwijtraak, op de manier waarop een slang zijn oude huid verliest.’[4] Voor wie Goethe niet kent is het beeld dat hij hier gebruikt enigszins duister: Wil dat zeggen dat een slang haar publiek kwijtraakt? Dat publiek is immers nog bezig ‘an der Schlangenhaut’ te ‘zerren’! De dichter is intussen al een stadium verder, hij steekt in een nieuwe huid. Hermans neemt dus niet alleen het beeld over maar ook de duiding van de zich vernieuwende schrijver tegenover het achterblijvende publiek.

 

[Uit: Lucas Mariën: ‘Het Paradigma Hermans’. Voorzien voor 2016, Cfr. uitgeverij Paradigma.]

[1]  Geist der Goethezeit, dl. I, 122 (129).

[2]  Zahme Xenien V. HA 1, 324.

[3]  Willem Frederik Hermans, VW 2, 701 (ontstaans- en publicatiegeschiedenis).

error: Kopij bescherming !!